Stenen raadsel uit 1553

Een raadsel uit 1553:
de stenen paal van Zepperen

 

Niet ver van de ingang “Heers” in het Openluchtmuseum Bokrijk te Genk staat een eigenaardige stenen pijler op voet. Hij draagt het nummer 5, Grenssteen uit Zepperen, Limburg, 1553. Grenssteen in blauwe natuursteen met datum 1553 op de hals, die de rechtsgebieden van Zepperen en Sint-Truiden scheidde (1).
De processen-verbaal van afpaling van de gemeente Zepperen uit 1806 en 1823 spreken niet van deze steen, enkel van bornes of eenvoudige ronde stenen op de grens van buurgemeente Ordingen.
De eerste vermelding van de zuil verscheen in 1866. Algemeen rijksarchivaris Charles Piot vond in het Sint-Truidense abdijarchief de passage Zeppingen IX virgatae terrae magnae jacentes in territorio de Zipingen, juxta magnum lapidem, dictum reensteen, stans in medio (2). Het verband werd gelegd met Zepperen en met een grenssteen of schandpaal met de tekst D…N…AVANT 1553, in 1861 onder de grond ontdekt door leden van het provinciaal comité voor monumenten. Dit comité van briefwisselende leden werd in mei 1860 opgericht als een antenne van de centrale koninklijke commissie. Procureur des Konings Henri Schuermans uit Hasselt was er van meetaf aan bij. Deze jurist, geboren in Brussel in 1825, procureur in Hasselt vanaf 1859 en hoge magistraat te Luik vanaf 1866, was bijzonder actief als archeoloog, epigraaf, numismaat en dichter. Hij publiceerde in vele vaktijdschriften. In een commissieverslag uit november 1864, maar pas gepubliceerd in het Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire du Limbourg , Tongeren, in 1874, p. 258, signaleerde hij het bestaan te Zepperen van een schandpaal of grenspaal op de gemeentegrens tussen kerk en kasteel. De basis van deze steen was vierkant en wijzigde in achthoek met afschuiningen. De kolom droeg als opschrift : D…..N…..AVANT 1553. Het ware interessant om deze steen, die nu op de grond lag, recht te zetten, zo merkte de commissie op. Zelfs numismaat Schuermans had geen uitleg voor de verminkte tekst in de hals van het zuiltje.
De zuil raakte opnieuw in de vergetelheid en rolde waarschijnlijk in de beek. Hoofdonderwijzer Frans Creten antwoordde rond 1903 op een vraag van het provinciebestuur en tekende een archeologische kaart van de gemeente Zepperen. Hij duidde als laatste punt X aan : pilori en pierre bleue; la pierre de base se trouve sur la voie publique; la colonne, dans le ruisseau voisin (3). Naar verluidt vond aannemer en burgemeester Henri Vandenbosch de grenspaal jaren later terug aan “Mil van Veire” of Camille Hayen in de Melsterbeek. Dat is waar de loop van de beek en de Kasteelstraat naar elkaar toe buigen en dus een driehoekige plek laten met een lindenboom op de rechteroever. Een andere bron meldt dat alleen het voetstuk nog op zijn plaats stond en dat smedenzoon en schepen Felix Jammaers de steen uit de beek had gered (4). Volgens Kamiel Stevaux van Brustem was er sprake van een tweede exemplaar meer in de richting van de Hoogmolen bij Bautershoven.
In 1921 meldde de Truiense stadsingenieur Guillaume Govaerts aan het Provinciale Comité dat een fût de colonne sculpté, portant une inscription et la date 1553 in de berm lag van een buurtweg nabij het oude Karthuizerklooster te Zepperen. Deze zuil werd uit de beekbedding vlakbij gehaald en was zeer waarschijnlijk de oude schandpaal van de vrijheerlijkheid van Zepperen. Het gemeentebestuur van Zepperen, via burgemeester Henri Paesmans en secretaris Decauter, schreef in april 1922 aan de gouverneur dat de noodige maatregelen zijn getroffen geworden tot bewaring der gebeeldhouwde kolom, welke geplaatst is langs den openbaren weg, nabij het klooster der Assomptionisten en de woning van Mr. Felix de Pitteurs-Hiegaerts, de zekerste openbare plaats der gemeente om ongeschonden bewaard te blijven (5).

De vroegere kloosterhoeve van de Begaarden, omstreeks 1900 tot kasteeltje omgebouwd door Felix de Pitteurs-Hiegaerts
foto-21-remacl(lesbegards)
Voor de Italiaanse populier links liggen een vierkante basissteen en de zuil op de grond.
Prentbriefkaart ZEPPEREN Les Beggards, uitgave Préaux te Ghlin, omstreeks 1927

In 1925 meldde het Bulletin van de Koninklijke Commissies, p. 325, dat de oude schandpaal verplaatst werd en heropgesteld op een openbare plaats. Waarschijnlijk voor het vroegere kasteel de Pitteurs, toen net in handen gekomen van de familie Dossin-Jadoul (6).
In augustus 1928 bepleitte conservator Constant Vanderstraeten van het Provinciaal Museum in Hasselt op vraag van de gouverneur de plaatsing in zijn museum. Hij had het terugvinden van de zuil vernomen. De gemeenteraad beslist de steen te behouden en te plaatsen langs het gemeentehuis. Het gemeentebestuur liet in 1929 inderdaad een nieuwe gemeenteschool voor jongens met hoofdonderwijzerswonig bouwen meer in het centrum van de gemeente, ter hoogte van het kruispunt Eynestraat-Roosbeek.

foto-22-remacl(paalmeisjes)
De zuil voor het gemeentelokaal in de nieuwe gemeenteschool uit 1929.
Op de achtergrond de hoofdonderwijzerswoning Schoofs, later gemeentehuis.
Op de voorgrond de juffrouwen Jeanne Onkelinx, Leopoldine Gilissen en Elvire Tits,
in 1935 leidsters van de katholieke meisjes Boerenjeugdbond

 

foto-24-remacl(paaltuin)
De zuil op een perkje in de voortuin van de gemeenteschool,z.d., voor 1962, foto via onderwijzer Roger Vandenbosch

In februari 1958 schreef ook conservator-directeur doctor Jozef Weyns van het Openluchtmuseum Bokrijk dat hij kandidaat was als het ooit bij U in de weg zou staan en gaf aan dat het géén schandpaal was. Bij werken voor de school en het gemeentehuis in 1962, waarschijnlijk toen het afsluitmuurtje en de voortuin plaats moesten maken voor autoparkeerplaatsen, verwittigde de alerte Hasseltse provinciale bibliothecaris en geschiedschrijver Kamiel Stevaux uit Brustem het Openluchtmuseum. Sinds dat jaar prijkt de paal van Zepperen in het Openluchtmuseum.
In 1965 publiceerde conservator Weyns over het “heerlijkheidsteken” en wees op de gelijkenis van de basis met een steen bewaard in Brustem (7). Op de bijhorende tekening in het artikel werd de grenspaal een hoogte toegekend van 2,65 meter.
In zijn overzicht van de perrons in Limburg verwees architect en volkskundige Driessen van As naar zogenaamde stadsrechten voor Zepperen, een verhaal zonder grond, en naar de mening van historicus dr. Jan Behets, die kategoriek affirmeerde dat de zuil van Zepperen een Luiks perron was (8). Tegen de hypothese perron of heerlijkheidsteken pleiten de afwezigheid van een kruis of van een vlagbevestiging op de top en de plaatsing aan de gemeentegrens. Ook de typering als zuilkaak of schandpaal, waarvoor ook perrons konden gebruikt worden, is waarschijnlijk onjuist. De externe vindplaats, de geringe hoogte en de moeilijkheid om iemand tegen de versmallende zuil te schande te zetten pleiten tegen. Bovendien is er geen bevestigingsspoor van een halsringketting op halve hoogte of van voetklemmen onderaan, tenzij men om de vernauwing bovenaan een touw of ijzeren ring zou leggen (9).
De Melsterbeek als gemeentegrens erg dicht bij kerk en klooster lijkt van meer betekenis voor dit monumentje. Zo wordt in een archiefstuk van 1771 benadrukt dat het document is neergeschreven op het pachthoff des voorsscreven Clooster in de keucken gestaen onder die jurisdictie Sint Truyden (10). De kloosterhoeve van de Begarden of Tertianen te Zepperen lag tegenover het klooster, maar aan de overkant van de beek, dus op Sint-Truidens grondgebied waar de lokale abt en de prinsbisschop van Luik hun macht deelden. Zepperen zelf was één van de elf banken van het Sint-Servaaskapittel van Maastricht en dus een enclave. Deze Maasstad was sinds 1204 en zeker sinds 1530 een deels Brabantse bezitting. Het kapittel moest voortdurend zijn unieke, keizerlijke status als vrije Rijkskerk verdedigen om niet als een simpel stuk Brabant te worden beschouwd. Voorafgaand aan het jaartal 1553 op de zuil kende deze streek in 1542 de legerdoortochten tijdens de oorlog tussen Karel V en hertog Willem van Kleef, medestander van de Franse koning Frans I. De oorlog werd in 1543 afgesloten met het Verdrag van Venlo en met het Verdrag van Augsburg van 1548. In dat laatste jaar werd tussen Maria, gouvernante van de Spaanse Nederlanden, en de onderhandelaar van het Prinsbisdom Luik in 1548 te Brussel een verdrag gesloten om resterende geschillen tussen de Nederlanden en Luik te regelen. Zo werd alvast afgesproken om grenspalen te plaatsen tussen Pelt-Nederpelt en Bergeyck. Andere grens- en rechtsconflicten zouden later geregeld worden. Misschien gebeurde dit enkele jaren nadien in Zepperen (11) ? Door het Partagetractaat werden half Maastricht en de elf banken vanaf 1663 zelfs Hollands gebied. In elk geval was Zepperen een eilandje in het Luikerland en een toevluchtsoord voor rebellen (12).
Op de Vander Maelenkaart, omstreeks 1850, staat bij de vindplaats een opvallende boom afgebeeld (13). De plek ligt op een derde van de afstand van de voetweg die van het Begaardenklooster naar de Sint-Genovevakerk liep. Op twee derde lag het omgrachte goed “de Mot” van de erfgenamen van Jan Gorre, eerste begifter van het klooster. Deze voetweg haalde al vroeger het nieuws: in 1517 kwam het tot een conflict tussen de Begaarden en de inwoners van Zepperen, gesteund door hun kapittelheren. De rijproost had voortaan gronden in huur gegeven aan de inwoners in plaats van aan de Begaarden. Die laatsten molesteerden de nieuw huurders en daarop sloten de dorpsbewoners als represaille het pad af tussen klooster en kerk, dat de kloosterbewoners tot karrenweg hadden verbreed. Het kwam tot excommunicatie van de dorpelingen en het kapittel stuurde zijn deken met twee kanunniken naar Luik om de zaak te gaan bepleiten bij de raadgevers van prinsbisschop Erard de Lamarck (14).
Uit bewaarde kapittelverslagen blijkt ook dat tijdens de jaren 1531-1560 het Generaal Kapittel van de Tertianen in en rond het bisdom Luik – een groep van 25 kloosters van Aken en Roermond, Antwerpen en Brussel tot ’s Hertogenbosch en Middelburg – steeds werd gehouden in het centraal gelegen, landelijke klooster Sint-Hiëronymus Veld te Zepperen op de vierde zondag na Pasen. Enkel in 1554 werd in Antwerpen vergaderd (15). Deze momenten deden het belang van Zepperen uitstijgen boven het lokale niveau.

In Bokrijk staat de stenen zuil op een laag sokkeltje en dan op een vierkante, waarschijnlijk Naamse kalksteen, die op bijna halve hoogte wijzigt in een achthoek door middel van afschuiningen en tegenkapellen. De ronde overgang van basis naar zuil is gewoon gelijkgestreken cementmortel op een kern van bakstenen. Het stenen cilindrische zuiltje zelf versmalt licht naar boven toe en bestaat uit een schacht met een kop erboven. Het materiaal is waarschijnlijk ook Naamse kalksteen. Op de schacht komen twee motieven in uitgespaard laagreliëf voor : onderaan tot op halve hoogte acht opstaande spitse bladertakken met telkens een motief van een lelie met ronde zijblaadjes ertussen. De nerven van de bladeren zijn opliggend. Daar boven zijn acht verticale gleuven uitgehakt. Hun uiteinde bovenaan is afgerond. Twee tegenoverliggende gleuven hebben op halve hoogte een kleine puntvormige uitholling, mogelijk steunpunten voor de steenschaar bij de plaatsing. De diepte van het reliëf ligt tussen de 5 en 7 mm. Net onder de hals en de kop werd een rondlopende tekstband uitgespaard met gotische letters en cijfers : -1553 – D(B?) ………..N – AV(?)ANT-. De letterstijl lijkt eerder te plaatsen omstreeks 1500 en wijst op een traditiegebonden lokale productie (16). Het zijn kapitalen die sterk lijken op deze gebruikt voor randschriften van munten en penningen uit die periode. De diagonale neerhalen van de ‘N’ wisselen, ook de oortjes bovenaan aan de ‘A’. Deze laatste letter heeft een een spits dwarsstreepje met punt naar beneden.
De aparte kop van de paal bestaat uit een hol profiel en een spitsbogig toelopende, gedrukte kegel met daarop ook in laagreliëf vier keer een eenvoudiger versie van het bladmotief met ertussen een ronde drieklaver. Met veel goede wil te beschouwen als een variant op het pijnappelmotief van perrons (17). De achtergrond van bladmotieven, gleuven en letter-cijferband zijn met puntslag bewerkt. Zowel op de basis, onderaan de schacht en ter hoogte van de letterband zijn beschadigingen, deze laatste blijkbaar opzettelijk om letters uit te wissen. De zuil is ooit teruggelijmd en vertoont langse barsten. De bekappingen zijn verweerd. De primitieve florale motieven en de diepte van het reliëf vertonen weinig gelijkenis met de eveneens floraal versierde zestig balusterzuilen van het eerste binnenhof van het Luikse prinsbisschoppelijk paleis, gebouwd in de jaren 1526-1538 in gotico-renaissance, of de zuilengalerij van het Spaans Gouvernement in Maastricht 1545.

 

 

Zuilen met florale motieven en mascerons Spaans Gouvernement Maastricht

 

 

foto-23-remacl(paaltekening)

 

 

Op basis van de aannames van notaris Franz Aumann, edelsmeedkunstspecialist, en de nog herkenbare restletters D en N werd verder gezocht en ‘DROIT EN AVANT’ voorgesteld. Dit ‘devise’ bestaat, maar bij families in Groot-Brittanië (Townshend) en Italië (Villa) volgens een vlugge websearch. De signalering van 1861 ‘onder de grond’ pleit in het voordeel van een originele standplaats. De leuze zou dus moeten verwijzen naar een toenmalige kloosteroverste van Begaarden, een kapitteloverste van Sint-Servaas Maastricht of een Brabants vorst?

Wie lost het mysterie op van de paal van Zepperen ?

1. Op 8 september 2002 wees notaris Franz Aumann, voorzitter van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Sint-Truiden, op een piramidale grenssteen, afgebeeld op een schilderij door David Teniers de Jonge (Margret KLINGE, David Teniers de Jonge. Schilderijen. Tekeningen, tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, 1991, p. 175 en 254). Deze steen bakende een gebied van een mijl rond de stad Antwerpen af waarbinnen de stedelijke jurisdictie gold.
2. Luk Carlens (+), Zepperen tipte dat men in het TELEAC/NOT-programma “Steden en hun verleden” van 7 augustus 2003 kort de banmijlpaal belichtte, een grenspaal die het gebied aangaf waarbuiten een verbannen misdadiger moest blijven. Zie voorgaande tip.
3. In Beverley (Yorkshire) bakenen nu nog twee stenen met kruis erin, op een vierkante sokkel bij invalswegen, het cirkelvormige gebied af van één mijl rond de Sint-Janskerk waarbinnen een speciaal kerkasiel gold.
4. Luk Van de Sijpe vermeldt het onzekere perron van Zepperen in: Het kruis en de granaatappel. 12de – 18de eeuw/Limburg/politiek-juridisch. Het perron: vrijheidsteken in het land van Loon en Luik, (Vergeten Limburgs verleden), in: Het Belang van Limburg, 13/14.12.2008, weekendbijlage p. 3. Hij citeert ook dat het perron van Hamont nog in 1782 werd opgericht pour donner la terreur aux vagabonds et malfaiteurs, als symbool van de Luikse rechtsmacht. De Luikse perrons droegen vanaf de late 15de eeuw een carcan of band, naar verluidt gegroeid uit een verstevigingsband aan het perron te Luik. Zie ook: J. STINISSEN, Het perron in de Loonse steden. Een actualisering, in: Limburg-Het Oude Land van Loon, jg. 82, 2003, p. 29-42. Luk Van de Sijpe schreef ons: Ik had al opgemerkt dat de Zepperense kwestie verdacht was. Nu ik de paal zo zie, vind ik de toewijzing als grenspaal tussen twee juridische entiteiten of gemeenten ook niet zo evident. Wat deze paal zo speciaal maakt zijn de florale motieven. Dat wijst m.i. geenszins naar politieke of juridische oorsprong (noch grenspaal, noch kaakpaal). Brengt het archief met datum 1553 geen soelaas? Is er ooit een conflict geweest over tienden, meer bepaald over rechten van tiendheffers in het gebied van Zepperen? De pijnappel lijkt dan weer wel te wijzen op Luikse invloed (Sint-Truiden?).
5. EH Jo Van Mechelen had in 2016 de aandacht gevestigd op een randschrift in een zuiltje op de kelderverdieping van de abtsvleugel in Sint-Truiden: abt Sarens liet er in 1539 zijn latijnse leuze ‘A Domino factum est istud 1539’ uitsparen in blauwe steen mét een duidelijke steenkappersfout ‘isdut’. Dus een kapfout was niet uitgesloten. Kon het dan toch iets zijn in de zin van ‘limes brabantiae’? Jo suggereerde voor de paal in Zepperen een leuze als hantekening en het Franse ‘avant’.
6. Frans Aumann merkte einde 2016 op dat ‘AVANT’ geïsoleerd werd door een punt, dus op zich stond, en verwees naar een frantalig devies of leuze, vb. ‘DIEU SEUL AVANT’. Kort, gezien de beperkte ruimte rond de paal. Hij wees er ook op dat de familie de Pitteurs nogal wat met (bouw)antiek had gesleurd. Was de paal wel ‘inheems’ van Zepperen of eerder van elders bijgesleept?

(1) J. WEYNS, Omstandige gids van het Openluchtmuseum te Bokrijk, 2de uitg., Bokrijk, 1967, p. 12, nr. 4. M. LAENEN, Provinciaal Openluchtmuseum Bokrijk. Gids, Tielt, 1989, p. 76, nr. 5.

(2) Bulletin des Commissions Royales d’Art et d’Archéologie, 1866, p. 473. W. DRIESEN, Bulletin des Commissions Royales d’Art et d’Archeologie (Brussel 1862-1942), (Limburgse referenties, 1), Hasselt : Provincie Limburg, 1992. Piot (Leuven 1812 – Brussel 1899) publiceerde in 1870 en 1874 in twee delen de Cartulaire de l’abbaye de Saint-Trond. Het is onzeker of Zeppingen te identificeren is als Zepperen. Jules Marchal vermeldt de benaming in elk geval niet in zijn toponymisch KUL-doctoraat over Zepperen uit 1952. In een tekst uit 1420 wordt Zijpingen in één adem genoemd met Beendervelt en Meetzeren in verband met het Elsbroek, Kelsbroek en de Yngelbampt. Dat zijn plaatsen ten noorden van Sint-Truiden, waar momenteel ook een reservaat “de Zijp” bij de Raasbeek ligt.
(3) Bij de stichting van het “Musée Provincial de l’Etat” droeg de provinciegouverneur via een omzendbrief van 8.11.1902 aan alle onderwijzers op om voor hun gemeente een lijst met oude voorwerpen op te maken en een kaart met daarop de plaatsen met (kunst)historisch en oudheidkundig belang. De bewaarde kaarten zitten nu in het fonds Limburgensia van de Bibliotheek Limburg-Hasselt. Mededeling Raf Van Laere, Limburgensia, Hasselt. W. DRIESEN, ibid, p. XIV. Met dank aan Luk Carlens.
(4) J. WEYNS, Een heerlijkheidsteken uit Zepperen, in : Ons Heem, jg. 20, 1966, p. 103-105.
Ons Heem, Het rechtshistorisch patrimonium, jg. 44, nr. 5, herfstmaand 1990, p. 143 : bibliografische nota.
(5) Hasselt, Provinciaal Archief, Monumenten, Zepperen. Mededeling Wim Jaminé, Hoboken.
(6) Schepen Jammaers zou de steen verplaatst hebben om hem uit de handen van de kasteelheer te houden, mededeling Kamiel Stevaux aan Jozef Weyns, 4.11.1965.
(7) J. WEYNS, Een heerlijkheidsteken….
(8) Mathieu DRIESSEN, Perrons in het Land van Loon, in : De Tijdspiegel. Cultureel blad voor Limburg, jg. 34, afl. 1, maart 1979, p. 24-25. Het hardnekkige verhaal over de stadsrechten beroept zich op het leven van Sint-Trudo, geschreven in de 8ste eeuw, waarin staat : villa, quae Septemburias dicitur, en op de vermelding van la Ville de Seppre in een stuk van 1280, die de Hasseltse geschiedsschrijver Joannes Mantelius in 1717 doen besluiten : sed ecce Sepperen id temporis Oppidum erat, quod Rodulfus abbas sancti Trudonis in Vita ejus Septemburiam vocat, in : Historiae Lossensis libri decem, p. 216. Villa betekende echter eerder “hof” of “dorp” dan stad. Zie hierover ook A. KEMPENEERS, La maison des Bogards à Zepperen et la chapelle de Natenbampt sous Brusthem, in : Publications de la Sociéte historique et archéologique dans le Limbourg, Maastricht, jg. 2, 1865, p. 105-125, nota 1.
In een brief van 22.10.1965 aan dr. Jozef Weyns zwakt dr. Jan Behets zijn typering perron af, omdat hij aanvankelijk geen kennis had van de juiste vindplaats, Archief Openluchtmuseum Bokrijk.
(9) Paul DE WIN, Inventaris van de feodale schandpalen op Belgisch grondgebied, 1. Provincies Antwerpen, Brabant en Limburg, (Iuris scripta historica, 9), Brussel : Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Wetenschappelijk comité voor rechtsgeschiedenis, 1996, p. 181-182 en afb. 93 : Bewaarde (schand-?)paal van Zepperen.
Mededelingen Jackie Thiron, Stekene en Raf van Laere, Hasselt.
(10) RAH, Zepperen Schepenbank, nr. 69, f. 149.
(11) Joseph DARIS, Histoire du diocèse et de la principauté de Liége pendant le XVIe siècle, Luik, 1884, p. 151-152.
(12) Onder meer tijdens de mislukte Luikse revolutie vluchtten de rebellen in augustus 1791 naar Zepperen. Francois STRAVEN, Inventaire analytique et chronologique des archives de la ville de Saint-Trond, dl. 6, Sint-Truiden, 1896, p. 23. Henry BAILLIEN, De rapporten van de kantonscommissarissen (1797-1800), dl. 2: Tongeren, Hasselt, 1972, p. 68.
(13) Philippe Vander Maelen (1795-1869) stichtte in 1830 het “Etablissement géographique de Bruxelles”, dat in de jaren 1846-1854 de Atlas cadastrale du Royaume de Belgique uitgaf. Blad 9.15, St.Trond, schaal 1/20.000.
(14) Joseph DARIS, Notice sur Zepperen, in : Notices historiques sur les églises du diocèse de Liége, dl. 13, Luik, 1887, p. 105.
(15) Marc HAVERALS, Het Sint-Hiëronymusveld en de Congregatie van Zepperen, lic.verh., KUL, Leuven, 1969, p. 381. De 15de-eeuwse statuten van het “Generaal Kapittel van Zepperen” werden opgesteld byden bruederen vander derder oerdenen sinte Francisci int ghemeyn levende binnen den lande ende creesdumme van Ludick vergadert in horen Generalen capittele op sinte Iheronimus Camp inden dorpe van Zepperen, ID., p. 413.
(16) Mededeling Raf Van Laere, Provinciaal Munt- en Penningkabinet Tongeren.
(17) De gelijkenis met een fallus, tot in de 16de eeuw in Europa als beeld minder een taboe dan de eeuwen erna, is waarschijnlijk toevallig (zie over het fallussymbool Dr. Johan J. MATTELAER, De fallus in kunst & cultuur, Kortrijk, 2000). De paal of zuil met basis en bekroning is een logische oervorm.

Remacluskring Zepperen
Willem Driesen
versie 26 december 2016

Monumenten

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close