Jeugdherinneringen van Meester Schoofs

Jeugdherinneringen
door Meester Schoofs

 

 

+-1933

Dit is een bijgewerkte digitale editie met tussentitels, extra illustraties en notities door de redactie. In 1988 gaf de Remacluskring deze jeugdherinneringen al postuum uit als eerste boekje in een reeks over de geschiedenis van Zepperen.

Het Woord vooraf luidde:
Welke Zepperenaar heeft Meester Schoofs niet gekend? Geboren als zoon van een rademaker stond Jozef Schoofs vanaf 1911 voor de banken in de gemeenteschool en werd hoofdonderwijzer. Hij was erg bedrijvig als opsteller van bidprentjes, in het liefhebberstoneel en in lokale politieke pennenstrijd. Zijn vaardige hand schreef bovendien in de zestiger jaren een stapel bladzijden vol met verhalen en anekdotes uit het oude Zepperen. Deze getypte teksten zijn onlangs teruggevonden via Henri Vanoirbeek en Albert Manet. Ze kunnen nu door de Remacluskring dank zij de toestemming van Mevrouw Suzanne Darimont, weduwe Schoofs, in boekvorm uitgegeven worden. Verlucht met oude foto’s en pentekeningen van Tim Nijs geeft deze brochure een tijdsbeeld uit de jaren rond de eeuwwisseling. Het decor is het dorp van toen, een leefgemeenschap bekeken door de ogen van een knaap met klein verdriet en veel plezier. De vaak kleurrijke opmerkingen over Zepperse personen en de vrije spellingsvormen laten wij voor rekening van de schrijver. Iedereen kan nu meegenieten van de boeiende vertellingen over Lamme Mommen, Ber Creten, Marieke van Celesius en Bertuske Thijs, over de school van vóór 1914, over lijsters en klanters, over morulen en spikken. De jeugdherinneringen van Meesters Schoofs zijn een blijvend aandenken en de eigen woorden op zijn bidprentje klinken zeker te bescheiden: “’k Heb hier op mijn levensbaan niets wat groots is ooit gedaan, niets wat blijvend blijft bestaan, niets om te waarderen…”.

De Remacluskring van Zepperen. Jef Celis, Willem Driesen, Prof. Dr. Guy Fabry, voorzitter, Fons Heeren, E.H. Louis Henckens, Richard Knapen, Albert Manet, Hugo Nijs, Toon Vanoirbeek, E.P. Willy Wintmolders. Pentekeningen door Tim Nijs. Zet- en drukwerk door Mark Neven en Roger Strauven.
Tekeningen door Tim Nijs, illustrator van de editie 1988

De driehonderd boekjes, in die pre-pc-tijd nog uitgegeven als getypt en gefotokopieerd tekstblok in een gedrukte kaft, vonden vlot hun lezers. Zelfs enkele ‘luxe-edities’ ingebonden via PZ Ziekeren, werden besteld. Ze inspireerden heel wat dorpsgenoten om ook hun mémoires aan papier toe te vertrouwen, onder meer Josee Priemen en meester Roger Vandenbosch. Anderen vertelden hun jeugd aan interviewer Willem Driesen, onder meer koster Antoine Vaes en Henri Hechtermans. Classicus en oud-leraar Henri America liet zijn herinneringen in 1999 verschijnen in Leven in Oud-Zepperen. Van kjoezestein tot kurrezoug, ook een uitgave door de Remacluskring. Het handgeschreven relaas van Maurice Vananroye over zijn dwangarbeid in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog staat op deze Zepperen-website te lezen of af te drukken.

Meester Schoofs (1891-1976)
Op 18 mei 1891 te zes uur in de namiddag kwam de dertigjarige rademaker Alfons Schoofs bij burgemeester Louis Minsen de geboorte aangeven van een derde zoontje. Zijn echtgenote Joanna Catharina, 36 jaar, had om twaalf uur ’s nachts het leven geschonken aan Joannes Jozef. Getuigen waren bakker Jozef Smets, 26 jaar, en hoefsmid Jan Hechtermans, 62 jaar. Diezelfde dag waren ook de tweelingen Felix-Henri en Pieter-Johannes Leunen geboren.
Vader Alfons Schoofs was rademaker-landbouwer, afkomstig van Brustem (°18 mei 1861). Zijn broer Bertus (1852-1939) was getrouwd met de Zepperse Maria-Catharina America en woonde aan de Luikersteenweg. Alfons trouwde met het Zepperse meisje Joanna Catharina Fabry (°24 januari 1855) op 30 december 1885. Zij zouden, behalve Jozef nog vier zonen krijgen: Alfons Egidius René (°3 september 1886), Jan-Armand (°27 december 1888), Jan-Henri (°19 april 1894) en Alfred-Albert-Gustaaf (°31 januari 1898). Broer Henri verdronk als oorlogsvrijwilliger achter het front te Bray-Dunes in 1915. Moeder stierf in 1920, vader Schoofs overleed twaalf jaren nadien.Jozef Schoofs behaalde zijn onderwijzersdiploma in Sint-Truiden op 19 juli 1911, en gaf achtereenvolgens les in Sint-Joost-ten-Node en Drogenbos. Hij kon op 15 oktober 1913 starten in de gemeenteschool van Zepperen. Zijn oudere collega’s waren toen meester Frans Creten en meester Arnold Neven. Bij de verplichte veeleveringen voor de forten van Luik in augustus 1914 werd de jonge Schoofs als hoofdbegeleider meegestuurd. Door het oorlogsgeweld raakte het konvooi maar tot in Hognoul en de meester moest de burgemeester van Roucour in zijn schuilplaats opzoeken. Hij werd er in 1929 hoofdonderwijzer. Vanaf 1926 werd meer in het centrum van de gemeente een nieuwe gemeenteschool gebouwd door aannemer Claes uit Sint-Truiden naar ontwerp van architect Arsène Debruijn uit dezelfde stad. In een brief uit 1929 danken de onderwijzers en de leerlingen het gemeentebestuur dat “in het midden der gemeente, een der prachtigste, een der schoonste, een der gezondste gebouwen van gansch de provincie” neerzette.

+-1978

Meester Schoofs bewoonde een tijdlang de even mooie hoofdonderwijzerswoning die later gemeentehuis werd. Politieke perikelen deden hem rond 1955 verhuizen. Meester Schoofs was immers partijleider van de liberalen, opgericht bij de gemeenteverkiezingen van 1948. Een conflictje met de katholieke winnaars over steenkolen en over de begrafenis van assumptionist-in-spe Vanvuchelen leidde tot een scherpe open brief van de hoofdonderwijzer, verspreid in het dorp. Later trok hij in “Vrij Limburg” met zijn vlijmscherpe pen ook van leer tegen de giftenwerving door pastoor Hayen voor zijn nieuwe meisjesschool (*).
Enkele jaren woonde de Meester op de Hoogmolen, een 17de-eeuwse hoevetje bij Bautershoven-Sint-Truiden.

De onderwijzers voor hun nieuwe school. Staande: Firmin Neven en Basile Schoenaerts. Zittend: Jozef Schoofs en François Mommen, +-1933

Rekeningregister 1920 en titelblad van de toneelbewerking “De Zot van Herckenrode” in handschrift door meester Schoofs, 1921.
Meester Schoofs was erg bedrijvig als opsteller van bidprentjes en in het liefhebberstoneel. Toen op 10 februari 1918 de toneelmaatschappij “De Vereenigde Vrienden” in Zepperen werd gesticht fungeerde hij als schatbewaarder. In 1920 werd hij opgevolgd door collega-onderwijzer Henri Jammaers. Volgens het rekeningenregister speelde men in die tijd stukken zoals “Boeren van Oolen”, “De nieuwe dokter” of “Het schoothondje der koningin”. In de twintiger jaren bewerkte Jozef Schoofs “De Zot van Herckenrode” van pastoor Creten voor het Sint-Truidens Volkstoneel. In latere jaren scherpte hij zijn pen voor polemieken over lokale politiek o.m. in het liberale ‘Vrij Limburg’. Meester Schoofs was een veel gevraagd gelegenheidsredenaar o.m. bij de begrafenis van onderwijzer Richard Dupont in 1935, bij de inhaling van de gevluchte Xavier Hayen in 1929 en bij de eerste mis van assumptionistenpater Vanorbeek van Zepperen.
Zijn eerste echtgenote Fernanda Steemans (°Hasselt, 21 juni 1897) overleed jong in Zepperen op 21 april 1936 en de meester hertrouwde enkele jaren later met mevrouw Suzanne Darimont. Haar moeder Virginie of Nie was de oudste dochter van de bekende Gaspard Vanoirbeek, leraar aan de athenea van Verviers en Luik, ook wel “De Professor” genoemd. Suzanne was één van de vier dochters van Virginie, die in Luik was getrouwd met Armand Darimont. Haar ooms Joseph en Marcel maakten schitterende carriëres als ingenieur. De kleine Suzanne maakte heerlijke vakanties mee op de Stok, waar haar opa na zijn pensionnering verbleef en waar haar oom Paul de hoeve beheerde. Naar verluidt koppelde onze plaatselijke dokter Urbain Jammaers Suzanne later met de jonge weduwnaar meester Joseph Schoofs. Ook baronesje ‘Jette’ had naar verluidt een oogje op de knappe én Franssprekende meester Schoofs. Henriëtte de Pitteurs-Hiegaerts van Ordingen (1892-1961) werd in 1910 als jong meisje aan haar oudere oom Felix de Pitteurs (1858-1937) van Zepperen gekoppeld.

Meester Schoofs stierf in Sint-Truiden op 23 februari 1976.
(*) Roger VANBRABANT, ‘Vrije tribuun’ uit 1960. Zepperen, in: De Bink, Sint-Truiden: Heemkundige Kring Groot-Sint-Truiden, nr. 45, 2009, p. 9-11.

Inhoud:
Terugkijken
Eerste herinnering
Het muishondje
Broer Armand
De neus van Bert
Lamme Mommen
Kleutertijd
Wandelen met Suzanne
Kattekwaad met Armand
Wintertijd
Spikken
Pa
Alcohol
Albert
Onderwijs
Lezen
Protest
Franskiljon
De Mutsaard
Oom Goris
Vogels
Henri ziek
Werken aan de kerk
Mijn vriend Knuts
Aardbeien
Leon en de Pool
Djen en de liefde
Broer René
De oude Pet
Notities

 

Terugkijken
Wanneer je de zeven kruisjes al een heel eind achter de rug hebt, als je dan een goede, of liever een slechte morgen ontwaakt en voelt dat de pols tegen meer dan honderd in de minuut klopt. Wanneer de dokter je dan zegt: “Infarctus en te hoge bloeddruk. Niet meer roken, vermageren, van dit en dat niet meer eten, niet in de koude buiten komen, niet de minste arbeid verrichten, alle emoties vermijden, kortom een lui maar geen lekker leven leiden”, dan weet je, dat de dagen die je resten, dagen van verveling zijn, van bed in zetel, van zetel in bed en van de klaver naar de biezen! Dan dringen donkere gedachten zich aan je op. Als je daaraan toegeeft, vooral als je je leven lang al een zwaarmoedige bent geweest, zoals ik, dan verzink je in de naargeestigste neurastenie, die vroeger is dan de dood. Om dat schrikaanjagend spook van mijn lijf te houden zie ik me terug in mijn kinderjaren Ik stel me mijn kleutertijd weer levendig voor de geest. Ik speel, ik ben weer een kwajongen. Ik hoor menig oudere zeggen: “Ware ik nog eens twintig”. Neen, dat zijn niet de beste jaren. Ik verkies de eerste zorgeloze.
Ik heb niet de pretentie hier een literair werk te scheppen. Ik ben geen letterkundige. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Ik pen, zoals ik gepend ben. Ik zit aan mijn lessenaar en mijn geest vertoeft in het verre verleden. Mijn dagen hebben weer inhoud. Daarom is het mij in de eerste plaats te doen. Wat ik verhaal, heb ik zelf beleefd of horen vertellen. Ik ben met te weinig fantasie begaafd om wat uit mijn duim te zuigen, zodat het allemaal op de waarheid berust.
Eerste herinnering
Ik ben geboren te Zepperen, op 17 mei 1891, in het eerste huis voorbij de Dikke-Linde, op de kelderkamer. Daar zag ik voor het eerst het lamplicht. Ik zeg “lamplicht”, omdat de blijde gebeurtenis plaats had kort voor of na middernacht? Ik leid dit af uit het feit, dat moeder mij altijd gezegd had, dat ik op 18 mei geboren werd. Pas toen ik voor het eerst naar school ging, vernam ik van de onderwijzer op de onweerlegbare getuigenis van het register, dat ik een dag ouder was.
De herinnering die me, naar mij dunkt, het verst is bijgebleven, is het bezoek aan de tante van mijn moeder, Anna-Catharina Fabry. Hoe oud ik toen was, weet ik niet. Ik weet alleen, dat ik nog op de arm gedragen werd, en van die van moeder ter verpozing overging naar die van tante Stina, en vice versa. Zodat ik toch geen heel papkind meer was, maar toch nog te klein om aan de hand mee te lopen. Ik weet niet waarom die tocht me zo is bijgebleven. Vooral de eerstvolgende jaren lag het beeld van die weg en dat huis als in een waas op de bodem van mijn bewustzijn. Ik had iets gezien, dat me erg was opgevallen, maar ik wist het niet thuis te wijzen. Wat was het geweest? Een eenvoudige aardeweg, zoals er in die tijd zovele door het dorp kronkelden. Ik zag een smalle vijver, die achter een wat van de straat afgelegen huis verdween. Langsheen zijn oevers stonden knotwilgen. Op het water zwommen eenden. De ene na de andere dook kopje onder. Er was er een bij, mooier dan de andere, met een glanzende nek, felle gekleurde vleugels en een sierlijk krulletje boven de staart. Hij draaide voortdurend rond een andere eend, en ging dan tjateren aan haar kop, waarbij hij herhaaldelijk knikte, als wou hij zeggen “akkoord?”. Hogerop, waar de weg dieper gelegen was, stonden op de berm ook knotwilgen. Ik heb me lang afgevraagd, waarom die tronken zo’n indruk op mijn kindergemoed maakten. Later heb ik ontdekt, dat ik geen natuurschilderij mooier vond, dan die een vijver afbeeldden, in wiens water de ruwe, bonkige stammen met hun knottige schedels zich spiegelden. Moest ik zelf schilder geworden zijn, ik ben zeker dat zulke landschappen in mijn atelier niet zouden ontbroken hebben. En die woerd met zijn harem ook niet.

Zepperen rond 1914. X (thuis), A (vijver Terwouwen), B (hoeve van Groottante)

Na een lange wandeling kwamen we eindelijk bij tante, mijn groottante dus, aan. Langs de poort kwamen wij in de mesthof, waarachter het woonhuis gelegen was. Een gehalveerde deur gaf toegang tot de gang. Wij kwamen links in de grote keuken. In de rechterhoek leidde een trapje ons de slaapkamer op. Daar stond aan de achterkant een bed. Ik werd ervoor neergezet. “Ah! Dat is Wanneke en Stina, gij komt mij eens bezoeken , dat is wel”. “Ja, tante, en hoe maakt gij het?” “Dat ziet ge wel, oud en versleten. En dat is uw Jefke, Wanneke? Wat een schoon manneke, en braaf is hij ook, dat kunt ge zo zien. Krijg ik een polleke, me jungske?” Zij stak zo’n oud, mager, met blauwe aders doorlopen armpje over de bedrand uit. Mam nam mijn elleboog vast en legde mijn handje in de beenderige vingers van dat afgeleefd wijveke. Ik huiverde alsof ik de dood had aangeraakt, en was blij toen ze me losliet. Ziet ge wel wat een lief jungske het is. Daar in die kist ligt een peperkoek, snijd hem daar een goed stuk van af. Mam (wij hebben ons moeder altijd “Mam” en niet “Mama of Ma” geheten. Dit was in die tijd op de buiten kaligheid). Mam diepte dus uit de grote met ijzer beslagen kist een peperkoek op. Ik zie hem nog altijd. De bovenste korst was zo zwart als roet. Ik kreeg een ferme snede, werd in de grote zetel op mijn gemak gezet en begon te peuzelen. Intussen hadden beide bezoeksters een stoel genomen en zich bij het bed neergezet. Aan hun verder conversatie heb ik geen aandacht meer besteed. Ik knabbelde en ik keek. Ik keek naar dat uitgemergelde gezichtje op het blanke kussen, naar die puntige gebogen neus, die bijna geraakt werd door de scherpe kin, als ze bij het praten de tandeloze mond open en dicht deed. Ik keek naar het santèke op haar hoofd, het witte mutsje met blauw bollekes, van waaronder een vlecht grijs haar in de dunne rimpelige hals hing. Oorlellekens, waar je haast doorheen kon zien, staken er nog juist onderuit. Ik keek naar alles wat zo anders was dan thuis, zoveel rijkelijker. Het bed trok mijn bijzondere aandacht. Het was een hemelbed. Daar hingen mooie gordijnen aan. ’t Moet wel heerlijk zijn daarin te slapen. Ik nam heel de kamer in mij op. Tegenover mij een grote, donkere kleerkast in sierlijk uitgesneden hout. Aan de achtergrond een kruisbeeld en tableaux van O.L.Vrouw, waarvan ene in de top van een groene boom stond, die van Scherpenheuvel. ’t Was allemaal nieuw voor mij. Daarom heb ik het zeker onthouden. Bij het afscheid nemen moest ik weer een polleke geven. Zij drukte mijn handje wat te lang naar mijn zin, en zei met een gebroken stemmetje: “Jefke, altijd zo braaf zijn, dan komt ge later in de hemel en dan eten we samen rijstpap met zilveren lepels”.
Die herinnering, zoals ik reeds zei, heeft in mijn eerste kinderjaren in mij gesluimerd, zonder mij te kunnen voorstellen, waar ik die belevenis had opgedaan. Toen ik een kwajongen van zeven of acht was, moest ik eens mede naar de “Berg”, waar wij een akker hadden. Ik moest helpen aardappelen rapen. Wij kwamen in de Bergstraat. Ik herkende dadelijk de weg, die ik op moeders arm had afgelegd. De vijver met zijn knotwilgen zag er net eender uit. Er dreven ook weer eenden op het rimpelig water. Maar die met zijn krulletje had ditmaal klaarblijkelijk niets te vertellen aan zijn gezellinnen. Hij lag lui in het gras op de dijk, zijn kop op de rug, zich te zonnen. Het huis van mijn groottante kwamen we niet voorbij. Ik vroeg vader ernaar, toen we aan ons land kwamen. Hij wees me wat verder, waar het doorheen de bomen te zien was en ik het herkende. Groottante zat al een hele tijd aan de rijstpap. Zij liet geen kinderen na. Op leeftijd trouwde ze nog met haar veel jongere knecht, die het natuurlijk deed voor de centen. Hij had zijn dooddag aan de goederen, zodat de ongeduldige erfgenamen langer dan hen lief was op hun deel moesten wachten. Het boerderijtje viel te beurt aan oom Henri, die het voort verkocht. Ik ben er nooit meer in huis geweest.
In die zelfde woning had moeder eens een avontuurtje toen ze nog een kind was. Dat heeft ze me later verteld. Op haar slaapkamer stond een grote, withouten kist, waar zij haar lijnwaad in opborg. Terwijl ze het bed opmaakte, was ik in die kist aan ’t snuffelen. Mam nam er een paar lakens uit, en toen ook een lang wit hemd, aan de hals geborduurd met een blauw lint. ‘Als ik dood ben, moet ge mij dit aandoen”, zei ze. Welke weemoed droeg moeder in ’t hart om reeds aan haar dood te denken? Zij was nog geen veertig. Haar woorden stemden mij droevig; naargeestig. Van toen af, telkens de bronzen toon van de grote klok, vergezeld van de minder zware stem van de kleine, over de daken verkondigde, dat een mens in het dorp gestorven was, reeds het beeld van moeders afsterven voor mijn geest op, en voelde ik mij, tot tranen toe bewogen. Die overdreven gevoeligheid erfde ik dus van moeder. Heel mijn leven heb ik daardoor geleden. Bij de minste aandoening, het hoefde daarvoor nog geen dramatische te zijn, vloeiden de tranen onweerhoudbaar over mijn wangen. Het gebeurt nu nog heel dikwijls, gezeten voor de T.V. en kijkend naar een emotionele scène, dat ik de waterlanders in mijn snor voel kriebelen,hoe minmannelijk en belachelijk ik me zelf ook vind. Heimelijk tracht ik die tranen dan weg te moffelen. Onlangs op een familievergadering kwam de erge ziekte van mijn zoon Henri ter sprake. En ofschoon diezelfde zoon als een stoere majoor bij ’t leger, sterk en gezond naast me zat, welden die nare lange gevoelens van meer dan dertig jaren vroeger weer in mijn gemoed op, en stokte mijn stem in mijn opgekropte keel. “Vous êtes supersensible” zei een neef. Hij zei het in ’t Frans. Natuurlijk, hij is immers van Hasselt, en hoort zichzelf graag Frans praten.
Maar keren we terug tot de kist. Tegen de rechterwand was een vakje afzonderlijk aangebracht. Ik hief het deksel op en het eerste wat ik zag was een wit kindermutsje. Dat moest voorzeker achtereenvolgens voor de dopelingen dienen. Maar daar lag ook een andere muts, de schoonste die ik ooit gezien heb. Zij had de vorm van de muts der zeven dwergen uit Sneeuwwitje, gemaakt van hemelsblauwe zijde, overspannen met een fijn kunstig kantwerk; op de kruin eindigend met een mooi kwispelke. Van binnen was ze gevoerd met witte zijde, zacht bij het aanraken. Ik zette ze op mijn kop, die er met de hals erbij in verdween. “Dat is de muts van mijn grootvader de ouwe Mommen”, zei moeder. Die droeg hij op de boogschutterij. Onder nog wat rommel vond ik, zo ik eerst meende, een stok. Maar dat was niet een gewone stok. Hij was versierd met allerlei insnijdingen, kunstige figuren en beelden, waarnaar ik met bewondering keek. Hij ging ook uiteen en was binnen hol. Ik vroeg aan moeder wat voor een ding dat was. “Dat is een koker om strikijzers in te bewaren” zei ze. En toen vertelde ze me hoe die in haar bezit was gekomen. Als klein meisje speelde ze eens met vriendinnetjes op het stro in de schuur van haar tante te Gippershoven, dezelfde die mij met de beloofde rijstpap wilde braaf houden. Opeens viel ze tussen en paar schoven door in een donker vertrek. Op haar angstig geschreeuw en het geroep van haar vriendinnetjes kwam tante toegelopen. Zij werd uit har benarde positie gered. Toen vertelde tante haar, dat in die geheime plaats in de tijd van Napoleon een jonge dienstweigeraar zich schuilhield. Alleen bij donkere nachten kwam hij buiten om wat verse lucht te scheppen. Om zijn tijd door te brengen maakte hij bij het licht van een lampje allerlei houtsnijwerken. “Kijk hier is nog een koker, die hij gemaakt heeft, die krijgt ge, daar kunt ge uw breinaalden in bewaren”.
Het muishondje
Waar zijn die oude souvenirs gebleven! Wat is er geworden van die hoge horlogiekast in onze keuken met haar mooie uurwerk, waarvan de blinkende, koperen slinger zo gezellig heen en weer schommelde. Zolang reeds heeft ze opgehouden de tijd in seconden af te tellen. Stilgevallen gelijk het hart van vader, moeder en drie broers, en gelijk dat van de drie overblijvenden ook aan zijn laatste getik-tak bezig is.
Mijn eerste ziekte heb ik doorgemaakt toen ik een jaar of vier was. Ik had de “geelverf” duchtig te pakken. Volgens moeders mening was het te wijten aan het feit, dat ik me danig verschrikt had. Ik was namelijk in de weide achter ons huis aan ’t slenteren. Daar zag ik een mooi, slank beestje, bruin met een wit keeltje. Het hield een jong in de muil, dat het zeker in veiliger oord wilde brengen. Nieuwsgierig liep ik ernaar toe. Vrezend voor haar jong liet de moeder het vallen, sprong op mijn klompje en beet mij in het been. Ik schrok zodanig, dat ik luid begon te schreeuwen en op mam te roepen. Moeder hoorde mij tot in huis en kwam toegelopen. “Dat is zeker een muishondje geweest” zei ze op mijn snikkende verklaring. ’s Anderendaags zag ik er zo geel uit als een citroen. Mijn ogen, mijn gezicht, heel mijn lijf, de plasjes en hoopjes, die ik maakte, ’t was allemaal even geel. Ik was doodziek. Dokter Timmermans kwam, en er moest remedie gehaald worden te Sint-Truiden. Pa moest die dag ook een doodskist maken. Moeder bracht tegelijkertijd het garnituur voor die zerk mede, een crucifix en een paar blikken engelen. Dat was alles waarmede een arme mens van toen in een kanadakist onder de groene zode inging. Met het kruisbeeld in de hand kwam moeder naar mijn bedje, hield mij de gekruisigde voor, en met tranen in de stem vroeg ze mij: “Jefke, zijt gij kontent om naar O.L.Heer te gaan?”. “Ja, mam”, en zo waarlijk, ik meende het. Ik voelde me zo ellendig, dat ik er geen sikkepit om zou gegeven hebben stante pede naar de eeuwigheid te vertrekken. Arm manneke, wat moet haar teergevoelig, goedig moederhart toen angsten hebben uitgestaan. Maar ik ging niet naar ’t pierenland. Ik genas. ’t Was, denk ik, meer te danken aan mijn sterk gestel, dan een naar anijs smakend goedje van de dokter.
Ik heb het nog eens aan de stok gehad met zulk een wezeltje. Maar tien was ik al een hele jongen. Ik ging naar onze weide in het voorhof. Vóór mij op de veldweg kwam opeens zo’n muishondje uit de bieten gelopen, ook met haar jong in de muil. Ik sprong er op af en zou het zeker onder mijn voeten doodtrappen, als maffiawraak om het mij aangedane leed door een van zijn familie. Het verschrikte beestje liet zijn jong vallen, en was in een wip terug onder het bietenloof verdwenen. Daar zag ik zijn kopje van achter een biet loeren, dan naar mij, dan naar zijn jong, dat midden op de baan te klagen lag. Ik verwijderde mij een paar passen en dan sprong het weer op de weg. Maar ik was er evengauw weder bij, en het angstig wezeltje redde zich opnieuw achter de biet. Dat spelletje herhaalde ik wel tienmaal. “Och! Dacht ik, ’t is ook maar een liefhebbende moeder, laat ze met haar kind van ’t leven genieten. Ik verwijderde mij een beetje, en bleef staan, toen zij de weg op snelde. Zij pakte haar jong en verdween vliegensvlug in het aardappelveld aan de andere kant, waar ze in de eerste de beste mollenpijp verdween.

Broer Armand
Het wordt nu tijd dat ik je wat nader kennis laat maken met mijn broeder Armand. Van een rakker gesproken, dat was een rakker van formaat, van niets of niemand bang. Hij is bijna drie jaar ouder dan ik. Hij is nu dicht bij de tachtig en nog altijd dezelfde, jeugdig van gemoed, een eeuwige optimist. Zozeer is het waar dat twee uitersten elkaar raken, dat in mijn herinneringen aan het verre verleden er haast geen andere zijn, dan die welke ik samen met hem heb beleefd. Mijn andere broers, en ik had er vijf, liggen daar buiten, aan de rand. Toen ik met de knikkers begon te spelen, ontdekte ik, dat ik het eerste lid van mijn wijsvinger niet plooien kon gelijk de andere kinderen het deden. Moeder gaf mij de uitleg, want daaraan had ik geen herinnering. Ik stak nog in mijn kieltje, toen Armand en ik aan ’t spelen waren met de hals van een gebroken medicijnflesje. Hij stak dat halsje aan mijn vinger. “Leg uw vinger eens op de stoel”, beval hij. Stomgenoeg deed ik het. Hij nam zijn klompje en sloeg het ding kapot. Resultaat, een bloedig verwond vingertje, waarvan de lidtekens nu nog te zien zijn; de pees van het eerste lid doorgesneden en een halve stijve vinger, waarvan de top nu nog bij koude het eerst verkleurdis bij gebrek aan bloedcirculatie. Dat was waarschijnlijk de eerste baldadigheid, die ik van hem te verduren had. Het was niet de enige, zoals je verder zal zien.
Moeder zorgde ervoor op tijd een vet zwijn in de stal te hebben. Dan kwam Bert Creten het slachten. Daar stonden wij natuurlijk bij. Het arme beest wordt op het stro getrokken. Zijn geschreeuw weergalmt tot verre in de buurt. Vader houdt de koord strak aan. De knots van de zware bijl, gezwaaid door sterke armen, komt met een doffe slag op de schedel neer, het kreunend slachtoffer zakt door de knieën en wordt op zijn zijde gestoten. Nu grijpt de slachter naar een lang scherp mes, dat gereed ligt, ploft het in de keel van het rochelend beest; een stroom bloed gulpt in de kom, die moeder onder de gapende wonde houdt; pompend met een voorpoot duwt de slachter de laatste druppel bloed uit het brekende hart, een laatste siddering doorheen het rillende lijf, geen poot verroert nog, dood! Ik voelde me wel beroerd bij die moordpartij. Vooral als dat vervaarlijk mes in die keel verdween en ik al dat bloed zag stromen, kreeg ik kippenvel. Of was het juist die sensatie, welke ons aantrok tot zulk een dramatisch toneel? Of ligt toch in het diepste van ieder onzer een onbewuste, mogelijke moordenaar? Tot hier toe had ik alleen oog gehad voor het zwijn. Maar toen Bert het haar begon uit te trekken, (toen hadden de vette varkens nog lang haar, dat aan borstelfabrikanten verkocht werd) viel mijn aandacht op zijn neus. Deze was niet alleen behoorlijk lang, maar zij vertoonde daarenboven de eigenaardige eigenschap helemaal windscheef op zijn gezicht te staan. Pas later heb ik vernomen, dat hij die scheve neus niet van jongsafaan had meegedragen, maar als man in Brussel was gaan halen. Maar dat vertel ik je wat verder. Eerst moet ik je verhalen wat er na die bewuste slachtpartij met me gebeurde. Ik was nog maar een jaar of vier. “Kom” zei Armand, ‘wij gaan ook varkensslachten spelen”. Hij nam me mede naar het werkhuis. Daar scharrelde hij een hoop schavelingen bijeen, die dienen moest als stro. “Gij zijt het varken”, zei hij “en ik de slachter, zet u op handen en knieën”. Zo stom als een bigge deed ik het. Ik verwachtte, dat hij me nu met de vuist voor de kop ging slaan, en dat had ik voor het spel wel over. Daar stond een kacheltje, een “duvelke” zoal we het noemden. Dat duvelke sloot boven met een dekseltje, waaraan een ijzerendraad bevestigd was om het op te lichten. Mijnlieve broer nam die ijzerdraad en eer ik goed begreep, wat hij van zin was, sloeg hij met een zwaai mij dat dekseltje voor de kop. Ik lag gerekt en gestrekt op de schavelingen buiten westen. Gelukkig kwam vader op dat ogenblik binnen, anders was broerlief bekwaam geweest, om het imitatiespel verder door te zetten, een beitel te nemen en mij te kelen ook nog. Pa heeft me opgepakt, het huis binnengedragen, met azijn en ik wet niet wat hebben ze mij terug tot mijn positieven gebracht. Ik had een buil op het voorhoofd lijk een tomaat. Toen is je vader op zoek gegaan naar zijn waardige zoon om hem in zijn billen te vitsen. Maar hij was schampavie. Pas tegen de avond, als de ouderlijke gramschap, en mijn gekreun, was geluwd, kwam hij schoorvoetend binnen. Toch heeft hij nog een paar kletsen gekregen, maar daar gaf hij niet om.
’t Was een harde. En dat was hij van toen hij nauwelijks zijn kieltje ontgroeid was. Lambert Mommen moest nog lachen, toen hij me jaren later vertelde: “Ik was bij u in de weide bomen aan ’t planten. Uw broer Armand, nog maar een vuist hoog, kwam met zijn hondje aangedragen. “Ook planten” zei hij en hij wierp het beestje de kuil in. Ha! Ha! Ha! Ja, zijn eigen speelhondje zou hij zonder blikken of blozen levend begraven hebben. Zo ken je langzamerhand mijn broer Armand en mij. Ik was de stille dromer, de gemoedsmens. Ik liet me altijd door mijn gevoelens meeslepen. Ik was de teerhartige. Hij de ruwe aanpakker, de durver. Zo zijn wij door het leven gegaan. Hij met sukses op financieel gebied. Hij heeft als schrijnwerker-aannemer, een fortuin bijeen gewerkt. Ik heb als schoolmeestertje een karige snede brood verdiend in een tijd dat het onderwijs en onderwijzer zo’n klein postje innam op ’s lands begroting. Op geestelijk gebied heb ik dan toch een rijker leven gehad dan hij.

De neus van Bert
Maar je wacht wellicht op het verhaal van die scheve neus. Hier komt het. Het gebeurde in de jaren achttienhonderd negen en zeventig, tijdens de beruchte schoolstrijd. De ouders die hun kinderen naar een officiële school durfden sturen, waren in de ban van de heilige kerk: geen biecht, geen communie, geen berechting op hun doodsbed, zo subiet naar de hel. De staats- en gemeentescholen liepen nagenoeg ledig. Mijn oom Jan, onderwijzer in Spalbeek, vroeg aan zijn heeroom, pastoor te Gors-op-Leeuw, of hij de school moest sluiten of niet. “Gij moet geen leerlingen nalopen”, was het antwoord. Maar zij die vanzelf komen, laat ge maar binnen. En als ge wilt biechten of communiceren komt ge maar bij mij. Biechten had de man wel niet nodig. Ik geloof niet, dat hij in heel zijn leven een enkele doodzonde bedreven had. Hij was onnozel van bravigheid. Maar toch kwam geen enkele leerling naar zijn klas. Gelukkig voor zijn konijnen. Die hadden te weinig ruimte in hun te enge hok. Meester Fabry heeft ze dan in het ledige klaslokaal overgebracht, en aan het wippen van hun witte staartjes was het de beestjes aan te zien, dat ze zich daar heel wat prettiger gevoelden, dan de scholieren dat daar gewoonlijk doen. Heeroom was niet zo fanatiek. Het heeft me altijd verwonderd, dat de broeder van Peter, Rikus, Christiaan en van Lamme priester geworden was. Niet dat zij slechte mensen waren, maar ze waren dan toch erg werelds.
De pastoor van Zepperen, de Z.E. Heer Dery was niet zo’n pacifieke. In hem laaide het heilig vuur van een Pieter de Kluizenaar. Hij donderde op de predikstoel tegen het geuzengespuis van Brussel, opende de hel voor de ogen van de beverige dorpelingen en riep iedereen op die zich man voelde en christen, om naar Brussel te trekken om de scharen van duizenden betogers aan te vullen, en te laten zien, dat ook Zepperen in de voorrangen van de heldhaftige strijders voor het alleen-zaligmakende geloof paraat stond. Zo kwamen Lambert Creten en een twintigtal andere vurige zielen met haast en spoed en kloeke moed uit het noordstation gestapt. Het werd een massale betoging. Het zou ook een prettige uitstap zijn, want na de stoet zouden ze in Brussel de bloemetjes eens buiten zetten. Maar die ellendige tegenbetogers, die verdomde geuzen, bedierven de verwachte pret. Van op de trottoirs en van uit de vensters werden zij duchtig met blauwsel beworpen. Hun zondagskostummetje zag er weldra lief uit. Maar dat was niet alles. De knuppels spraken in het geroep en tegengeroep al dadelijk hun woordje mee. Heen en weer werd er duchtig op los geklopt. Op zeker ogenblik werd de dappere groep van Zepperen die afgesproken had dicht bij elkaar te blijven, van de stoet gescheiden. Ze kregen het erg kwaad. Maar het moet gezegd worden, dat zij zich niet als lammetjes lieten slachten. Zij hadden zich ook van knuppels voorzien, en gebruikten ze duchtig. Bert, die een stoere kerel was, en als slachter van stiel gewoon was de bijl te zwaaien, liet zich niet onbetuigd en menige klap van zijn knuppel zal ook wel gevoelig aangekomen zijn. Maar zij kregen het dan toch te kwaad tegen de overmacht, en zochten hun heil in de vlucht door een klein zijstraatje. Het ogenblik wilde, dat aan de andere kant van het straatje nog een bende tegenbetogers kwam. Nu stonden ze tussen twee vuren. Er zou moeten gevochten worden. Bert, als aanvoerder, stond aan de kop en alsof hij de Leeuw van Vlaanderen ook gelezen had, en in zijn arm en zijn hart de kracht en de moed van die andere slachter, Jan Breidel, voelde, riep hij zijn mannen toe: “Er door of er over, slaat dood!”. Zo stormden ze vooruit de aankomenden tegemoet. In het heetste van het gevecht kreeg Bert een slag in het gezicht, die hem alle sterren van een losgebarste vuurkogel lieten zien. Maar hij vocht met zoveel te meer woede door. En werkelijk, zij overrompelden de tegenstanders, en bliezen de aftocht. Zij geraakten uit het rumoer. Nu tastte Bert aan zijn neus, die hem geweldig pijn deed. Het been was gebroken, zijn reukorgaan stond scheef en dat voor de rest van zijn leven. Zij hebben de bloemetjes niet buitengezet. Zij hebben de eerste de beste trein gepakt en zijn in Zepperen zo’n beetje als martelaren voor het geloof aangekomen. Bert heeft nooit graag gehad dat men van die neus sprak. Hij werd niet graag herinnerd aan dat Brussels avontuur. Lamme Mommen, een echte spotvogel, zoals we hem in dit verhaal zullen leren kennen, ontmoette Bert in de Kerkstraat.
– “Dag Bert, waar gaat gij naartoe ?”
– “Mijn neus na”, was het korzelig onbedacht antwoord op die onbescheiden vraag. Maar juist om dat verwachte antwoord was die vraag bedoeld.
– “Pas dan maar op de dorens, Bert jong, want dan loopt ge de haag in”.
– “En als gij niet zo’n kromme poot had , dan zoudt gij zo niet hinken”, zei Bert. “En lach maar niet, of gij zoudt eerder in de dorens kunnen hangen dan ik”.
Lamme zette cloppin-cloppant zijn weg voort, inwendig jubelend, omdat hij weer eens een mens had kunnen in het ootje nemen.

Lamme Mommen
Wijl we nu toch kennis gemaakt hebben met mijn grootoom, de oom van moeder, gaan wij met die kennismaking een beetje verder. Lamme was een keuterboertje, maar hield tevens een herberg open tegenover de Kerksteeg.
Op een koude winterdag, eer de vroegmis uit was plaatste hij een brandende kaars in de asbak van de Leuvense stoof, zodat het pookgat hel verlicht was, en verfde de pot rood. Toen het mannenvolk uit de onverwarmde kerk, rillend van koude, kwam aangespoed recht de gelagzaal binnen, verheugden zij zich op het zicht van de roodgloeiende stoof; zij drongen er rond en staken hun verkleurde handen naar de hete pot. Verwonderd geen deugddoende warmte te voelen, lichtten zij het deksel op. “Dooduit”, gromden ze. “Lamme, drink dan uw borrels zelf maar uit”, en weg waren ze. Lamme had te veel plezier aan zijn flauwe grap, dan dat hij zich om dat verlies bekommerde. Hij had het trouwens niet nodig.
Lamme deed niets liever dan iemand een pet bakken. En ’t mocht dan nog een kinderachtige zijn, zoals deze. De poort van zijn boerderijtje gaf uit op een veldsteeg, langswaar de mensen van de Kogelstraat en Tereyken naar huis keerden. Na de hoogmis vermaakte hij er zich al eens mede een kwartje met een gaatje in het midden, in het wegeltje te leggen. Daar was een fijn koordje aan gebonden, dat hij onder de poort door in zijn hand hield. Hij gluurde door een spleet, en wanneer hij iemand zich zag bukken om het geldstuk op te rapen, trok hij het onder de poort door en schoot in een schaterlach. Dat trukje heeft hij moeten stopzetten. Pol Vandeyck had hij ook zo eens beet gehad. Maar die was onder geen dode hen uitgebroed. Pol zorgde, dat hij na de hoogmis telkens het eerst voorbij de poort kwam. Daar lag dat kwartje weer eens. In plaats van zich te bukken zette hij er zijn voet op. Lamme trok, het koordje brak. Pol raapte het muntje op, stak het in zijn zak, en bulderde van het lachen. Toen heeft Lamme zijn spelletje stopgezet, want zelf werd hij niet graag beetgenomen.
Lamme was een keuterboertje, zoals ik reeds zei. In het voorjaar kocht hij een licht paard, gewoonlijk een ouwe knol, die niet veel kostte. Voor de winter als het werk gedaan was, verkocht hij het weer. Hij trof het daarbij niet steeds al te best. Eens had hij een, dat niet meer op kon, als het lag. Dan haalde hij er zijn broer Peter of Rikus bij om hem te helpen het terug op zijn benen te zetten. Dat deed hij noodgedwongen, want hij werd er al eens om uitgelachen en daar hield hij niet van. Met veel gehef aan de staart kreeg men het dan toch recht. In de kar was het ook niets waard. Als de vracht wat te zwaar was naar zijn goesting, en dat was ze gauw, gaf het de brui aan trekken. Dan waren er veel zweepslagen en gevloek nodig om het te doen vooruit gaan. Lamme voederde de knol een beetje vet aan, en lapte hem een ander boertje aan de broek. De volgende marktdag kwam de nieuwe eigenaar op de Lamme af.
– “Zeg een, leugenaar, ik meende dat dat paard van u zo’n trekker. was.”
– “En is hij dat dan niet?”
– “Wat zou hij ! Ik heb hem in de kar gespannen, maar hij wilde geen poot verzetten.”
– “Wat had ge dan wel opgeladen ?”
– “Wat ik opgeladen had , wel pannen.”
– “Ja maar pannen, dan verwondert het me niet, pannen heeft hij nooit willen trekken.”
De man begreep dat hij voor de gek gehouden werd. Hij had veel goesting om Lamme onder zijn broek te schoppen. Maar hij liet het dan toch met een resem scheldwoorden, die als enig resultaat hadden Lamme inwendig nog vrolijker te maken. Hij had immers iemand beet gehad.
Maar dat ongelukspaardje had toch nog een staartje. In die tijd waren er veel hazen in het veld. Wanneer in de winter de sneeuw de landerijen blank legde, kwamen de uitgehongerde langoren de hoven binnen om hun buikje te vullen aan de brusselse spruitjes. Dan was Lamme vroeg te been. Hij vatte post voor het venstertje van de stal, dat uitzicht gaf op de hof. Vandaar heeft hij menig haasje en konijn naar de eeuwige klavervelden gezonden. Diezelfde winter stond hij weer eens bij het klaren van de dag op de loer. Opeens begon zijn hart sneller te kloppen. Daar bij een kool zat een haas, en binnen schot. Lamme legde aan, trok af en de haas rolde door de sneeuw. Zo vlug als zijn mankepoot het toeliet, spoedde hij zich om de gesneuvelde op te rapen.
– “Non-de-ku !” sakkerde hij, “opgevuld met stro”. Aan de hals hing met een koordje een papiertje. Daar las hij op:
Ach ! baas, schiet mij niet dood
Met kruid en lood,
Want ik ben reeds acht dagen dood.
Maar Licht me op met mijn steert,
Gelijk ge’t met uw peerd hebt geleerd.
– “Dat is van Peter zijn werk, gromde Lamme, daarvoor moet ge een broer zijn”. En tevreden was hij niet.
Nu sta ik hier te dubben, gelijk mijn neef Rene, adjudant, eens te wijfelen stond. Hij zat namelijk als een jonge gast aan een, feesttafel tussen twee mooie meisjes. Hij meende eens geestig te zijn, en een dubbel compliment te maken.
– “Nu voel ik mij gelijk de ezel in de fabel”, zei hij, “die tussen twee schelven hoof van honger stierf, omdat hij niet wist te kiezen tussen links en rechts”.
– “Dan beken je ook”, zei de juffrouw van rechts, “dat de ezel in ’t midden zit”.
– “’t Is alleen maar te hopen dat je er niet van doodgaat”, zei die van links.
Zit die ezelachtigheid nu eenmaal in de familie, want zo besluitloos zit ik hier nu ook te dubben. Mijn probleem is namelijk of ik je de volgende paar fratsen van mijn waardige grootoom ga vertellen, ja dan neen. Ze zijn eigenlijk niet gepast om op papier te zetten, ze zijn nogal wansmakelijk. Zij hebben maar één hoedanigheid, ze zijn erg origineel. Nooit heeft iemand voor of na Lamme zulk een grove mensenplagerij bedacht. Om die wansmakelijkheid zie ik er tegenop om ze onder de verfijnde neus van de geachte lezers te brengen. Van de andere kant bedenk ik, nu men de kinderen vanaf de kleuterschool diets maakt, dat die historie van ooievaar en kabuiskool maar pure larie is, en dat het bij de mensen tot hun allergrootste genoegen net eender gaat als met kat en hond, men niet meer zo preuts moet zijn. En zeker niet als men openlijk op de T.V. betoogt, dat homofielen nette, eerbiedwaardige mensen zijn.
Op grond van deze overwegingen neem ik dan toch het besluit nog een paar fratsen van Lamme te verhalen, al is er een geurtje bij. ’t Was weer eens winter. Het. vroor dat het kraakte. De sneeuw lag een klomp hoog. Lamme ging op een morgen achter in de hof kijken aan een opening in de haag, of er geen sporen van hazen te zien waren. Hij voelde plots iets in zijn ingewanden rammelen als gevolg van de tas herbezan, die hij ’s avonds tevoren had ingenomen. Er was haast bij. Zo goed als het ging met zijn jichtig been, zette hij zich op zijn hurken peer achter de kroezelstruik. De volgende morgen, ’t was zaterdag en marktdag, ging hij naar Sint-Truiden. Maar eerst ging hij nog eens kijken naar de hazensporen. Daar vond hij de schildwacht zo hard bevroren als een steen. Een lumineuze gedachte rees in hem op. Een brede glimlach verhelderde zijn gelaat. Hij ging terug het huis in, nam een gazet en een touwtje, begaf zich naar de kroezelstruik, stampte het ding uit de sneeuw, maakte er een schoon pakje van, bond zijn grote, rode zakdoek aan de vier hoeken samen, stak er het pakje in, en vertrok blijmoedig naar de stad. De weg leek hem ditmaal langer dan gewoonlijk omdat hij zo ongeduldig was. Eindelijk stapte hij langs de Nieuwpoort de stad binnen. Hij trad de beenhouwerij Lux in.
– “Zeg eens, Johannes, wilt ge me dit pakje eens wegen?”
– “Zeker, Lamme, geef maar hier”.
ohannes legde het pakje op zijn weegschaal, legde de gewichten in de andere schaal, verwisselde een paar keer tot de naald op het middenpunt bleef staan.
– “Als-‘t-blieft, Lamme, een pond en vijftig grammen”. Maar Lamme had de deurklink al vast.
– “Gij moogt het houden, Johannes, ik heb het niet nodig. ’t was maar om te weten, hoeveel ik door die purgatie was lichter geworden”.
Lamme trok de deur achter zich dicht, maar hij was nog geen vijf passen verder of hij kreeg het pakje in zijn nek. Dat had Lamme wel verwacht, maar dat had hij er voor over; de pret was het wel waard. De mensen die Lamme over de Houtmarkt naar de Hamelstraat zagen stappen, nog steeds schuddend van het lachen, zeiden tegen elkaar “Lamme heeft weer eens iemand voor de zot gehouden”.

Hoe Lamme Genan zijn tandpijn genas. Maar neen, daar praat ik liever niet over. Dat was precies geen grap. ’t Was effenaf gemeen. Hangen we maar het doek over dat vies portret in mijn stamboom.
Kleutertijd
Keren we terug naar mijn kinderjaren. Een eerste afgescheiden etappe in het leven is de voorschoolse tijd, als men nog geen zes is. Dan speelt men nog met de vriendinnetjes uit de buurt. Wat meer jongen geworden, durft men dat niet meer. Dan lachen de groteren je uit : “Meisjesgek zat op een stek. Hij viel er vanaf, pardaf !” roepen ze dan.
Wij woonden in een kinderrijke buurt, allemaal van onze generatie, jongens en meisjes, te veel om op te noemen. Marieke van Loereborg was mijn bijzonder speelkameraadje. Tussen onze beide woningen midden de driehoek gevormd door de Dorpsstraat en de Kogelstraat stond toen de Kleine-Linde, waar nu die lelijke elektriciteitskabiene staat. Daar lag ons gewoon speelterrein. “Jef ! Jef !” hoorde ik Marieke roepen. Maar mijn broertje, Henri, en ik speelden op de turelure. Vader had ons die turelure gemaakt, een dikke houten paal in de grond geplant, met een ijzeren pin midden in het bovenvlak. Daar paste een eiken plank in. Ieder nam plaats op een uiteinde en dan deden wij ons draaien gelijk op de paardjesmolen. Ik gaf dan ook niet dadelijk gehoor aan de roepstem van Marieke. Pas toen we moe gedraaid waren, ging ik eens kijken bij welk spel mijn tegenwoordigheid vereist was. Ik was nog niet aangekomen toen Marieke me reeds stuurs toeriep:
– “Zeg Jef, als ik u nog eens roep, en gij komt niet dadelijk dan trouw ik nooit met u”.
Het moet wel zijn, dat ik nog tevergeefs op me heb laten roepen, want wij zijn nooit samen getrouwd. Aardig hoe jong dat trouwen de kinderlijke geest bezig houdt.

Sinte-Pieters blauwe veste
Ja, die is ook in het blauw.
En Maria’s blauwe mantel,
Ja, die is ook in het blauw.
Dat zijn hemelse liberalen.
En aan het blauw’n zal er niets falen.
En jauw-jauw, en jauw-jauw (Bis)
Wij beminnen al het blauw.

Pietje en Mietje waren aan het wandelen in het groen
Blauwe bloemetjes gingen ze plukken
Om te steken op Mietjes hoed.
Dat zijn wereldse liberalen.
En aan het blauw’n zal er niets falen.
En jauw-jauw en jauw-jauw. (Bis)
Wij beminnen al het blauw.
’t Is niet om de politieke inslag, dat ik deze stroofjes aanhaalde, maar die bloempjes op Mietjes hoed doen me terug denken aan die heerlijke lente in mijn leven en in de natuur. Dan speelden wij, knaapjes en meisjes uit de buurt, samen in de groene weiden. De vriendjes vlochten bloemenkransen om de hoofden van de vriendinnetjes te tooien. De jonge harten waren daarbij vervuld met zoete, onbegrepen en onuitsprekelijke aandoeningen, die zich ontlaadden in wild gedartel en blij gejoel.
Onder de haag van de weide tegenover de Dikke-Linde en op de gracht aan de watermolen groeiden de welriekende viooltjes in ’t wild. Die ging ik plukken. Maar dat deed ik op mijn eentje alleen. Dat zoeken en vinden en plukken had zijn eigen charme. Zelfs de teleurstelling, als het verwachte viooltje het blauwe lipbloempje van het mooie plantje, de hondsdraf, bleek te zijn, was als afwisseling niet onaardig. Ik bracht de geplukte tuiltjes aan moeder. Zij was er altijd blij mede. Zij hield van aangename geuren: Zij stak de tuiltjes in haar keurslijfje of legde ze tussen het linnen. Om de fijne geur stonden ook altijd Reseda’s in onze hof. “Roosjes van Egypte” noemde moeder ze. Van al de bloemen in de tuin hield moeder het meest van de reseda’s, ofschoon ze niet zo mooi zijn. Maar hun overvloedig stuifmeel prikkelt zo aangenaam de neus. Die keer dat ik in die kist op moeders slaapkamer aan ’t snuffelen was, had ik daar ook een potje ontdekt nog half gevuld met een geurige pommade. Daarvan streek ze al eens ietje op heur haar. Zoiets is nu doodgewoon. Welke vrouw jong of oud, heeft niet haar flesje parfum. Maar in die tijd roken de boerinnen ’s zondags zowel als ’s werkdaags meer naar de stal dan naar iets anders.

Wandelen met Suzanne
Ik weet maar één plaats meer waar die viooltjes nog in ’t wilde groeien, namelijk op de Galgendries. Mijn vrouw en ik zijn er naartoe gegaan, buiten gelokt door het lieve lentezonnetje. Hand aan hand gelijk een jeugdig verliefd paartje hebben we langs kronkelige veldwegen geslenterd. Wij hebben met bewondering gekeken, naar de groene korenakkers, de bloeiende boomgaarden. Onze blikken hebben gezocht naar de tierelierende leeuwerik daar hoog boven onze hoofden in het blauwe azuur. Wij hebben viooltjes geplukt, en er kinderlijk genoegen aan beleefd. Veel is er niet nodig om levensvreugd te genieten, als de tijd niet geknaagd heeft aan je tedere gevoelens.

Mijn Suzanne, die zich aan alles interesseert, vroeg mij van waar die benaming “Galgendries” komt. Ik verhaalde haar wat moeder mij er over verteld had, terwijl wij er voorbij kwamen, toen ik als knaapje haar vergezelde op haar jaarlijkse bedevaart naar de kapel te Oetsloven. In de tijd dat Zepperen een eigen schepenbank bezat, die rechtsprak en de vonnissen uitvoerde, stond op deze heuvel een galg. Hier werden de ter dood veroordeelden opgeknoopt. Om als voorbeeld en afschrikking te dienen stond die galg op deze verhevenheid, waar men de booswichten van op afstand kon zien biggelen in de wind. De laatste misdadiger, die hier zijn gerechtige straf voor zijn in wraakroepende heldendaad heeft gekregen was een zekere Laps. Hij was een straatarm man. Op een zondag was hij in het bos daar hout gaan sprokkelen. Hij had de heilige wet van de zondagswet geschonden, en de dood verdiend. Zijn armelijk lemen huisje stond op Kapittel. Door het venster zagen zijn vrouw en kinderen hem hangen. De laatste Laps heb ik nog gekend, Hanke. Hij was knecht bij Trien Renaerts. Daar is hij gestorven.
– “Rare tijden ! Is dat zo wel gebeurd ?” vroeg Suzanne.
– “Of het geschiedkundig waar is, weet ik niet. Ik heb het u verteld, zoals moeder het mij verteld heeft. Zij had het, zelf van haar grootvader vernomen, wiens jeugd niet zoverre achter die gebeurtenissen gelegen hebben. Het moet ons niet zo erg verwonderen, als we bedenken, dat het in die fanatieke tijd gebeurde, toen arme, oude lelijke vrouwtjes als heksen levend werden verbrand of begraven”.
– “Het moet een bange tijd geweest zijn voor die arme vrouwtjes”.
– “Jazeker, en dat terwijl de echte heksen toch de mooie, jonge meisjes zijn, die de mannen beheksen, gelijk jij mij behekst hebt”.
– “Jij vleier”, zei Suzanne, en ze gaf mij een smakelijke zoen.
Ik vertelde haar dan verder, over die bedevaart naar O.L.Vrouw kapel van Oetsloven. Zo wordt dat gehucht in de volksmond genoemd. Maar de echte naam is “Doodslagen”. Aan die kapel is een klein woonvertrek gehecht. Daar huisde toen nog een oude man in, een kluizenaar. Hij kwam bij moeder en fluisterde haar in ’t oor : “Als gij iets offert, leg het dan op het altaar. De kapel hoort toe aan de kerk van Berlingen. Van tijd tot tijd komt de pastoor de offerblok ledigen, en daar krijg ik niets van”. Op de terugtocht heeft moeder mij de legende verteld over het ontstaan van die kapel. In vroegere tijden raakten daar eens twee legers slaags. Ofschoon er weerskanten duchtig geschoten werd, vielen er geen doden. Wat gebeurde er. Eenvoudig dit: O.L.Vrouw zweefde in de lucht tussen beide kampen in en pakte al de kogels in haar schoot. Op het zicht van dit wonder zijn de strijders in elkaars armen gevallen en sloten stante pede de vrede. Ter herinnering aan dit heugelijk gebeuren werd die kapel gebouwd.
– “In legenden gebeuren zulke wonderen, maar in de werkelijkheid laat de hemel vechten, wie vechten wil” zei Suzanne.
– “Hij laat wel toe, dat men in zijn naam ten strijde trekt, God wil het”, “Voor God en vaderland”. “Got mit uns”. Huichelarij van de groten der aarde, die hun meesterschap en macht willen uitbreiden, en de kleine man ervoor in ’t vuur werpen. Zolang het volk er niet de brui aan geeft zich door de slogans van de machtswellustelingen te laten opruien, zal de broedermoord niet ophouden.” Zo pratend kwamen we op de “Honsberg”.
– “Weet je ook van waar deze benamingen komen ?” vroeg Suzanne.
– “Als het juist is, wat ik er eens ergens over gelezen heb, heeft die benaming niets te makers met “hond” maar wel met “honger”. In dezelfde tijd van die galgenhistorie werden in dit veld om kleinere misdrijven mensen verbannen. Hier moesten zij een tijd onder de blote hemel verblijven. Niemand mocht hun eten brengen. Van “Hongerberg” is het “Honsberg” geworden.
– “En Zepperen dan, vanwaar komt die benaming? Want ik veronderstel dat het dorp ook niet altijd zo geheten heeft”.
– “Welneen, de oudste vernoeming van het dorp, vindt men, in het leven van de heilige Trudo, geschreven door de diaken Donat, kort voor het jaar 791. Het was in Septimburias, vertelt hij, dat de jonge Trudo de heilige Remakelus ging bezoeken, om hem te raadplegen over zijn verlangens en vooruitzichten”. De Latijnse naam Septimburias is misschien niets anders dan de Latijnse vertaling van Sevenbaerne of Sevenboerderijen, die de oorspronkelijke vlaamse naam van het dorp is geweest. Deze vlaamse naam is op de duur hervormd geworden tot het woord “Sepperen”, om uiteindelijk “Zepperen” te worden.

Zo keuvelend kwamen wij op de Hondsbergbrug. Die brug ligt over de spoorlijn een achttal meter boven de rails. Zij is weerskanten afgezet door een ijzeren tralie. Ik wees Suzanne naar de bovenste lat, drie cm breed. “Hier is Armand overgegaan, heen en terug, op gevaar of het evenwicht te verliezen en in de diepte te storten”. Blondin was geen ogenblik in groter doodsgevaar, toen hij over een koord de Niagara overstak.
– “Doe me dat eens na”, zei Armand.
– “Nog voor heel Zepperen niet, of meent ge dat ik mijn leven al beu ben”.
– “Gelukkig, zei mijn wederhelft, “dat je zo’n bangerik was, anders had ik misschien niet het geluk gehad hier arm in arm met je te wandelen.”
– “Dat is het liefste, dat je me sinds jaren gezegd hebt. Daarvoor krijg je een extra kus”.
– “Hoe ouder, hoe gekker”, lachte ze, toen ze haar mond weer vrij kreeg voor eigen gebruik.
Maar ik had nog niet alles verteld over die lang voorbije dag op die brug. In de statie van Ordingen vertrok tjoeketjoek een trein. Eerst langzaam tuffend, dan sneller en sneller.
– “Ik ga eens aan die schouw in pissen”, zei Armand. Wij gingen aan de overkant van de brug staan en toen de locomotief onder de brug ging inrijden, liet Armand de straal haar gang gaan.’t Was raak, de schouw had haar deel. Maar er was nog meer raak. De stoker leunde met zijn rug tegen het koolwagonnetje, en keek omhoog naar een vlucht duiven. Hij kreeg ook zijn deel, vlak in het gezicht. De man keek geschrokken op van waar die regen uit een wolkloze hemel kon komen en kreeg dadelijk het fonteintje in ’t oog. Hij stak een vuist naar ons uit, maar door het gebommel van de snel voorthollende trein konden wij de verwensingen niet horen, die hij ons toestuurde. Of we pret hadden !
– “Daarvoor moet je een kwajongen zijn”, sprak Suzanne. “Zoiets onbetamelijks zou een meisje toch niet doen”.
– “Dat denk ik ook niet”, zei ik, “verschil in anatomie”.
– “Gelukkig verschil”, sprak ze en glimlachte. Ik glimlachte ook. Ik trok haar wat dichter tegen mij aan en wij wandelden huiswaarts, tevreden en gelukkig over ons gezellig uitstapje. Een leeuwerik had zijn blijheid daarboven uitgejubeld en liet zich neerglijden in het jonge korenveld bij het nest, waar zijn wijfje te broeden zat. In het dromeland der liefde is alles schoon en goed.

Kattekwaad met Armand
Het doet deugd zo eens te kunnen vertellen uit zijn bengeljaren, uit tijd van grote plezieren en kleine drama’s. In ons geboortehuis hebben wij gewoond tot toen ik negen jaar was. Wat daar geschiedde, gebeurde dus beneden die ouderdom. Armand en ik speelden in de aanpalende”weide. Daar liepen een paar kalveren en varkens te grazen. “Zet gij U op een varken”, zei Armand, “ik spring op een kalf, en dan rijden wij voor ’t felste”. Een wip en broer zat op een kalf. Een wip en ik zat op een zwijn. Zo’n schone rodeo is nooit in Texas te zien geweest. Het geschrokken varken met dat hotsend en botsend Jefke, dat zich krampachtig aan de borstelige haren vastklampte, op de rug, liep de mesthof in, het rende de hoek van de schuur om naar zijn stal toe; door die plotselinge zwenking schoot ik er van af recht in de aalkuil naast de mesthoop. Ik stond tot aan de borst in dat stinkend vuil met de neus in de lucht. Ik weide gaan schreeuwen, maar bedacht dat het mijn eigen schuld was, en ik maar beter geen kabaal maakte. Ik kroop eruit, ging wijdbeens tot aan de huisdeur en riep : “Mam ! Mam !”. Moeder kwam buiten. Toen ze me daar zag staan gelijk een verzopen rat, sloeg ze de handen ineen: – “Ma, menne jong, wa ‘es doe be oech geschied ?”
– “In de zeekkuil gevallen, mam”.
– “Hoe koen djie doe eenvalle ?”
-“Wel de kurrezeug kwam de hoek van de schuur umgelopen en wirp mich in de kuil”.
Dat was niet gelogen. Ik zei alleen maar niet, dat ik op die zeug ruitertje speelde. Ik werd piernaakt uitgekleed en in een kuip water afgeschrobd. Armand had ook niet lang van zijn rit genoten. De weide was afgesloten door een hoge doornehaag. Liep dat stom kalf nu niet juist langs die haag op met het voor mijn broer ongelukkig gevolg, dat hij die takken in het gezicht kreeg en overrug van zijn rijdier werd afgeworpen. Zijn gezicht zat vol schrammen en bloed, en zijn vest was gescheurd. Maar hij kwam bij moeder niet klagen.
De evolutieleer zegt ons, dat het menselijk wezen vanaf het embryo tot zijn volwassenheid in korte jaren de evolutie doormaakt, die het mensengeslacht doorheen de eeuwen heen heeft afgelegd. Dat geldt niet alleen op fysiek, maar ook op psychisch gebied. Zo komt de jongen al gauw in het stadium van de oermens, die met pijl en boog op jacht ging, zoals nu nog de bosjesmannen in Australia en elders zich het nodige wild verschaffen. Wij maakten ons zelf een boog. De mussen in de haag en op het dak hadden geen rustig ogenblik meer. Onze pijlen haalden wij in de “Mot”. Dit was een brede, diepe watergracht, waar welig riet in groeide. Daar maakten wij onze pijlen van. Wij voorzagen die pijlen van een punt. Dit maakten we van een stukje vliertakje, dat we puntig sneden en het merg uitholden, zodat we ’t als een buisje op onze pijlen konden aanpassen. In vroegere eeuwen stond daar een boerderij, rechthoekig ingesloten door die gracht. Er woonde een zekere Maertens op in de Spaanse tijd. Hij vette ganse kudde ganzen. De aanliggende weide heet nu nog “Vetweide”. En het gehucht heet “d’Oye”. Die naam komt af van “Oie” “Gans”. In het A.B.N. spreekt men die naam uit als “Dooi”, en op z’n Zeppers “Deu”. Die boerderij is verwoest geworden door de Spaanse legers van Philips II. Waar die hoeve stond, ligt nu een akker, waarop men kan komen over een brug van uit de vetweide.
Armand en ik gingen er naar toe langs het kerkveld. Maar alle jongens uit de buurt haalden daar aan de buitenkant hun voorraad pijlen. Aan die zijde was niets meer te halen zonder in ’t water te gaan. Maar aan de binnenkant groeiden er tegen de dijk nog volop. Wij aarzelden geen ogenblik, kropen door een paar prikkeldraden de vetweide in en vandaar over de brug de akker op. Het vroeg niet veel tijd om een ganse bussel rietstengels bijeen te zamelen. Wij begaven ons naar de uitgang. Maar daar sprong de smid van achter een kanadaboom voor ons op de brug.
– “Nu zult gij door de spitsroede, mannekes”, riep hij ons toe. En die spitsroede was een eiken knuppel, waarmede hij ons bedreigde.
– “Daar zijt ge te stijf voor. Kom ons maar eens pakken”, riep Armand terwijl wij verder de akker op liepen.
– “Gij moet langs hier passeren. Ik zal u hebben al moet ik hier tot morgen blijven”.
– “Maar smid, wij doen u hier toch voor geen halfcent schade op die blote akker, en dat riet gebruikt gij toch ook voor niets”.
– “Gij moet van mijn land blijven en daarmee uit”.
– “Wij moeten hem kwaad maken, zei Armand, dat hij achter ons komt. Ons krijgen kan hij toch niet. Daar is hij te oud voor en te versleten. Wij zullen hem een boel verwijten”.
– “Ja”, zei ik,”verwijten wat niet waar is”.
Ik had Marieke van Celesius onderweg de Kerk eens tegen een buurvrouw horen zeggen : om iemand kwaad te maken, moet ge hem verwijten, wat niet waar is. Er schoot mij een spotrijmpje te binnen, dat ik tijdens de voorbije kiescampagne had gehoord:
De Menten is een man,
die vliegen vangen kan.
Hij pakte ze met hun velleke
en steekt ze in een stelleke.
“Dooi” en “vlooi” rijmen zo prachtig samen (vlooi zegt men zowel in ’t meer- als in ’t enkelvoud). De smid had geen vlooien. Centen had hij des te meer. Ik amuseerde er mij al eens mede rijmpjes aaneen te flansen. Dat kwam me hier te pas. Ik mompelde wat in mijn eigen en daar ging het:
De smid van Dooi.
Die zit vol vlooi.
Hij pakte ze met hun velleke
En steekt ze in een stelleke.
Ik zei het Armand voor en toen scandeerden wij het luidkeels. De smid roerde niet, keek alleen wat stuurser. Ik liet de verschillende delen van het menselijk korpus de revue passeren en zocht naar een rijm erop. Bij “tetteke” vond ik “pretteke”. Toen kwam het:
De smid van Dooi
Die zit vol vlooi.
Dat is voor hem geen pretteke,
Ze zingen aan zijn tetteke! tetteke! tetteke!
De smid stond niet meer stil. Hij keek in ’t ronde. Zeker om te zien of niemand hoorde, hoe wij hem voor de zot hielden.
– “Hij begint te koken”, zei Armand, “kijk hem eens aan. Weet gij nog iets ?”
Bij “billekes” vond ik “rillekes”. En ik kreeg ze ook na een beetje gemompel in zinnetjes samengerijmd. En wij schreeuwden :
De smid van Dooi,
Die zit vol vlooi,
Dat geeft hem koude rillekes.
Ze bijten in zijn billekes! billekes! billekes!
– “Wacht eens, gestranterikken, ik zal uw billekens eens warm kloppen”, beet hij ons toe.
De knuppel dreigend opgeheven kwam hij met grote schreden op ons af. Wij namen onze klompen in onze handen en bleven staan tot de razende smid op een vijftal passen van ons af was. Toen liepen we als hazen in een boog om hem heen, de ene links, de andere rechts. Hij smeet mij zijn knuppel achterna. Ik moest een luchtsprong maken, of ik kreeg hem tussen de benen. Wij liepen de brug over, dwars door de vetweide naar de uitgang aan de d’Oyestraat. Daar ging Armand op zijn kop staan in het gras en trapte met de benen lijk een fietser. Mij was in het lopen nog een rijmpje ingevallen. De smid om naar huis te keren moest de andere kant uit. Ik zette de handen trechtervormig aan de mond en schreeuwde zo hard ik kon :
De smid van Dooi,
Die zit vol vlooi.
Dat is voor hem geen lolleke,
Ze dansen rond zijn holleke! holleke! holleke!
Zijn gelaat was bleek van woede. Hij stak zijn vuisten naar ons uit en riep : “Wacht maar, onbeschofterikken, tot ik u eens tussen krijg”. Had die man ons op dat ogenblik onder handen, hij zou ons niet alleen geslagen hebben, hij zou ons hebben gebeten. Wij waren natuurlijk erg onbeschoft geweest jegens die oude man. Maar kinderen met een knuppel te lijf gaan is toch ook niet beleefd en zeker niet gulhartig. Ik moet bekennen, dat wij bij het halen van motpijlen nooit zoveel plezier hebben beleefd als die keer. Een halfuur later, toen wij de smid harder dan naar gewoonte op het aambeeld hoorden kloppen, zijn wij onze bussel pijlen, die wij hadden achtergelaten, terug gaan halen.

De vrouw van de smid kwam op een avond thuis binnen. Zij was haar zieke broer in de Bergstraat gaan bezoeken en zij had zich wat laat vertrakt. Zij kwam vragen of Fons niet wilde met haar mede gaan tot voorbij de “rooie gaar” (barrier). Die barrier gaf toegang tot de hogeweide aan ’t begin, van de d’Oyestraat. Wij woonden er dicht bij. Daar spookte het bij donker. Dat werd algemeen verteld en heel veel mensen durfden daar in ’t duister niet voorbijgaan. Zij had wel kunnen langs een omweg thuis geraken, maar dan moest ze over de kerkhof en dat was al even schrikaanjagend. Pa heeft haar veilig thuisgebracht.
Ons dorp was toen heel anders dan nu. Het spook aan de “rooie gaar” heeft zijn matten opgerold en niet alleen in dat eenzaam hoekje maar ook in de geesten der dorpelingen. De griezelverhalen over heksen, weerwolven, dwaallichtjes en kettinghonden maken geen deel meer uit van de gesprekken, bij de haard gedurende de lange winteravonden. Ook het uiterlijke is niet meer te herkennen. In mijn kindertijd waren er haast geen andere huizen dan lemen krotwoningen. Thans zijn het nagenoeg allemaal villa’s. Toen waren maar twee straten geplaveid : de hoofdweg en de d’Oyestraat tot aan het kasteel van de baron. Nu liggen alle wegen netjes onder beton. Maar de kinderen hebben niets meer aan die wegen, waar de dood op hen loert. In onze tijd was de straat van ons en wij waren van de straat. Men kan niet meer spreken van straatbengels, zelfs niet meer van straatmussen, nu zij er hun geprefabriceerd voedsel niet meer vinden. Voor het spelend volkje is de vooruitgang geen zegen. Ook de poelen en de grote vijver aan het kasteel, waar we in de winter zo heerlijk glijden, ijsstoeljagen en schaatsen konden zijn verdwenen, toegevuld.

Wintertijd
Ik hield van de winter, als het dorp overdekt was met sneeuw en ijs. Ik had wel kunnen wenen als het begon te dooien. Maart en april met hun buien en grillen, noch winter, noch lente, vond ik de minst aangename tijd van het jaar. Het was voor mij pas echt lente, wanneer de zwarte roodstaart op de nok van ons dak zat en urenlang zijn gekwetter een octaaf op en meer liet gaan. Dan was de warmte deugddoende. Tot in de late avond weergalmde in de buurt het blijde kindergejoel. Wij maakten jacht op de zoemende meikevers, of riepen dansend en spingend tot de flapperende vledermuizen:
Vleermuis, kom ’t avond thuis.
Wij zullen u een beddeke maken.
Met twee besch… laken !
De Bayerproducten hebben de kevers en vele andere insecten zo goed als uitgeroeid. De vleermuizen zijn elders hun kost gaan zoeken. De kinderen van vandaag vermaken zich met speelgoed uit de Sarma, maar uitbundige vrede, zoals de straat ons gaf, neen, dat beleven zijn er niet aan.
’t Is het vertellen wel niet waard, maar gezien het tot mijn jeugdherinneringen behoort kan ik het hier toch een plaatsje geven. Pa vertelde het, alsof het echt was geschied. Ik was toen nog klein en dom genoeg om het voor waarheid te houden. Toen hij voor zijn eerste communie leerde, was er een jongen die muizen maken kon. Ieder klontje aarde, dat hij onder zijn klompen uitkrabde en wegwierp, veranderde in een muis. Met dat spelletje hadden zij zich wat lang bezig gehouden, en kwamen ze te laat in de catechismus aan. De pastoor informeerde naar de oorzaak van dit te laat komen. Zo kwam hij te weten wat een bovennatuurlijke macht die jongen bezat. Het kon niet anders of die moest hij hebben van boze geesten. De pastoor nam de jongen mede de sakristij in, en overlas hem. De verdrietige knaap kon geen muizen meer maken. Pa vertelde dat ook eens aan Bertuske Thys, die thuis aan ’t metsen was. Maar Bertus overtroefde pa.
– “Ik metste eens”, zei hij, “een stal op een boerderij. Die boer had een dochter, een meisje van een jaar of vijftien. Zij was niet helemaal toegebroed. Om mij te laten zien, wat zij kon, stak ze de bezem in de regenwaterton en ieder druppel die uit de bezem viel veranderde in een muis. Zij schoten allebei in een luide schaterlach. Ik vond het erg knap van Bertuske zo op staande voet repliek te hebben gevonden op vaders verhaal. Toen geloofde ik niet meer in vertelsels.
Achter de schuur stond een houtmijt. ’t Was winter en de sneeuw lag een voet dik. Victor van Peter Mommen had er sporen gezien van bunzingen. Hij kwam thuis vragen om de mijt af te breken. Hij en zijn broer Isidoor zouden de bunzingen doodschieten. Rene en Armand kropen op de mijt en smeten de mutsaarden er af. Victor en Isidoor stonden schietens gereed, ieder aan een kant. Toen men aan de onderste lagen kwam, begonnen de nette pelsdieren tevoorschijn te komen, de ene na de andere. Waren ze slim genoeg geweest, en alle tegelijk weggesprongen, dan waren er vier gered geweest, want de scherpschutters hadden maar een enkelloopsgeweer. Nu lagen er zes bloedige lijkjes netjes naast elkaar. Isidoor en. Victor keken er met voldoening naar. ’t Zou hun wat opbrengen.
Diezelfde winter had Victor een jachtavontuurtje, dat hij veel minder prettig vond. Het huis dat wij toen bewoonden was niet van ons, maar van tante Stina. Haar man, Gregorius Smets, was bakker en winkelier. Zij woonden in Sint-Truiden. Ik haal dat hier aan, omdat we met die “Noenk-Goris” kennis moeten maken. Noenk-Goris had aan werken een broertje dood. Hij had de brui aan dat uitvoeren van brood en winkelwaar. Hij zette het paardje thuis op de weide tot hij het een tijdje later verkocht. Het is op dat poneyke dat Armand en ik verzot waren geworden op ruitertje spelen. De kar liet hij in de weide staan tot ze rot ineen zakte.
Een eng steegje scheidde de weide van Peter Mommen en de onze. Weerskanten dat steegje verhief zich een hoge haag. Als die in de lente bloeiden was het een paradijs van blanke bloesem en heerlijke geuren. ’s Winters was het de voorraadschuur van merels, lijsters en klanters die daar hun honger kwamen stillen aan de lekkere spikken. Op die klanters (dikke lijsters) had Victor het vooral gemunt. Om zich verdekt op te stellen plaatste hij de kar op gepaste afstand van de haag. Hij vestigde twee doornenmutsaarden op het achterste hoofdberd, zo dat er een kleine opening tussen beide bleef, waar hij door loeren en schieten kon, zonder door de klanters gezien te worden. Hij legde de kar op de berries en zichzelf erin. Ik ging achter de bakoven in de hof, met kloppend hart, op de loer staan. Ons geduld werd niet lang op de proef gesteld. Wij hoorden een hele vlucht met klagend wintergeroep afkomen, en in de haag met vleugelgeflap neerstrijken. Vijftig waren er en wellicht meer. Wat een prachtig schot zou dat worden. Tien en misschien meer zouden op het slagveld achterblijven. Victor kroop behoedzaam hoger de kar in. Toen gebeurde het. Met het gewicht van de dikke Victor erbij werd het achterste gedeelte van het karretje zwaarder dan het eerste. Het karretje sloeg op de berries in de lucht, en Victor viel naar,beneden de kop in de doornen mutsaarden. Tegelijkertijd ging het schot of en boorde een gat in het hoofdberd.
– “Nu zijn ze allemaal vliegen !”
Dat was het eerste en enige waar Victor over klaagde. Over de bloedende schrammen in ’t gelaat sprak hij niet eens.
– “Stommerik dat ik ben. Waarom heb ik geen steun onder de kar gezet”.
“Il n’avait oublié qu’une chose, c’était d’éclairer sa lanterne”.
Spikken
Die spikken brengen mij nog een herinnering uit mijn kleuterjaren in het geheugen. Marie van Bert Til had als vijf-zesjarig meisje een spraakgebrek. Zij had een uitgesproken voorkeur voor de letters P en T. Zij vroeg mij eens : “Teppe, tot-te-mie-pitte-pette ?” (de e als in je). Ik laat je raden, wat dat wilde zeggen. Ik verstond haar heel goed, omdat ik veel met haar speelde. Wanneer we “schooldoen” speelden, was zij de meesteres, natuurlijk, wij goedzakkige mannen laten ons altijd domineren door het bazige vrouwenvolk. Een vlierblad was mijn lei, een doorn uit de haag was mijn griffel. Hiermede moest ik dan gaatjes prikken in het blad. Dat was leren schrijven. Natuurlijk was het nooit goed, zoals ik het deed, en vielen er de gebeurlijke meppen. Die meppen vormen immers een onafscheidelijk deel van het “schooldoen”. Daarzonder bestaat eenvoudig geen gezond opvoedings- of leersysteem. Ik liet mij heel gedwee die kastijding voor mijn domheid toedienen. Een schuwe scholier slaat immers niet terug, en dan : “On ne bat pas une femme, mème pas avec une fleur”.

Kort nadien is Bert Til verhuisd naar de Kleine Dekkenstraat. De zondag daarop ben ik er op bezoek gegaan. Ik werd ’s middags aan tafel genodigd. Daar heb ik toen soep gegeten met pieringen (vermicelli) in, die ik zeer naar mijn smaak vond; men kan er zo lekker aan slurpen. Ik durf wedden, dat Marie niet meer weet, welke soep we toen zeventig jaar terug gegeten hebben. Waarom heb ik het onthouden, terwijl als je ’t me vraagt, welke soep ik verleden week gegeten heb, ik je het antwoord niet zou kunnen geven. Maar heb je reeds ontdekt wat dat “Teppe, tot-te-mie-pitte-pette” wilde zeggen ? Eenvoudig dit : “Jef, gaat ge mede spikken plukken?”
Pa
Maken we eventjes kennis met vader. Pa was rademaker van stiel, maar als schrijnwerker, meubelmaker, timmerman was hij even knap. Hij was ook een harde werker, en een deftig man. Nooit heb ik hem een vloekwoord horen zeggen, zelfs niet als hij zich duchtig op de duim hamerde. Dan stak hij zijn duim eens in de mond, slingerde eens met de hand en greep de nagel opnieuw vast zonder “oei” te zeggen. Nooit zou hij een woord gezegd hebben, dat door een kinderoor niet mocht gehoord worden. Maar Pa was aan de drank geraakt. Dat gebeurt gemakkelijk bij vaklui. Wanneer ze ergens aan de arbeid zijn, wordt hem voor- en namiddag een paar borrels geschonken. Die smaken dan dubbel zo goed en zo komt de dranklust erin. Pa was dan ook meer dan op zijn beurt in de jenevergaard des Heren. Dat was de enige duistere onweerswolk in onze woning, waar het anders zo zonnig kon zijn. Op een avond kwam hij thuis, en ’t was hem aan te zien, dat hij het ditmaal feller zitten had dan naar gewoonte. Wij zaten rond de leuvense stoof met de voeten op de trommel ons te warmen.
-“Waar is Mam ?”
– “In de stal.”
Op de stoofbuis stond een pot met gekookte lijnzaadmeel voor de kalveren. Pa nam een lepel en begon te scheppen.
– “Hm !”, zei hij, “Mam heeft goei pap gekookt”.
– “Ja”, zegde Armand, “de kalveren eten die ook gaarne”. Wij bezagen elkander, hielden gedempt onze lach in en lieten pa zijn goesting doen. Toen hij genoeg had ging hij slapen. Moeder kwam binnen om de ketel te halen. Wij vertelden haar, dat pa haar pap zo lekker had gevonden. Ik heb mam nooit zo onbedaarlijk horen lachen.
De “eerlijkheid” was de deugd, die thuis het. hoogst in aanzien, stond. Hoe dikwijls heb ik mam horen zeggen : “Mannekes, als gij ooit durft thuis te komen met de waarde van een halfcent, die niet van u is, als ge nooit priggel hebt gehad, dan zoudt ge priggel krijgen”. Dat sloeg in, zodat wij op gebied van de rechtvaardigheid echt scrupuleus waren, al waren wij verre van deugdzaam. En toch is Pa eens tot zijn allergrootste verontwaardiging op de proef gesteld geworden. Aan het station van Ordingen woonde een zekere Christine Ramaekers. Het was een fiere vrouw, die meer leek op een dame uit de hogere stand dan op een cafébazin. Als gezelschap had zij een nichtje bij zich, een fijn teringachtig juffertje, die heel beschaafd met een fijn stemmetje sprak.
Pa werd eens geroepen voor een herstellingswerk aan het dak. Daarvoor moest hij de zolder op langsheen de kamers van de dames. Op de trap zag hij een zilveren halffrankske liggen. Het had er alle schijn van dat het daar met opzet was neergelegd om vader op de proef te stellen. Zo begreep Pa het, en dat vermoeden alleen was genoeg om hem razend te maken. Wat dacht die kale madame wel ? Hij zou het haar betaald zetten. Hij haalde een nagel uit zijn zak, nam zijn hamer en in een paar “verwiedige” slagen.was dat halffrankske aan de trap vastgenageld. Pa daalde terug de trap of en beet Stina toe : “Zeg eens madame, zonder een trektang zal niemand dat halffrankske, dat gij daar op de trap hebt gelegd, nog oprapen. Gij moet niet denken, omdat ik al eens een borrel drink, dat ik iemand anders zijn eten wil. Ik kan die zelf betalen, daarvoor werk ik genoeg. Of meent gij, dat ik zo oneerlijk ben als gij ? Gij verkoopt emmers water in uw maispap aan de boeren. Mij moet ge niet meer vragen om uw werk te doen”. En Pa ging, hoezeer Stina ook bezwoer dat zij van dat halffrankske niets afwist. (Die maispap, waar vader van sprak, bestond uit maïsmeel aangelengd met water. Dat die brij met heel wat meer water gedoopt was dan nodig of normaal, was gemakkelijk te zien. De boeren hadden die pap los in de kar. Hoezeer ze ook de reten met jutezakken toestopten, toch pretsten er nog vonkjes uit, die op straat uiteen patsten. Daar stonk de hele straat naar. Ik walgde ervan).

Alcohol
“Wie zijn neus schendt, schendt zijn eigen gelaat”, wordt wel eens gezegd. Het volgende voorval zal zeker mijn portret niet mooi maken. Trouwens, moest ik alleen over mijn goede daden praten, ik zou gauw uitgebabbeld zijn.
Louis en Martinus Bex waren thuis aan ’t berd zagen. Dat was een zwaar handwerk. Een paar borrels op tijd waren deugddoende en welkom. Moeder zond Armand en mij naar Sint-Truiden om bij tante Stina de ledige fles te laten vullen. Op de terugweg iets voorbij de Gebrande Winning, zei Armand:
– “Ik heb dorst, ik ga eens drinken”. Hij trok de stop met de tanden af, en kluts ! kluts ! liet hij een paar slokken door het keelgat gaan.
– “Wilt gij ook eens proeven ?”. Ik nam ook een klein slokske. Het brandde in mijn keel. Het water kwam ervan in mijn ogen. De fles ging enkele malen heen en weer en het effect bleef niet uit. De weg lag toen tamelijk diep. Er was nog geen bestrating.
– “Ik ben toch nog niet zat”, zei Armand, “kijk maar, ik kan die gracht nog op”. En hij liep de berm op. Ik deed het hem na om te laten zien dat ik nog zo straf te poot was als hij. Wij herhaalden die krachttoer meermaals om onszelf een demonstratie te geven van onze nuchterheid.
Een jonge man van Cabeye (een wat verder gelegen gehucht) stak ons voorbij. Toen hij enige passen voor ons opliep, zegde Armand :
– “Durft gij die onder zijn broek schoppen?”
– “Zou ik dat niet durven”.
Niets gelijk een borrel om van een bloodaard een held te maken. Ik liep al waggelend tot bij die man.
– “Ik zou u nog wel onder uw broek stampen”, zei ik. Hij keek eens omlaag naar mij.
– “Wat hebt gij in die fles”, vroeg hij.
– “Jenever”, zei ik.
– “Dat is niet waar, ’t is petrol”.
– “Ik zeg dat het jenever is. En zeg nu nog,eens dat ik lieg”.
– “Laat mij dan eens rieken”.
Ik gaf hem de fles. Hij trok er de stop af en rook. Toen zette hij de fles aan de mond en kluts ! kluts ! kluts !
’t Is tussen pot en pint, of aan dezelfde fles dat.de meeste vriendschappen gesloten worden. En zo ging het ons ook. Pieman (zo heette hij) was meteen onze kameraad. De fles ging van mond tot mond. Ik nam telkens maar een klein slokske, omdat ik niet meer van dat brandend goedje door de keel kon krijgen. Maar ik wilde mij dan toch zo mans tonen als de anderen. Wij gingen met onze nieuwe vriend mede naar Cabaye. Daar zouden wij het voetpaadje nemen, dat dwars door het veld ons terug naar de Zepperenweg, aan de Witte Lieve-Heer zou brengen.
Bij de ingang van het wegeltje lag een hoop aardappelkruid. Armand liet er zich op vallen, sloot de ogen en zonk weg in het dromenland van Bacchus. Ik stapte dapper het wegeltje op, fier dat ik nog te been was, terwijl die felle Armand tegen de grond lag. Hoe meer ik mijn best deed om rechtop te lopen, hoemeer knikte ik door de knieën en wilden mijn benen naar links of naar rechts. Dat ging zo crescendo tot bijna aan de Witte Lieve-Heer. Daar moest ik over een vers omgeploegde akker, ruw en hobbelig. Ik had nog geen drie stappen gedaan of ik lag er. Zonder te kruipen zag ik geen kans er over te geraken. Ik besloot dan ook wijselijk terug naar Armand te gaan. Het was toch beter op een hoop aardappelkruid te liggen dan op de blote grond. Ik geraakte terug bij broerlief. Zijn neus hing vol leem. Dat was het laatste wat ik zag. Ik legde me naast hem neer. Heel de wereld, de lieden, die om ons heen stonden, de bomen, de huizen, het draaide allemaal in ’t ronde alsof ik op een lustig wiel lag rond te tollen,. Iemand vroeg mij wiens kinderen wij waren.
– “Van Fons de rademaker” zei ik.
Ze schoten in een lach. “Dan verwondert het ons niet”, hoorde ik zeggen. Dat was het laatste, dat tot mijn bewustzijn doordrong. Ik opende de ogen om middernacht, thuis in mijn eigen bed. Ik keek verwonderd op. Mam en Pa stonden voor het bed. Zij waren te gelukkig om mijn verrijzenis, dan dat ze mij een welverdiende afstraffing toedienden. Op mijn vraag hoe ik thuis was geraakt, vertelden zij me, dat twee mannen, ieder aan een arm, mij thuis hadden gesleept, dat ik geen lappen onder de schoenen meer had. Armand had men met de kruiwagen thuis gebracht. Hij had langere tijd dan ik nodig om tot zijn positieven te komen. Hij werd pas in de voormiddag wakker, toen ik al in de school zat, want mam had mij niet willen belonen met nog een dag verlof op de koop toe.
Het schandaaltje had vliegensvlug de ronde gedaan. De meer dan honderd medeleerlingen gaapten mij op de speelplaats aan, alsof ik een bezienswaardigheid geworden was, terwijl ik toch niets anders was dan een beteuterd ventje, dat in die algemene belangstelling stond met zijn eigen persoontje. Het ergste stond mij dan nog te wachten. Hoe zou de strenge meester Creten het’ geval beoordelen ? Die vraag stemde mij erg ongerust. Dit liep echter beter af dan ik had gevreesd. Zelf zeer matig nam hij de anti-alkoholische opvoeding ter harte. Hij was een van die prima oude schoolmeesters, die zich gans en geheel aan onderwijs en opvoeding gaven. Aan de achterwand van de klas hingen twee grote platen. Op de ene stonden de inwendige organen van de dronkaard afgebeeld. Op de andere die van de onthouder. De organen van de dronkaard, open gespannen met een paar haakjes, waren binnen zwart als roet en buiten gehobbeld als rot. Die van de onthouder waren gaaf en gezond. Na het gebed nam de meester die platen van de muur af, en hing ze aan het bord. Hij gaf een meesterlijke voordracht over de noodlottige gevolgen van de sterke dranken, niet alleen op de lichamelijke gezondheid, zoals duidelijk op de dronkemans plaat te zien was, maar ook op moreel en sociaal gebied. Mijn makkers keken voortdurend naar mij zo meewarig, alsof ik ten dode was opgeschreven. Ik voelde mij in kleine schoentjes.

Daarmede was het niet afgelopen. De meester haalde het register uit de kast, waarin ieder jaar nieuwe aangekomen leerlingen hun handtekening plaatsten en zwoeren voor een en twintig jaar geen alkohol te drinken. Wij hadden, als nieuwelingen, die plechtige eed nog niet afgelegd. Meester Creten was een te nauwgezet onderwijzer om deze ongewone kans tot een gelegenheidsles over de geheelonthouding te laten voorbijgaan. Hij riep per alfabetische orde de namen af en één voor één gingen de jongens aan tafel in het register door hun handtekening hun eed bevestigen. De ene na de andere, als hij van de trede afstapte, keek mij in de ogen. Zij schenen zich af te vragen : wat gaat die zatlap zeggen als het zijn beurt is ?
Mijn beurt kwam.
– “En gij, Schoofs”, zei de meester, “tekent gij ook?”
– “Ja, meester”, klonk het vastberaden en zeker oprechter dan al de anderen, want ik had die slechte jeneversmaak nog in de mond.
– “Ik verwachtte dat wel van u”, sprak de meester, “dat was ook uw schuld niet, maar die van Armand”.
Mij mocht hij nogal, maar aan mijn broer had hij een grondige hekel, en wellicht niet zonder reden. Tot mijn eerherstel moest ik zeggen, dat ik dat woord gehouden heb, tenminste tot mijn één en twintig jaar. Het register ligt nog in de schoolarchieven. Wie daar naar mijn handteken wil kijken, kan meteen zien op welke datum het gebeurd is.

De klas van meester Frans Creten in de oude gemeente­school, 1908.
O.a. Henri Vanoirbeek, Laurent Jammaers Henri Jammaers, Achile Vanvuchelen, Henri Bollen, Domien Knapen, Jef Kleykens, Jef Strauven, August Mommen, Jozef Kellers, Gust Schoenaerts, Octave Hayen, Clem Leemans.

Toen ik op pensioen ging ben ik nog eens herinnerd geworden aan die slemppartij. Ik had een hoek van mijn weide afgeroosterd om daar konijnen laten los te lopen. Ik ging naar de markt te Sint-Truiden om een nest jonge konijnen te kopen. Daar stond een oude man met negen gezonde jonge beestjes. Ik bleef er een ogenblik naar kijken en meende verder te gaan.
-“Koop ze mij af, meester” zegde de man.
– “Ik zoek heel grijze”, zei ik, “en de uwe zijn half wit, die vallen buiten te zeer in ’t oog”.
– “Gij zoudt ze mij nochtans mogen afkopen, meester, want ik heb eens last genoeg met u gehad om u van Cabaye naar huis te slepen”.
– “Zo, zijt gij dat geweest ? Hoeveel voor de beestjes?” Ik gaf die man zonder afpinken wat hij vroeg, en nam hem mede naar de dichtsbijgelegen cafe, waar ik hem op een stevige pint trakteerde. Wij hebben die oude geschiedenis nog eens opgerakeld. Hij lachte er nog mede, dat ik mij de fles niet uit de handen liet nemen, haar zonder stukken had thuis gebracht, maar ledig natuurlijk.

Albert
Ene keer toch heb ik een goede daad willen verrichten, maar die liep voor mij slecht af. Op d’Oye woonde een idioot, Albert Van Deu. (klemtoon op Al … ). Hij was nogal lang opgeschoten. Hij had een smal gezicht. Zijn mond stond altijd half open. Aan zijn lange spitse neus bengelde altijd een druppel, die maar verdween als ze te dik en te zwaar werd. Hij sprak met gebroken zinnen, die hij telkens liet volgen door “Wies nie” (wist ge niet). Men zag hem haast nooit op straat zonder zijn kruiwagen. Ofwel veegde hij paardenvijgen bijeen, mest voor de hof van zijn broeder, waar hij thuis was, ofwel vervoerde hij een zak meel of zowat.
Kinderen kunnen soms laf en wreed zijn. Om zich te wreken op grote mensen, die hen voortdurend met hun overmacht onder de duim houden, nemen ze weerwraak op ouderen die zij de baas kunnen. Ik kwam aan de Dikke-Linde de hoek om naar school. Een eindje verder zag ik Albert zijn kruiwagen staan. Hij zelf stond enige stappen verder. Hij was een stelletje kwajongens nagelopen, die hij natuurlijk niet krijgen kon, want hij was maar slap te been, gelijk het met zulke mensen vaak voorkomt. Daar stond hij met zijn dubbelgevouwen lederen riem in de opgeheven hand uit te varen tegen die deugenieten. Toen ik dichter bij kwam, bemerkte ik de reden van zijn gramschap. Op de meelzak, die hij vervoerde lag een hoop aardkluiten. Dat was het werk van die bengels. Ik had altijd sympathie gevoeld voor die arme dwaas, en dikwijls met hem gepraat, als hij met zijn bezem de paardenmest bijeen keerde. Kwam het daardoor, dat ik voor eenmaal iets goeds wilde doen. Ik stapte naar de kruiwagen toe, en stak juist mijn handen naar de zak uit om die vuiligheid er af te werpen, toen Albert zich omdraaide, mij zag en meende, dat ik nog wat klonten bijlegde. Wat kon hij anders van een kwajongen verwachten. Hij stiet een schreeuw uit en kwam dreigend met de riem op mij af. Daar hij niet vlug te been was, kon ik hem ontglijden en naast hem door naar de school lopen, honderd meter verder.
Maar Albert kwam mij na. Mij kende hij. Hij kwam de speelplaats op recht naar meester Creten :
– “Die van roomèker jaat (aarde) op menne zak. Wies nie, messer”.
Neen de meester wies het nie, maar nu wist hij, tot mijn nadeel en grote spijt wel of meende het te weten. Hij greep me bij de kraag, gaf mij met zijn vuistje enige stompen in de rug,, en stiet mij de klas in, waar ik met de knieën op de trap moest liggen. Dat was het ergste niet, maar ik kreeg nog tien bladzijden schrijfwerk. Dat betekende een hele namiddag huisarrest in plaats van te gaan spelen. Daartegen protesteerde ik. Maar de aanklager werd geloofd, de plichtigen pleiten immers altijd “onschuldig”. De ware schuldigen zwegen als de karpers en ik wilde hen niet verraden.
Ik heb Albert die onverdiende straf nooit kwalijk genomen. De man “wies nie” beter. De meester heb ik het nooit ten kwade geduid. Hij wies ook nie beter. Trouwens die tien bladzijden waren niet de twintigste part van de straf, die ik wel verdiend en niet gekregen heb. Later heb ik als onderwijzer ook wel eens op valse getuigenis onverdiend straf uitgedeeld. Ik hoop maar dat men het mij ook een beetje vergeeft.

Aan die Albert heb ik nog een herinnering. Maar die dateert van veel later toen ik zelf als jonge onderwijzer in de laagste klas stond. Ik woonde toen op Dekken en fietste dagelijks langs de Kattesteeg over een veldbaantje langs d’Oye naar de school. Dat paadje werd op een plaats gedwarst door een ondiep slootje, waarover een plank als brug lag. Op en goede dag zag ik een drietal van mijn kleine jongens aan Albert zijn kruiwagen sleuren om hem door dat slootje te helpen, want de plank was middendoor. Van die loffelijke hulpvaardigheid wilde ik gebruik maken om mijn leerlingen wat altrastische gevoelens bij te brengen. Ik bracht het voorvalletje onder verzen, al waren het dan ook maar karamellenverzen. Ik liet mijn pennevrucht van buiten leren en voordragen. Ik kreeg onlangs nog eens het bezoek van mijn beste en trouwste vriend, Henri uit de Phare, een man met een goed stel hersens, met een klare kijk op dingen en feiten. Hij heeft ook een geheugen als een archief. Het gesprek kwam op dat voorvalletje van daarboven.
– “Dat stukje ken ik nog van buiten”, zei hij. “Ik was toen bij u in school”.
Ik heb het mij laten dicteren, want ik kende er maar brokstukken meer van:
Op de weg van d’Oye naar Dekken
Komt al kruiend Albert aan.
Druppels, die van ’t voorhoofd lekken,
Vallen voor hem op de baan.

D’arme stumper buigt al gaande
Knikkebolt bij elken tred,
Tot hij plots voor ’t slootje staande
Zijnen krui daar nederzet.
Voor hem ligt het brugje stukken
Gans beteuterd tuurt hij ’t aan.
Staat dan aan zijn muts te rukken,
Krabt in ’t haar. Wat nu gedaan ?
Jozef en zijn kameraden,
Goede jongens door en door
Hebben Alberts leed geraden.
Lopen bij, en spannen voor.

Hola ! Albert, zo niet zweten,
Leg de riem maar om de nek,
En ik wil geen Hansoul heten,
Als ik u erdoor niet trek.

Samen reppen zij de benen,
Aangespannen hand in hand
Rukken zij door ’t grachtje heen
Trekken krui en man aan kant.
“Brave jongens, beste kerels”
zegt de meester, die ’t juist ziet
“Edele harten, ware perels
Brengen troost waar is verdriet”.
Natuurlijk mocht de kleine Jozef Hansoul het eerst het stukje voordragen. Hij was zo’n sympathiek baasje, met bolle ronde wangen en haast zo breed als hij hoog was; een brave dikkerd was hij. Ik riep hem op de trede en streelde hem gemoedelijk over het hoofd. “Mijn pappenske”, zei ik onbedacht. De jongen is nooit meer anders genoemd geworden. Dit heb ik pas jaren later vernomen, toen Marie van Marc me vertelde dat Pappenske er zo goed voorstond. Hij was een flinke arbeider, en hield zijn centjes goed bijeen, hetgeen geen kenmerk was van zijn familie.
– “Pappenske”, vroeg ik, “wie is dat ?”
– “Wel, Jefke van Miel Hansoul”.
– “Dan heb ik ook die jongen die bijnaam gegeven”.
Ik maak hier van de gelegenheid gebruik om de man mijn ootmoedige verontschuldigingen aan te bieden. Het spijt mij oprecht.

Meester Schoofs en de hoogste klas, +-1955-1956.
Roland Knapen, Camille Vananroye, Fernand Bolkaerts, Alois Laquay, Willy Neven, Charel Scheepers, Arsène Bex.

Onderwijs
Ik geloof niet dat er een enkel beroep bestaat, waarbij zoveel dommigheden worden uitgehaald als bij het beroep van onderwijzer en leraar. Alle andere beroepen kan men in perfectie uitoefenen. Een kleermaker kan een perfect afgewerkt kostuum afleveren. Een beeldhouwer kan een kunstgewrocht scheppen, waar men na eeuwen nog vol bewondering naar staart. Maar welke opvoeder heeft ooit een volmaakt opgevoed mens uit zijn handen laten komen ? Trouwens hijzelf is verre van volmaakt. ’t Is dan ook de moeilijkste en meest ondankbare taak ter wereld. Wij mogen ons al gelukkig achten als we een beetje geleerdheid hebben kunnen bijbrengen, en bij hen die er ontvankelijk toe zijn een enkel goed gevoelen hebben kunnen wekken. En toch moeten wij niet te pessimistisch zijn. Neem de opvoeders uit streek of land weg, keer er na een paar generaties terug, en je vindt er niets meer dan wilden.
Mijn verhaal is moeilijk kronologisch te ontwikkelen, zodat ik voortdurend van de hak op de tak moet springen, van jong naar oud en van oud terug naar jong. De eerste dag van mijn schooljaar was al een rare dag. ik was bang voor de meester. Moeder had mij al zo dikwijls gezegd : “Wacht maar manneke, tot als gij naar school gaat, dan zal de meester u wel leren braaf zijn”. Naast de angst voor de meester zat mij ook de angst voor de hel op het lijf. Gij komt in de hel, daar zullen de zwarte duivels u doen branden dat het knettert, dreigde moeder in plaats van mij een fikse oorveeg te geven als ik wat mispeuterde. Die angst voor hel en duivel heeft me bezeten in mijn kleuterjaren. Hoe dikwijls heb ik gewenst een hond of een kat te zijn of zelfs een aardkluit of steen in plaats van het edelste schepsel Gods. Duivels en schoolmeesters! Steek ze in dezelfde zak. Zij zijn beiden plaaggeesten van het mensenkind.
Het ongeluk wilde, dat meester Neven mij naast een bisser zette, E.S. Hij was dus een jaar ouder dan ik en aan de school gewend. Hij vond er plezier in mij te plagen. Hij toonde mij de nagel van zijn duim, die brokkelig was, ofwel was zijn griffel gebroken, of een scheur in zijn broek. En telkens dreigde hij tegen de meester te zeggen, dat ik het gedaan had. En dan stonden de tranen in mijn ogen van schrik. Dat duurde zo enige dagen. Ik begon te wennen en was dat geplaag moede. Zekere dag kwam ik na schooltijd juist achter hem aangegaan voorbij de Dikke-Linde. Eer ik het zelf goed wist, dus zonder voorbedachtheid, schoot mijn klomp onder zijn broek in. Hij keek om en tastte aan zijn achterwerk.
– “Kijk voor u”, zei ik, “of ge krijgt er nog een deel bij. En zeg dat eens tegen de meester als gij durft”.
Hij is zonder omkijken doorgestapt en heeft niets tegen de meester gezegd.

Oud (°1866, bij de kerk) en nieuw (°1927, op de Eynestraat).

De oude gemeentelijke jongensschool, +-1925. Om. Armand Schoofs, Basile Schoenaerts, Herman Bex, Florent America,
Jozef Claes, Gaston Neven, Martin Hendrix, Louis Priemen, Jozef Neven, Pierre Vanoirbeek, Jozef Knapen.

De drie jaren bij meester Neven zijn zonder markante gebeurtenissen voorbijgegaan, kalm zoals hij zelf kalm was. Dan landde ik bij meester Creten aan, de hoofdonderwijzer, een onovertroffen schoolman. Hij was zeer intelligent en buitengewoon in zijn klas. Men noemde hem de “franse meester”. Niet omdat hij Frans heette, maar omdat hij het onderwijs van het frans zozeer ter harte nam. Wij waren immers volop in het tijdperk, dat de school er voor niets anders scheen te bestaan dan om frans te leren. Dat men toen zonder vlaams generaal kon worden, maar zonder frans niet eens korporaal, was niet een louter gezegde, het was de werkelijkheid. Zowel als de neger is de vlaming gewoon in eigen land, op eigen bodem gediscrimineerd geworden. Maar waar de neger in opstand komt tegen de onrechtvaardige behandeling, zijn er nog vlamingen bij de vleet, die met die vernederende discriminatie vrede nemen, erger nog zichzelf discrimineren. Zij sussen zich met de uitspraak, dat ze goede Belgen zijn. Als een vlaming om goede Belg te zijn niet eerst Vlaams mag wezen dan is er iets mis met België, dan klopt er iets niet.

Meester Creten had zijn eigen methode, en die stond keurig op een hoop ministerpapier uitgewerkt en voorbereid. Hij vertrok van het werkwoord. De vier vervoegingen in alle tijden van de regelmatige werkwoorden en van sommige onregelmatige werden door eindeloos afdreunen in ’t geheugen geperst. Dan werden daar naamwoorden en hoedanigheidswoorden aan toegevoegd.
J’admire une belle fleur
Tu admires un beau jardin
Il admire une belle statue
Nous admirons un beau tableau
Vous admirez un beau bâtiment
Ils admirent la belle nature
De moderne pedagogen veroordelen zulke methode als een geheugenvolpropperij. En dat was het ook. Maar ik moet toch bekennen, dat die kennis van de vervoegingen mij in mijn verdere studies zeer nuttig is geweest. Ik dank het wellicht aan meester Creten, dat ik door de normaalschool ben geraakt en zelfs primus was in de franse taal (niet in de andere vakken). ’t Was daar al frans wat de klok sloeg : les matématiques, la géometrie, la psychologie, la pedagogie, la methologie, les sciences naturelles, la chémie, la physisiologie, l’agriculture, les droits constitutionels, l’anatomie, l’histoire, l’apologie etc. Kortom een universiteit in ’t klein met alle vakken. En dat aan Vlaamse jongens van vijftien jaar. “Le commerce” en “la géographie” werden gegeven door een waal, die geen gebenedijd woord vlaams kende. Daarenboven stamelde hij gelijk ik nooit iemand heb horen stamelen. Op het bord schrijven dat men het lezen kon, was hem eveneens onmogelijk. Monseigneur wist niet wat in het Walenland met hem aan te vangen en zond hem naar zijn bisschoppelijke normaalschool te Sint-Truiden : “Il était toujours assez bon pour les petits Flamins”. Gees wonder dan ook dat van de acht en veertig studenten, waarmede onze klas vertrok er maar twee en dertig hun einddiploma behaalden. Zo heeft Lamme Goedzak, de Vlaming, meer dan honderd jaar met zich laten sollen. Dat zou een Waal geen dag geduld hebben. Daarom doe ik mijn hoed voor hem af. Er zijn twee manieren om een volk te onderwerpen : met het bloedig wapengeweld of met het een vreemde taal op te dringen. De eerste manier is de vlugste; de tweede is pacifieker, duurt Langer maar gaat dan ook des te dieper en vollediger. Om land en volk met wapens te verdedigen tegen iedere aanvallende vijand heeft de Vlaming door de eeuwen heen altijd in de eerste rangen gestaan, maar schiet met het frans op hem en hij geeft zonder weerstand zich met hart en ziel over. Voor de verfranste Vlaming doe ik mijn hoed niet af, liever een ander kledingsstuk.
Maar ik heb me weer eens van mijn onderwerp laten afleiden. Keren we terug naar meester Creten. Wat voor een leerling was ik ? Iedereen is tevreden over zijn eigen verstand, maar niemand is het over zijn centen. Ik zal op die vraag dan maar het antwoord geven, dat Felix van Bert Til de meester eens gaf. Ik weet niet welke stomme streek hij had uitgehaald, maar de meester zei : “Ik durf wedden, als er aangekondigd wordt, dat morgen de slimste van Zepperen de kop wordt afgekapt dat gij de eerste zijt om lopen te gaan”.
– “Neen, meester”, zei Felix, “de eerste niet, maar de laatste toch ook niet”.
Er was in die tijd nog geen spraak van het onderricht rond belangstellingscentra te weven. Toch wist meester Creten op zijn manier onze belangstelling te wekken. Daarvoor had hij steeds de ene of de andere anecdote klaar.
Zo bijvoorbeeld om de aandacht te vestigen op het belang van punten en komma’s tussen de zinnen, vertelde hij ons het volgende. Een koning die met zijn leger ten strijde trok, ging een waarzegster raadplegen om te weten of hij winnen of verliezen zou. De slimme waarzegster schreef op een blad papier, “gij zult gaan wederkeren niet verliezen in de oorlog”. Of de koning won of verloor, de waarzegster kon altijd aantonen, dat zij het juist had voorspeld. De kwestie was de komma’s te plaatsen. De meester schreef de zin op het bord en vroeg wie de komma’s kon plaatsen zo dat de koning overwon. Jef Bex had het dadelijk beet. Hij plaatste de komma voor en achter “wederkeren”. Gij zult gaan, wederkeren, niet verliezen in de oorlog. Om hem doen te verliezen kwam de komma achter “gaan” en “niet”. Gij zult gaan, wederkeren niet, verliezen in de oorlog.
De oppervlakte zoeken van de vlaktematen begon met de volgende anecdote. Ik kwam eens per toeval in een herberg. (als hij van een herbergbezoek sprak, voegde hij er altijd naar waarheid bij : ik drink daar een cognakske, maar vraag er een klontje suiker bij, de alcohol is wel geen cent waard, maar het klontje is toch voedzaam). In die herberg zat een man te snoeven. Hij vertelde tegen een paar dommerikken dat hij ergens een rechthoekig gat van één meter breed en anderhalve meter hoog moest toemaken. Hij had daarvoor twee planken van twee meter lang op dertig cm breed. Niemand kon dat gat daarmede toemaken, maar ik wel !
– “En gij ook niet”, zei ik hem. Dat gat was 1m2 x 1,5 = 1,5 m2 groot; een plank was 2m2 x 0,3 = 0,6 m2 ; twee planken hebben een oppervlakte van 0,6 m2 x 2 = 1,20 m2 . En met 1,20m2 een gat toemaken van 1.50 m2 dat kan God zelfs niet, en gij nog veel minder”.
Waar hij van het bekende naar het onbekende kon vertrekken, liet hij de kans niet voorbijgaan. Bv. De molenbeek, die de grens vormt tussen Zepperen en Sint-Truiden, kenden wij natuurlijk allen. Hij liet ons in een fles een blad papier stoppen met onze namen op en het adres van de school. Die fles liet hij ons in de Molenbeek werpen. Op de landkaart liet hij ons de weg volgen die de fles aflegde. De Molenbeek loopt in de Gete, de Gete in de Demer, de Demer in de Dyle, de Dyle in de Rupel, de Rupel in de Schelde, de Schelde in de zee. Als die fles tot in de zee geraakte kon ze aan een kust aanspoelen. Op de kaart gingen wij de landen rond de Noordzee na van waar gebeurlijk een antwoord op onze groet uit Zepperen kon komen. Op die manier trachtte hij het geheugenwerk ter hulp te komen.

Accordeon van Meester Creten, uit ‘In den Indiaan’ te Antwerpen (fam. Pulinx)

Het meest was hij te bewonderen in zijn zangonderwijs. Zelf kon hij geen noot zingen. Als hij er drie zong, zong hij er vier vals, omdat hij zich al eens herpakte. En toch leerde hij ons tweestemmige liederen aan, en nog wel zo dat de beste muzikant het horen mocht. Hij leerde ons de Brabançonne, Naar wijd en zijd, Te Hasselt langs de straat (tweestemmig) enz. Op grote platen bordpapier stonden de melodiën in cijfermuziek door hem keurig gedrukt. Hij had zich ook een accordeon aangeschaft. Voor elk nieuw lied oefende hij zich dagen lang. Als hij het zoverre in de vingers had, dat hij niet meer te dikwijls een verkeerde noot afduwde, bracht hij zijn accordeon de klas in, net toegedekt met een tapijtje, want hij was op alles even keurig en precies. De zangers moesten voor de trede in rij komen staan. Hij zette zich op een stoel, de accordeon op zijn knieën, met zijn klomp (hij droeg voor hem speciaal gemaakte fijne klompen) sloeg hij de maat op de planken trap. Dan boog hij het hoofd over de accordeon om goed te luisteren of het instrument zijn functie naar behoren vervulde. Dan speelde hij één maat. Hij speelde nooit meer dan één maat ineens en ’t moest al lukken als hij niet een noot moest herpakken. Maar hij kreeg de sol mi fa sol toch juist en zuiver in de stembanden van zijn uitgekozen zangers. Dan ging hij over naar de tekst. Als hij zover was, dat de accordeon zijn hulp niet meer moest bieden, nam hij een regel, ging voor de zangers op de trap staan, sloeg de maat en dirigeerde het zangkoor. Uiteindelijk mocht heel de klas meezingen.
Het was weer eens conferentie. In de namiddag hadden wij vrijaf. Ik kwam voorbij de school en hoorde van op afstand het gejank van de accordeon. De meester zag mij door het venster voorbijgaan. Hij kwam buiten en riep mij : “Zeg eens, Schoofs, de inspecteur heeft u allemaal fel geprezen, en om de jongens te belonen ga ik hun een schoon liedje leren “De witte Reebok”. Toen we de volgende morgen in de klas kwamen, stond de tekst reeds op het bord. Wij moesten hem afschrijven en van buiten leren. Dan volgde het aanleren van muziek en zang. Na korte dagen dreunde de klas, dat de ruiten in de oude vensters rinkelden van “De reebok, de witte, daar ging het op los”.
Je ziet, meester Creten was een knappe onderwijzer. Hij kon ons leren wat hij zelf niet kon. Hij hield ook van tucht. In de klas gedroegen wij ons braafjes. Als wij straf opliepen was het meestal omdat. wij elders wat mispeuterd hadden. Zo kreeg ik nog eens tien bladzijden, die ik niet helemaal verdiend had, naar het mij toescheen. Wij hadden als gebuurvrouw Bokkecarline, zo geheten omdat zij er een geitebok op nahield, wiens gezonde geur heel de buurt deed snuiven. Haar hof lag tussen onze beide huizen in. Een haag sloot hem af aan de straatkant. Tegen die haag had vader boomstammen neergelegd. Bij zwoele zomeravonden kwamen de geburen na het avondmaal daar bijeen om wat gezellig te praten. Ik had me daar ook neergezet of liever op een boomstam neergelegd, op de rug, de handen onder het hoofd. Toen de ene na de andere naar huis was gegaan, lag ik daar nog slaperig te soezen, en dromend in de eindeloze diepte van de met sterren bezaaide hemelkoepel te staren. Opeens kwam Julia, de dochter van Caroline, met haar minnaar Bert, een Truienaar, dus een groene, buiten. Zij zetten zich op de bank tegen de gevel. Bert was zat, tot in het stadium van de weemoed. Hij weende tranen met tuiten. Julia nam Bert in haar machtige armen en drukte hem tegen haar voile boezem. Zij troostte haar huilerige minnaar.
– “Bert, djie moet nie grienen; djie zijt menne jong, vie blijve alted tegoor”.
Op dat ogenblik liet madame Jacobs, die aan de andere kant van het pleintje woonde, haar schoothondje buiten, om zijn pootje nog eens op te lichten alvorens in het mandje voor de nacht te gaan. Dat mormel zag mij en kwam keffend naar me toegelopen. Ik was verraden en liep het huis binnen.
Tot mijn ongeluk maakte Julia de klassen schoon. Toen ik ’s anderendaags op de speelplaats kwam zag ik haar staan praten met de meester. Zij kregen mij in ’t oog en ik zag, dat het over mij ging. Er liep een kriebeling door heel mijn lijf heen. Dat beloofde weerom straf. Daar kwam de meester al op mij af, greep mij bij de kraag en stiet mij voor zich op de klas in met de knieën op de trede. Maar wat nog erger was, ik kreeg nog eens tien bladzijden te schrijven, een hele namiddag huisarrest, erg ! Ik vond die straf onverdiend. Ik had toch het recht op die boomstam te liggen en te genieten van een mooie zomerse avond. Dat zij toevallig op die bank kwamen zitten in plaats van naast moeder Caroline in huis te blijven, was toch mijn schuld niet; dat die groene Truienaar van zattigheid huilde, daar kon ik ook niets aan doen; dat de dikke Julia haar snotterige vrijer met die flauwe prietpraat troostte terwijl ik het onvrijwillig hoorde, daar kon men mij toch ook geen verwijt van maken. In plaats van mij te doen straffen had ze beter Mirra een klontje suiker gegeven, want zonder die keffer had ik wellicht nog meer gehoord en gezien, want ik geloof niet, dat ik al genoeg opgevoed was om uit bescheidenheid de plaats te ruimen.
Raak maar wijs uit die schoolmeesters Ze delen straf uit, bladzijden en ook al eens meppen alsof het dagelijks brood was, en als het er op aankomt, zouden zij hun eigen leven voor hun leerlingen geven. Daar gaf meester Creten ook een voorbeeld van. Het gebeurde tijdens de eerste wereldoorlog. Ik was toen zijn “hulponderwijzer”. Zekere dag deed het gerucht de ronde, dat de Duitsers de scholen afgingen om de kinderen in te spuiten met ik weet niet welk noodlottig gevolg. Meester Creten haalde een hamer uit zijn zak:”Hier se”, zei hij, “ik ben gereed op hen. Als er een Pruis in de klas komt en hij durft zijn hand naar één van mijn jongens uitsteken, dan sla ik hem de kop in”. En werkelijk, hij zou het gedaan hebben. Zouden er toch wat vaderlijke gevoelens in die strenge schoolmeester zitten ?
Hoe intelligent meester Creten ook was, toch had hij in één zaak niet klaar gezien. Toen ik nog bij hem op de schoolbanken zat, sprak men reeds van het vliegen van de mens. “Dat zult ge nooit zien”, zei hij, “bekijk een duif, die heeft een scherp borstbeen, daar zitten weerskanten sterke spieren aan vast, die de vleugels bewegen. Dat heeft de mens niet, en hij zal nooit vliegen”. Korte jaren later vloog de mens op stalen vleugels. Meester Creten was duivenliefhebber. Op een zondagvoormiddag zat hij te letten op de thuiskomst van zijn prijsduiven. August Mommen kwam aangegaan.
– “Is er al iets thuisgekomen ?” vroeg Gust.
– “Dat zal ik u zeggen, Gustjong. Ik had er vier meegegeven, één is thuis, maar de drie andere niet”.
Gust hervatte zijn fluitdeuntje en zette zijn weg voort.
– “Die drie zullen niet meer thuiskomen”, mompelde Gust.
Wat zat daar achter ? In de hof van de meester stond een perzikboom. Daar hingen vier blozende perziken op. Die hadden Gust bekoord. Maar in het nachtelijk donker had hij die ene niet gezien.
De meester kende zijn Pappenheimers. “Il ne faut des concurrents mème pas a la couru”, schreef J.J. Rousseau in zijn Emile. Met die opvoedkundige regel ging meester Creten niet akkoord. Hij zette er zoveel mogelijk wedijver in. Hij plaatste ons volgens onze prestatie, de vlijtigen op de eerste bank, de dommen en luien op de laatste. Voortdurend werd er op en afgeschoven. Ik verhuisde dikwijls van voor naar achter en van achter naar voor. Was het schoon weder, dan riep de lokstem van de wijde, blijde natuur mij onweerstaanbaar naar buiten, op straat, in veld, weide en bos. Was het weder slecht, zodat ik moest binnen blijven, dan leerde ik mijn les en maakte mijn huiswerk. Mijn prestaties hingen dus af van de barometer. Ging hij op, dan ging ik af; ging hij af, dan ging ik op.

Mijn broer Armand had mij geleerd haagschool te gaan. Op dat gebied was ik goed van aannemen. Ik had daarvoor een idylisch plekje gevonden. De weide van Adolf Nys en die van Gilissen hadden een haag gemeen. De twee hagen aan de veldkant sloten aan op de eerste, maar niet in elkaars verlengde. De haag van Nys ontmoette de gemeenschappelijke op een viertal meter voor haar einde. Die van Gilissen schoof in schuine richting dit punt voorbij, en ging een vijftal passen verder aan de andere aansluiten. Zodat daar een ingesloten driehoekje gevormd werd van een tiental vierkante meter, een niemandslandje. Midden dat plekje stond een wilde appelboom. Ik had daar een opening in de haag waar ik doorheen kon kruipen. Daar zette ik mij aan de voet van die boom met de rug tegen de stam. Kon je ’t bij mooie lente- en zomerweder ergens ter wereld verrukkelijker hebben ? Zo heerlijk in Gods blijde natuur vol zon en schaduwen, vol geuren en kleuren en vogelgezang, geheimzinnig alleen met zijn gepeinzen en dromen. Heerlijk ! Dat verstoppertje was maar een paar honderd meter van de school verwijderd. Als de vensters open stonden, wat bij zulk weder altijd het geval was, hoorde ik mijn ongelukkige makkers in koor afdreunen:
J’aime mon pere, ma mere, mes frères et mes soeurs
Tu aimes ton pere, etc.
J’obéis au maître, a l’instituteur, à la loi, aux règlements
Tu obéis, etc.
Je reçois du cafe, de la bière, de l’eau, des tartines
Tu reçois, etc.
Je me rends au village, a la ville, a l’école, aux champs
Tu te rends, etc.
Arme jongens!

Lezen
Ik nam dan een boek op mijn knieën, want ik was al verzot op spannende lectuur. Ik heb daar “De Bende van Cartouche” gelezen. “Robert en Bertrand”, “de Bende van Baekelandt”. Dat waren de politieverhalen van die tijd. Daar las ik ook “Het ijzeren graf” van Conscience. Dat boekje greep bijzonder diep in mijn gemoed. Ik leefde mee met die kleine kunstenaar. Thuis haalde ik de schors van de boomstammen en sneed er allerlei figuren uit.
Een ander boekje, dat ik nooit vergeten zal, droeg als titel : “Arrumgham”. Het verhaal speelde zich af in Indië. Het opende een andere wereld voor mij. Die Arrumgham was het zoontje van een schatrijke maharadja. Deze plaatste zijn telg in een katholiek college, maar op de uitdrukkelijke voorwaarde hem aan geen godsdienstles of ceremonie te laten deelnemen, want hij zelf was een fanatiek Brahmaan. Aan die voorwaarde werd voldaan. Maar de knaap was nogal nieuwsgierig. Eens ging hij door het sleutelgat van de kapeldeur loeren, terwijl de mis opgedragen werd. Die ceremonie maakte diepe indruk op hem, en hij herhaalde zijn spionage, tot hij zelf de wens uitdrukte wat meer over de katholieke godsdienst te weten te komen. Aan die wens werd maar al te graag voldaan. Je kunt denken een toekomstige katholieke maharadja, wat een aanwinst voor de kerk !
Kortom, na allerlei intriges geraakte hij gedoopt en kreeg de naam Johannes. Toen de vader dat vernam haalde hij hem weg uit het college en plaatste hem op een eilandje in een Brahmanenklooster. Hij hield zich afzijdig van de andere studenten en wandelde gewoonlijk in de grote hof. Daar hoorde hij op zekere dag van uit het struikgewas een bekend stemmetje roepen “Tritchinapolis, Tritchinapolis”. De stem kwam van zijn knechtje. Deze had hem als verstekeling gevolgd, en zocht op die manier terug in verbinding te komen met zijn geliefd meestertje. Door zijn tussenkomst bleef Arrumgham in betrekking met de katholieke missie.
Op zekere dag moest hij deelnemen aan een plechtigheid voor het beeld van Brahma met zijn drie koppen en negen armen. Hij weigerde echter de goddelijke eer te bewijzen aan dat afgodsbeeld. Toen zijn medestudenten hem daarom tergden, greep hij een steen en wierp hem naar het hoofd van de afgod. Als de overheid er niet direct was tussengekomen zou hij gelyncht geworden zijn. Zij zouden hem wel zelf hebben vermoord, als het niet de zoon van een Maharadja betrof. Deze werd verwittigd en hij zond een paar neven om zijn afvallige zoon terug te halen. Maar die neven waren even grote godsdienstgekken. Onderweg vroegen zij de knaap.:
– “Hoe heet je ?”
– “Johannes is mijn naam”.
– “Je heet Arrumgham”.
En dan sloegen ze hem in woede neer. En telkens werd diezelfde vraag herhaald. En telkens klonk hetzelfde antwoord. En iedere keer volgden de verwoede slagen tot Arrumgham neerzeeg en dood was. Zo stierf dat Indische jongetje als een heilige martelaar voor het Christelijk geloof.

Ik bepeinsde wie de grootste schuldige aan deze kindermoord was, de Christenen of de Brahmanen. Ik vond in ieder geval, dat de verantwoordelijkheid erg verdeeld was. En gij ? Ik heb al horen zeggen, dat als iemand u sterk in de nek bekijkt, je ’t gewaar wordt en omkijkt. Dat heb ik daar eens ondervonden. De school was uit en de jongens keerden luidruchtig naar huis. Ik kwam uit mijn verloren hoekje gekropen, menend dat de laatste voorbij was. Maar daar hoorde ik nog het klompengekletter van een groepje achterblijvers. In trok mij terug in een groot gat van de haag, met de rug naar het veld. Ofschoon ik niets achter mij hoorde, werd ik me plots bewust van een aanwezigheid achter mij. Ik draaide me vlug om en daar stak Henri Leunen juist zijn hand naar mij uit om mij in de kraag te grijpen. Zo vlug als de witte reebok was ik er vandoor.
Je ziet, ik kon als scholier al zo min als op menig ander gebied als voorbeeld gesteld worden. In de klas zelf was het nog maar een halve aanwezigheid. Ik vond het aangenaam als de meester de vergeelde bladeren uit zijn geraniums plukte, die sterke geur doordrong dan de muffe klaslucht. ’s Zomers had ik altijd een bol hommelenwas bij. Die kneedde ik in allerlei postuurtjes en snoof zijn aangename geur op. Zowel als men genieten kan van de smaak, het gezicht, het gehoor, kan men ook genieten met de neus. Er wordt zo weinig naar het reukgenot verlangd. Het is nochtans een reëel genoegen aangename geuren op te snuiven. Hadde iemand me toen gezegd, dat ik tot mijn vijf en zestigste jaar in die muffe, verwenste school zou staan, ik zou hem voor stapelgek gehouden hebben.

Franskiljon
Kleine en grotere gebeurtenissen zijn mij uit die tijd in ’t geheugen gebleven.
Lamme Mommen woonde juist tegenover de school. Een oude haag scheidde zijn hof van de straat. Tegen die grachtkant hielden wij ons nogal eens op eer de school begon. Daar stond een hageboompje, dat in de lente rode bloesem droeg. Wij plukten ons daar bloeiende takjes af. Om erbij te komen moesten wij ons aan de stam opheffen. Lamme was spitsvondig als het er op aankwam iemand beet te nemen. Langs de achterkant van de stam smeerde hij goudron. Toen wij in de klas kwamen moesten wij één voor één bij de meester komen om hem de palmen van onze handen te toners. Daar had hij het materieel bewijs, dat de plichtigen zonder mogelijke vergissing aanwees. Wij hoorden ons veroordelen tot een uur schoolarrest en vier bladzijden straf. Die verrekte Lamme !

Ik heb ook een goede herinnering aan die haag. Een paar dagen na het vorig voorval riep Jozef Bex opeens uit:
– “Kik ins was doe stit. Djus inne spons”.
Ik keek en zag daar de dikste en schoonste morul staan die ik ooit gezien had. Bex stak zijn hand uit om ze te plukken.
– “Blef doe vaan aof”, zei ik, “da es groot vergief”.
Hij trok zijn hand terug. Wij hoorden de meester in de handen kloppen. De school ging beginnen en wij liepen de speelplaats op. Heel die namiddag dacht.ik aan niets anders dan aan die morul. De meester zag dat ik niet bij de les was.
– “Schoofs laat de vleugels weer eens hangen”, zei hij.
Dat kreeg ik dikwijls te horen, als de barometer op schoon weder stond en ik met mijn gedachten buiten vertoefde.
Moeder en ik gingen iedere meimaand naar die lekkere zwam op zoek. In de weide van Peter Mommen onder een oude perenboom vonden wij er gewoonlijk. Toen de klas uit was, spoedde ik mij naar de haag, plukte de morul en snelde naar huis. Moeder deed boter in de pan, legde de doorgesneden morul er in en liet ze kissen. Dat was nog eens een lekker hapje. Wie dat nooit gegeten heeft, heeft nooit zo iets echt smakelijk geproefd.
Meester Creten bestrafte niet alleen de deugenieterijen, maar hij beloonde ook bij gelegenheid de goede daden. Een jongen die tussenkwam om twee vechters te scheiden kreeg een bon “goed voor tien bladzijden”. Een echte Belg weet echter op zijn manier met de wet om te springers. Zo’n echte Belg zat op de hoogste afdeling. Ik zelf zat toen nog bij meester Neven. Noemen we hem monsieur Joseph. Hij is later een formidabele franskiljon geworden. Monsieur Joseph had er een handje van, twee jongens aan ’t vechten te zetten. Als de strijd begon te luwen, kwam hij ertussen en scheidde de vechters. Naar afspraak verklikte een vriend de vechtpartij en voegde er bij, dat monsieur Joseph ze had doen ophouden met vechten. Monsieur Joseph werd dan door de meester geprezen, en ontving de begeerde bon. Die aangestookte vechtpartijen hadden plaats aan de Dikke-Linde. Daar heb ik zijn lelijk karakter leren kennen. Die keer stookte hij Jef van Lamme op om Guillaume Driesen af te wachten en eens duchtig af te rammelen, voor ik weet niet welke reden. Guillaume had moeten schoolblijven en kwam, wat later vrolijk fluitend en niets vermoedend op de groep jongens toegelopen.
– “Daar is hij”, zei monsieur Joseph, “smijt hem tegen de grond”.
Jef van Lamme was ouder dan Guillaume en wel een kop groter. Hij dacht dan ook een gemakkelijke partij aan dat jongetje te hebben. Hij pakte hem dadelijk beet, wierp hem op de grond, en pakte hem bij de keel. Maar Lamme liet zich niet als een lammetje slachten. Hij zette acht scherpe nagels in het voorhoofd van zijn aanvaller, trok ze door zijn gezicht tot aan zijn kin, deed dat nog eens over eer Jef met een pijnlijke schreeuw rechtsprong. Daar kwam juist Bertus Peters met paard en kar voorbij. Hij zag de twee vechters en dat meewarig toegetakelde zebragelaat van Jef. De andere moest dus de deugeniet zijn. Hij nam zijn smet: “Gij lelijke bandiet”, riep hij uit, “ik zal u eens leren andere jongens te vermoorden”. En hij klotsoorde Guillaume in de benen zo hard hij maar kon.
– “Hola, Bertus”, riep monsieur Joseph, “’t is die niet die gij moet slaan, geef deze hier van de zweep, die is begonnen”. Ik vond dat vals van hem en heb hem nooit meer kunnen lijden. Ik geloof niet dat mij ooit iemand zo antipathiek is geweest als deze trotse monsieur Joseph. Hovaardig als een pauw was hij dan ook nog.

Niet lang nadien heeft hij het met mij ook eens willen proberen. Ik had een goed vriendje, Jozef Bleus, een tengere jongen, met een bleek, smal gelaat. Daarin stonden twee diepe donkere, trouwe ogen. Ik ging dikwijls met hem spelen. Dan gingen we meestal in de Dooibeek baarsjes vangen. Al spelend had ik Jefke op de rug gelegd. Hoe groot was mijn verwondering toen ik na schooltijd aan de Dikke-Linde kwam. Daar stond een groepje jongens. In ’t midden stond monsieur Joseph met de kleine Bleus naast zich. “Daar is hij die u op de grond heeft geworpen”, zei hij, “geef het hem terug”.
Wij stonden tegenover elkaar en keken in elkanders ogen. Zijn wimpers knipperden, zijn lippen beefden lichtelijk en hij zag er nog bleker uit dan gewoonlijk. Ik was en halve kop groter dan hij en wel dubbel zo sterk. In de judosport was ik nogal ervaren, ik vocht of worstelde bijna dagelijks met mijn broer Armand. Het leek dat ik met de handen in de zakken mijn vriendje had kunnen omverlopen en onder mijn voeten vertrappen. Bleuske viel niet aan. Toen maakte monsieur Joseph een gebaar alsof hij een haar van zijn hoofd nam en mij op het hoofd zette, “Durft gij die terug halen”, zei hij. Jefke haalde ze niet terug. Toen deed hij hetzelfde met mij. Ik haalde ze ook niet terug. Toen trok hij een streep tussen ons beiden op de grond.
– “Wie durft daar het eerst overgaan?”
efke stapte er niet over en ik ook niet. Er was eigenlijk meer moed nodig om het gevecht te weigeren dan om het te aanvaarden, want de weigeraar wend duchtig uitgejauwd:
De schrikschut stond voor de meet,
Hij durfde er niet overkomen,
Hij heeft het hazenpad genomen.
Daar heb ik toen een vertwijfeld ogenblik beleefd. Dat mijn vriendje, ofschoon hij niet wilde of durfde aanvallen, zich niet aan de drang van monsieur Joseph durfde onttrekken, zag ik wel. Ik moest dus de beslissing nemen. Als aanvaller zou ik de zware straf krijgen, en monsieur Joseph zou een bon krijgen. En die gunde ik hem niet. Ik zou mij nog liever hebben laten aftroeven met de handen in de zakken, dan monsieur Joseph dat plezier te doen.
– “Ik vecht niet voor uw plezier, doet gij het maar zelf”. En ik brak door de kring, die ons omringde en ging mijn gang. Wonderlijk genoeg was er niemand die mij najauwde.

Veel later toen ik reeds hoofdonderwijzer was, heb ik van diezelfde monsieur Joseph eens een opgeschroefd compliment gekregen. Bij gelegenheid van een dorpsfeest vroeg de burgemeester mij een toespraak te houden aan het monument van de gesneuvelden tegenoverstaande jongens en meisjes van de twee scholen en het volk op het Kerkplein, dat mij door de micro kon horen. Ik had als onderwerp gekozen : “Meer vrede onder de mensen, minder tranen”. Het werd een lange toespraak. Ik bracht eerst hulde aan de gesneuvelden voor het offer van hun leven, dat zij brachten voor een edele zaak, de verdediging van het vaderland. Ik schilderde de onmenselijkheid of van het oorlogsgeweld, dat loffelijk ontketend wordt door machtswellustelingen, die zich de sterksten weten of wanen. Ik betoogde dat het “gebroken geweer”geen zin heeft. Zolang de mens zijn lagere driften niet ontwapent, zijn oerinstincten niet intoomt, zullen er oorlogen zijn al moet hij vechten met een stok, zoals hij dat duizende jaren vroeger deed. Ik kwam dan dichter bij mijn toehoorders, en besprak de mens in zijn onmiddellijke omgeving, mensen van eenzelfde buurt, van eenzelfde familie, die elkaar het leven zuur maken. Ik wees op de goede gevoelens, waarmede men zich zelf en anderen gelukkig maakt. Voorkomend, vriendelijk en beleefd zijn is een vorm van liefdadigheid en naastenliefde. Hulpvaardig en meelevend zijn, takt hebben, vermijden van iemand te kwetsen – in het huis van de gehangene spreekt men niet van de koord -. Kortom, een edelmoedig hart hebben, de mensen liefhebben in woord en daad. Weten wat schoon is en wat lelijk, het ene doen, het andere laten. Niet aan een andere doen wat u niet graag heeft dat men u doet.

Toespraak bij het monument voor de gesneuvelden van WO I, bij gelegenheid van de opening van de betonweg in 1936

Ik richtte mij dan meer rechtstreeks tot de schoolkinderen. “Jongens en meisjes, weldra komen de jaren, waarop u nader tot elkaar zult komen te staan. Het gebeurt zo schromelijk veel, dat twee harten in die periode gebroken worden. Denkt eraan, dat u niemand kunt pijn doen dan hem of haar, die u liefheeft, en dat het onvergeeflijk lelijk staat er uw eigen ijdelheid mee te strelen een hart te hebben kunnen zeer doen”. Ik eindigde met de woorden : “meer dan negentien eeuwen geleden heeft Christus, de apostel van de naastenliefde, de vrede gepredikt op aarde aan de mensen van goede wil, en nog altijd overheersen de gevoelens van haat, nijd en afgunst de harten van het tweedrachtig mensdom. Meer vrede onder de mensen, minder tranen !”.
Na de toespraak kwam monsieur Joseph naar mij toe:
– “Je vous félicite”, zei hij, “je n’ai jamais entendu un plus beau discours. On appelle cela un discours de haute moral. Une seule remarque, le Christ n’a rien à voir la dedans”. Lijk zovele vlamingen hoorde hij zichzelf graag frans spreken, en liet ook gaarne horen, dat hij een ongelovige was, uit pure hoogmoed. Het bewees immers dat hij slimmer was dan het lichtgelovig volk.
– “Och”, antwoordde ik, “de hele discours is niets anders dan praat voor de vaak. Niemand van al die hem gehoord hebben zal er straks nog aan denken. Ik zelf misschien ook niet”.

Protest
Meester Creten had in zijn tijd nog geen begrip voor vredige manifestatie.
De grote vacantie begon op de laatste zaterdag van Augustus, daags voor Sint-Truiden kermis. Dit werd zo geregeld omdat september de maand is van de aardappeloogst en het patattenrapen is kinderwerk. Op een hete augustusdag zaten wij in ’t lommer tegen de muur op de speelplaats. “Willen wij eens roepen : “Laat vacantie en geen prijs”, zei Frans Hendrix. Alle monden begonnen te schreeuwen “Laat vacantie en gene prijs”. Ik zag plots door het venster de meester opspringen. Ik liep de w.c. op. De meester kwam de speelplaats op gebul- derd : “Is dat soms mijn schuld dat de vacantie zo laat begint en de gemeente geen geld heeft voor prijsboeken. Ten andere, ’t zijn juist de hardste schreeuwers die de minste prijzen verdienen”. Hij joeg ze allemaal de klas in, waar ze op de knieën moesten gaan liggen.
Dat ellendig patatten rapen bedierf nog vele dagen van onze te korte vacantie. Er werd nogal veel beroep gedaan op de jongens van de rademaker. En daar de boeren klanten waren kan er moeilijk geweigerd worden. Wij verdienden daarmede vijf en zeventig centiemen per dag. Pieke Dupont is me die nog altijd schuldig. Toen het gedaan was tastte hij in zijn giletzakje : “Ik heb geen kleingeld bij”, zei hij, “ik zal u wel eens betalen”. Hij heeft het vergeten. Pieke was een zwetser, een veelprater. En wie veel praat moet veel weten of veel liegen. Hij praatte dan ook al eens naast zijn mond.
Op een keer stond hij met vader te praten in het werkhuis. Kapelaan Robbaerts, die thuis tegenover woonde, kwam ook wat meebabbelen.
– “Onze Lieve Heer is toch nie djus”, zei Pieke.
– “En waarom niet Pieter ?”
– “Wel, als wij boeren hooien regent het voortdurend en hebben wij niets dan bedorven hooi. En als de baron, die nooit naar een kerk gaat hooit, dan schijnt de zon dagen aan een stuk, en heeft hij droog en geurig hooi”.
– “Dat komt omdat gij toch maar een domme boer zijt”.
– “Hoe, een domme boer ?”
– “Wel, als gij een slimme waart, dan zoudt gij gelijk de baron hooien”. Pieke keek op zijn neus, hij wist niet meer wat zeggen. Ik had er plezier in.
Eens raapte ik aardappelen bij Minake Vanhueren. Felix Pulinx rooide. Hij was landbouwarbeider en ging hier en daar tijdelijk helpen. Hij was een braaf man, maar doodarm. Hij woonde onder een houtmijt, armelijker dan de pymeeën in het oerwoud. Hij vertelde van zijn bruiloft, hoe lekker hij toen gegeten had : “wij hadden een hele geit opgesmuld”, zei hij met zichtbare nasmaak. Zijn vrouw heette Katharine. Op een zondag onderweg de kerk, stapte ik achter twee welgestelde boerenzoons, Victor en Karel. Voor hen ging Katrien. Zij spankte een beetje met het rechterbeen. “Katrien heeft pijn aan haar been”, zei Victor. Karel meende eens iets geestig te zeggen : “Zij is van de kelderkamertrap gevallen en heeft haar knie gekwetst” zei hij. Katrien draaide zich om en ofschoon ze wat hakkelde, gaf ze daar het beste sermoen te horen, dat ik ooit van of een predikstoel heb gehoord. “Houdt een arme mens ook nog maar voor de gek, al is het dank aan de armen dat de rijken rijk zijn. Wij moeten uw werk doen voor drie kwartjes per dag. Naar de kerk gaan om op een goedkope manier in de hemel te komen, dat kunt gij, maar gij moet niet denken, dat gij met uw farizeeërstronie bij Onze Lieve Heer welkom zijt. Hij was ook arm, en wie met een arme spot, spot met Hem. Gij zijt geen Christen mens”. Victor en Karel voelden zich heel niet fier; zij keken sip.
De Mutsaard
Aan dat aardappelenrapen heb ik nog een herinnering. Ik raapte bij Line uit de Mutsaard. Daar raapte ook een meisje. Zij was twaalf of dertien jaar, ik een jaartje jonger. ’s Avonds in het naar huis keren mochten wij op de kar zitten. Ik lag met de buik lui en moede op een zak. In mijn broek was een scheur. De toot van mijn hemd kwam er door piepen. Zij trok mijn hemd er een eind door en lachte: “’t Is kermis, ’t is kermis, de vaan steekt uit !”
Maar ze zei me nog iets anders “Ik heb iets goeds van een jongen gekregen. Raad eens wat?”
– “Karamellen”, zei ik.
– “Neen”.
– “Nouga”.
– “Mis”.
-“Chocolade”.
– “Nog mis”.
Lekkerder den chocolade kende ik niets en gaf het raden op. Wij waren ook net aangekomen, en er was verder geen sprake meer van.
Voor een paar jaar kwam ik toevallig in een huis, waar datzelfde meisje, doch nu een oude, maar nog altijd knappe dame, zich bevond.
– “Zeg eens”, zei ik, “nu zou je me toch eens kunnen zeggen wat dat lekkers was, waar ik op die patattenkar tevergeefs naar raadde”. Zij schoot in een onbedaarlijke lach. “Die Bert was een plezante jongen”. Meer zegde ze niet, zodat ik er nog altijd naar gissen moet. Oh ! die eeuwige onzekerheid.
Van waar die naam “mutsaard” ? Vroeger hingen aan de meeste herbergen geen uithangborden. Om de aandacht te vestigen op de drankgelegenheid stak achter een kram in de deurstijl een palmtakje. Bij Line Creten, de tante van onze meester, moest die palmtak nog al volumineus geweest zijn. De sprankelende boerengeest doopte de herberg al gauw tot “In de mutsaard”. Als de jongemannen naar de herberg togen zongen ze wel eens :
In de Mutsaard moeten we zijn,
Daar staat boven de deur geschreven
Dat er drie Bobbinnekes zijn
Die drie Bobbinnekes waren Mie, Leonie en Christine, mooie meisjes. Mijn oom Henri, die we “Noenk-a-rie” noemden, trouwde met Leonie. Hun oudste dochter heette Christine (Stina). Zij was een paar jaren jonger dan ik, een echte schoonheid, zoals men er maar zelden op het witte scherm te zien krijgt. Wij waren zo’n beetje als zuster en broer, en dat groeide stillekes aan tot de goede gekende kalverliefde, welke gewoonlijk begint tussen nichten en kozijn. Die Stina verbleef meestal bij haar grootmoeder in de Mutsaard. Wij hadden een weide op de Stock. Als in de nazomer het gras begon te minderen moest ik de koeien dagelijks heen en weer drijven. Ik kwam dan voorbij de Mutsaard. Daar hadden ze een zwarte Dobberman. Als kenmerk van zijn edele afkomst had hij een bruin plekje boven ieder oog en een bruine keel. Zij droeg de aristokratische naam “Mylord”. Als Mylord buiten was, kwam hij me telkens achterna gebast tot voorbij de kromming van de weg. Daar sprong hij door de haag van d’Oyebeemd. Hij bleef daar nog een tijdje staan blaffen zo maar voor zijn hondenplezier en liep dan dwars door de beemd terug naar huis voldaan over zijn eigen stoutmoedigheid.
Van die achtervolging maakte ik zowel als Mylord een verzetje. Ik greep naar de grond, alsof ik een steen opraapte om hem naar het vette lijf te gooien. Dan moest je hem vierklauwens zien de benen reppen. Waarom moest die keer daar juist die ongeluksteen liggen. Ik greep hem, maar Mylord was al achter de haag verdwenen, waar hij mij in zijn hondentaal stond uit te schelden. Zonder dat ik hem zag staan, wierp ik de steen achteloos over de haag, niet denkend dat ik hem zou treffen, want voor geen geld ter wereld zou ik het lievelingshondje van mijn nichtje hebben willen letsel doen. Een gejank, een gehuil om er doof van te worden weerklonk achter de haag. Ik keek door een opening en zag Mylord als een tol op zichzelf draaien. Die verrekte steen was hem midden die twee bruine plekjes terecht gekomen. Ik meende dat hij ter plaatse ging doodvallen, en zorgde dat ik wegkwam. Hij was toch een beetje bijgekomen en naar huis gesukkeld, de schuur in waar ze aan ’t dorsen waren. Het schuim liep uit zijn muil, hij jankte vervaarlijk, draaide als een rad rond en deed alsof hij razend was. Als hij niet in het stro lag te wentelen zouden ze hem doodschieten. Dat vernam ik al eer ik aan Falkenbrug was. Daar kwam Stina me hijgend nagelopen. Maar ze had toch nog adem genoeg om mij de huid vol te schelden : “En als ik sterk genoeg was, dan wierp ik u hier in de Molenbeek”, zei ze. Zo gaf ze mij het bewijs, dat ze toch nog meer van haar hond hield dan van mij. Ik was jaloers op zijn lordschap.
Gelukkig waren wij kort bij het kasteel, waar haar meter kamerjuffer was. Daar ging Stina binnen om er niet bij te zijn als haar hondje zou doodgeschoten worden. Tot overmaat van ongeluk had ik in de Mutsaard een nieuw kostuum in de maak. De zoon Johannes was kleermaker. Die week moest ik gaan passen. Maar dat kwam van de lange berg. Hoeveel zondagen ik met mijn versleten pak naar de mis ben geweest weet ik niet, en hoeveel keren moeder mij geboden had om voor mijn nieuw kostuum te gaan, ook niet. Uiteindelijk moest het er toch van komen. Ik raapte al mijn moed bijeen, en dat was geen zwaar pakske en trok er op af. Toen ik de brug overstapte – het huis lag achter de d’Oyebeek – hoorde ik Mylord, die het er toch levend vanaf had gebracht, in de gang blaffen. En langs daar moest ik binnen. Hoe zou zijn verbolgen lordschap mij ontvangen ? Daar was ik verre van gerust in. Ik meende op mijn stappen terug te keren, maar overwoog dat het toch eenmaal moest gebeuren. En nu ik reeds de moed had opgebracht tot op de koer te komen mocht ik die inspanning niet laten verloren gaan. Ik kon in ieder geval eens tot aan de gehalveerde deur gaan, de bovenste helft stond open. Zo kon ik zonder gevaar zien, welke inzichten die dobberman tegenover mijn persoontje koesterde. In de gang stond een trap, die naar de zolder leidde. Toen mylord mijn tronie over de onderste deur zag verschijnen stiet hij een schreeuw uit, alsof hij weer een kiezel op zijn kop kreeg. In drie sprongen was hij de zolder op. Vandaar in de openstaande deur stond hij me toe te blaffen, dat het door heel het huis weerklonk. De schrik van Mylord deed mijn dapperheid de hoogte ingaan. Ik stiet de deur open, ook die van de woonkamer, waar Johannes op zijn stikmachine zat te trappen. Hier liep het ook beter af dan ik gevreesd had. Over het geval werd met geen woord gerept. Wel kreeg ik bij het aanpassen van de mouw een paar speldeprikken in mijn vel. Op mijn “oei” volgde geen beleefd pardon van Johannes. Zou hij het met opzet gedaan hebben, meen je ? Toen ik terug door de korridor naar buiten ging stond Mylord nog altijd boven aan de trap. Hij liet mij zijn tanden zien en gromde nijdig om mij goed verstaan te geven, dat hij het nog niet vergeten was. Ik stak mijn tong naar hem uit, en zette mijn voet op de onderste trede, alsof ik wilde naar boven gaan. Hij stiet een angstkreet uit en vluchtte verder de zolder op. Toen heb ik maar gemaakt dat ik weg kwam. Hij is mij nooit meer achterna gelopen. Wanneer ik daar voorbij kwam, en hij was buiten, dan draaide hij zijn aristokratisch achterste naar mij toe en ging op de drempel staan blaffen.
Die koeien brengen mij nog een ander voorvalletje in ‘t geheugen. Dat gebeurde wel een paar jaren vroeger. Ik was zeker niet meer dan een jaar of acht. Moeder moest op boodschappen uit.
– “Zeg, Jefke, wilt gij boter stoten terwijl ik naar Sint-Truiden ga ?”
– “Ja, mam”.
Hoe ongaarne ik het ook deed, ik kon moeilijk neen zeggen tegen moeder. Zij had het al zo kwaad met haar huishouden, haar beesten en haar bende kwajongens. Zittend op een stoel in de hoek van de keuken, de kroeg tussen de knieën begon ik de stomper op en neer te laten gaan. Kafoep ! kafoep ! ging dat bij elke stoot in de room. Honderd maal keek ik onder het deksel in, maar van die klont boter, gelijk ik moeder in de waskuip had zien bewerken was nog geen spoor te vinden. Wel zag ik op een bepaald ogenblik kleine klontjes boter drijven, maar ik meende dat het een hele blok moest worden. Men kan op die ouderdom toch alles niet weten. En dan ging het maar Kafoep ! kafoep ! met de rechterhand dan met de linker. Mijn armen deden mij op den duur zo pijn, dat ik er wel van gehuild zou hebben. Maar ik moest en zou boter hebben, als moeder thuis kwam. Het zweet droop mij van de kin af, maar ik kafoepte maar voort. Tot Sint-Truiden was het een uur gaans, een uur voor de boodschappen en een praatje met Mieke en Stina, haar zusters, dan nog een uur voor de terugweg, dat maakt drie uren. Ik liet een diepe zucht van verlichting toen ik moeder hoorde thuiskomen.
– “Wat, zijt gij nog altijd aan ’t stoten ?”
– “Ja, mam”.
– “En hebt gij de boter nog niet ?”
– “Neen, mam”.
Zij hief het deksel op “Gans kapotgestoten” klaagde ze. In plaats van boter had ik creme-foitée. Verdomme ! Als je wil weten hoe dapper ik die ene keer in mijn leven ben geweest, dan moet je maar eens drie uren aan een stuk kapoefen. Dan zal je het wel weten.

Gezin Fabry-Knapen omstreeks 1930 gefotografeerd in hun boomgaard achter het huis in de Kogelstraat.
Zittend: Leopold, Christine, vader Henri, de jongste Marcel, moeder Leonie, Renier en Anna.
Staand: Henriëtte, Louise, Fons, Jozef, Marieke, Casimir.

Oom Goris
Dat is een van de laatste mij bijgebleven herinneringen uit ’t geboortehuis. Ik heb je reeds gezegd dat het toebehoorde aan tante Stina. Haar echtgenoot, voor ons “Noenk-Goris” was liever lui dan moe. Gelukkig was hij nogal rijk. Hij verkocht zijn huis in Sint-Truiden en kwam in Zepperen rentenieren. Wij moesten dus verhuizen. Vader kocht een oude schuur met enkele aren grond in de Kogelstraat in dezelfde buurt. Daar bouwde hij een nieuw huis.

De buurt van het ‘Kerkplein’ bij de kerk en het ‘Dorpsplein’ bij de Dikke Linde, voor de aanleg van de betonweg in 1936
— (nieuwe weg), *(oud huis Goris Smets), X (nieuw huis Alfons Schoofs)
Voor de Truienaren waren de dorpelingen allemaal stommerikken. En zij waren voor ons van de eerste tot de laatste “groene Truienaren”. Oom Goris was werkelijk zo’n “groene”. Daarmede zal je ’t eens zijn als ik je ’t volgende vertel. Maar ik moet weer een sprong vooruit in de tijd maken. Het gebeurde, als mijn geheugen mij niet bedriegt, in ’t jaar negentien. Er was een invasie van rupsen, gelijk er bij ons nooit een te zien is geweest. Het begon in de weide van Gilissen. Bomen en hagen stonden in korte tijd zo kaal als in de winter. Alleen een esdoornstruik bleef onaangeroerd, die lustten de fijnproevers niet. Met miljoenen trokken ze van de ene weide naar de andere. Als bij wonder stond de boomgaard van oom Goris nog in zijn volle bladerpracht, toen de omliggende weiden hun winters uitzicht herkregen hadden.
– “Dat is kurieus”, zei ik tegen hem, “dat rupsen uw weide voorbij zijn gegaan”.
– “Dat komt omdat de mensen geen “geloef” hebben”, zei hij.”Ik ben in drie hoeken van de weide het Sint-Jansevangelie gaan bidden en langs de vierde hoek zijn ze allemaal buiten getrokken”. Dat zei hij niet voor de grap, hij meende het, hij was erg godsdienstig, tot het groene toe, zoals je merkt. Ik weet niet langs welke hoek of kant de legioenen rupsen zijn weide zijn binnengedrongen, maar daar stonden ook zijn bomen op een goeide dag zonder een blad.
– “Wel, noenk-Goris”, zei ik, “de rupsen hebben zich niet veel aangetrokken van uw litaniën. Zij vonden in de omtrek geen eten meer, dus moesten zij wel terugkomen”.
Oom Goris was onze man. Hij was nog een kwajongen net als wij. Niet dat hij te kort aan hersens had, maar hij was jeugdig van hart gebleven. Een herberg bezag hij nooit. Hij zocht zijn verzet in de vrije lucht. Hij ging op jacht. Hoe dikwijls heb ik met hem meegeslopen in het veld, bos en weide. Dan mocht ik ook al eens een schot lossen. In de herfst, in de trektijd der vogels, lag hij met zijn dubbele net in .’t veld. Daar zat ik bij hem in het hutje van twijgen en opgeschoten bietenloof. Ik mocht dan aan het koordje trekken, waaraan de lokvogel te fladderen hing. Wat heb ik dat beestje geplaagd ! Hij hield de touwen van het net strak in de handen, en het fluitje tussen de lippen: “Psie ! psie !” deed het fluitje gedurigaan. Onze ogen verlieten de luchtruimte niet, en onze oren vingen ieder vogelstemmetje op. De spanning verliet ons geen ogenblik. Heerlijk ! De spanning steeg ten top, wanneer een vlucht mertjes, leeuweriken of andere vogeldiertjes over het net scheerde en door een ruk van oom aan de touwen er onder te fladderen lagen. Je voelde het angstige hartje tot brekens toe kloppen, als je ’t gevangen vogeltje in de hand hield. Maar wat kan het de mens schelen de dood op het lijf te jagen, als hij zelf er maar plezier aan beleeft. Tot zelfs in hun slaap konden wij de beestjes niet met rust laten. Bij donkere avonden en nachten trokken wij er op uit. Oom had tussen twee lichte staken een net gehecht. Daarmede ging hij aan de ene kant van de haag staan en ik naast hem met het zakje. Armand stond aan de andere kant met een stok. Als oom gereed stond met de net, dan schuifelde hij stillekes tussen de tanden “psie”. Dan sloeg Armand in de haag en Oom ving de vluchtende vogels in zijn net op, als het lukte. In het naar huis keren lieten we de beestjes weer vliegen. Het was ons meer te doen om de geheimvolle, nachtelijke zwerftocht. De wereld is zo heel anders bij nacht dan bij dag. Men voelt zich zo klein in de eindeloze diepte onder de hoge sterrenhemel, waar geluidloze wolkjes op de boorden verzilverd voor de lichtende manecirkel voorbij schuiven. Men luistert naar de stilte. Haar geheimenissen vullen het hart met droombeelden. Bomen en struiken nemen een spookachtige gestalte aan, en de kruiden geven je.de volle maat van hun balsemende geuren. De wereld is zo heel anders in het duister dan bij dag, wanneer het drukke geroezemoes van de op geld jagende mens de zinnen verstompt, oog en oor en hart sluit voor de heerlijkheid van de wonderbare schepping. Een nachtelijke tocht is mij in ’t bijzonder bijgebleven. Wij vertrokken bij de eerste duisternis. Wij liepen langs alle hagen van af de Honsberg, naar het voorhof, Beurs,. Ulbeek, Aiken. Voorbij het Wolfke had oom een weide. Daarin had hij een nieuw huis in aanbouw. Deuren en vensters stonden in, maar binnen was het nog niet afgewerkt. Daar gingen wij de nacht doorbrengen. Op de zolder lag een matras. Oom nam een flesje, zette de vinger op de hals, draaide het om en maakte zich een kruisje. Wij moesten het zelfde doen. Het eerste wat hij ingehuisd had was een flesje wijwater. Toen strekten wij ons naast hem op de matras uit, en sliepen dadelijk als een roos in na een wandeling van meer dan twintig kilometer. Wie kan zeggen dat hij zo’n beste oom heeft gehad !
Toen hij drie en zeventig was, heeft hij een hersenbloeding gekregen. Ik stond aan zijn sterfbed. Hij glimlachte naar tante, zijn kinderen en mij, hij glimlachte tegen de dood. God hebbe zijn argeloze kinderziel.
Vogels
In de klas hing een tableau met de foto’s van de nuttige vogels. De meester trad streng op tegen de barbaren, die het nest van een dezer beschermelingen durfde roven. In de weide van Gilissen stond een oud scheefgezakt appelboompje. In een gat woonde een spreeuw. Armand zat op de tak met een vorkje in het nest te draaien om het er uit te trekken. Daar stak opeens de veldwachter zijn kop boven de haag uit.
-Wat zijt gij daar aan ’t doen ?”
– “Niets”, zei Armand.
– “Jawel, wat haalt gij daar uit ?”
– “Pjadswossels”. (paardenhorzels)
– “Dan zijt ge nogal kloek. Zorg eens dat ge uit de weide komt, of gij hebt een proces-verbaal”.
In die weide speelden wij eens met een tiental bengels uit de buurt “boere-boer”. Bij dat spel gaan alle jongens tegen een boom staan, behalve ene. Deze roept dan tegen een makker “boere-boer”.
– “Ik ben geen boer”.
– “ Wat zijt gij dan ?”
– “Een herekind”.
– “Weg dan daar”.
Dan moeten alle jongens van boom verwisselen. Er ‘schiet telkens één over. Deze moet dan op zijn beurt “boere-boer” roepen. Geen spel blijft lang duren, er moet afwisseling komen. Wij zouden gaan “baren”. De twee kampen moesten ingedeeld worden. Het lot moest de partijen aanduiden. Daartoe hadden we een paar kinderrijmpjes. De deelnemers gingen in een kring staan, een in ’t midden. Deze zegde het rijmpje op en tikte bij iedere lettergreep een jongen op de borst.
Bol-le-ke-bol-le-ke
Ie-le-bol-le-ke
Bol-le-ke-bol-le-ke
Ka-naai.
Wie de “naai” op de borst kreeg moest dan uit de groep aan de ene kant gaan staan. De volgende aan de andere kant. Andere rijmpjes waren ook in gebruik.
Achter de Kapucinnessen
Daar lag een hondje dood.
Daar kwamen zeven vliegen
Om ’t hondje te bedriegen.
Het hondje nam zijn slenke poot
En hoodde (sloeg) ze al zeven dood.
Wij stonden dus in een kring opgesteld. Tussen het “bolleke bolleke ielebolleke” door hoorde ik een schril stemmetje, dat opsteeg uit het gras. Ik keek toe en daar zag ik een vledermuis, het kopje opgerecht, het muiltje met de kleine tandjes wijd open, jammerkreetjes uitstoten.
– “Kijk daar eens, mannen”, zei ik, en wees hen met de vinger naar het hulpeloze beestje. Ik weet niet, wie de eerste was, maar daar stoof er een weg, en de ene na de andere stormde hem achterna, en toen nam ik ook de benen. Tien dappere belgen sloegen op de vlucht voor een armzalig vledermuisje. Het was per ongeluk op de grond terecht gekomen, en bij gebrek aan poten om zijn loop of wip te nemen gelijk een vogel, kon het niet meer de lucht in. Ik heb dikwijls terug gedacht aan dat nuttig muisje, en altijd spijt gehad niet zo dapper geweest te zijn het uit zijn benarde toestand geholpen te hebben. Het heeft daar de ellendige hongerdood moeten sterven. De vleermuis had in die tijd maar een slechte faam. Zelfs de heksen waren er in de volksmening voor beducht. Thuis op de schuurpoort heeft lang zo’n gemummifieerd diertje gehangen. Dat diende om, de “kwade hand” uit schuur en stallen te houden.
’t Is merkwaardig hoe gemakkelijk de menselijke geest afdwaalt wanneer het bovennatuurlijke zaken betreft. In de namiddag van Palmenzondag gingen pa en mam, en ik ging altijd mede, naar het veld. Daar gingen ze op onze graanakker palmtakjes steken op de plekken, waar de tarwe of rogge armtierig stond. Zij verwachtten daarvan een vruchtbaarder oogst. Een zak nitraat zou beter te pas gekomen zijn. Ook tegen brandgevaar werd die gewijde palm aangewend. Moeder wierp een takje in de stoof en daarmede kon men een jaar lang gerust zijn : langs de schouw zou geen vuur ontstaan en zou de bliksem niet inslaan.
En dan vinden wij de Indiers belachelijk, omdat zij heilige koeien, slangen en apen vereren om hun ziel te reinigen in de vuile, besmette wateren van de heilige Gangesstroom. Ons geestesleven hangt in de eerste plaats of van het milieu, waarin wij geboren worden en opgroeien. Wie een ander niet doet, wat hij niet graag heeft dat men hem doet, heeft het bij het rechte einde, welk geloof hij ook belijdt. Met deze humane leefregel had ik drie keer o.a. helemaal geen rekening gehouden. Japke, Felix, jongens van mijn klas, en ik waren in de weide van Gilissen aan ’t spelen, toen wij in een appelboom een gat zagen. Daar kon een mus in wonen, zei ik, ik ga eens kijken. Ik klauterde aan de stam op en keek in het grote gat. Twee vlugge, jonge uilen staarden me met hun ronde ogen aan.
– “Uilen”, riep ik naar beneden. “Het zijn er twee, ik zal ze naar beneden werpen, maar ik moet er een van hebben, ik ben op de boom geklommen. Voor de tweede kunt gij kort of lang trekken”. Japke pakte de eerste, Felix de tweede. En daar gingen zij ermede op de loop. Ik liet mij vlug langs de stam naar beneden glijden, en rende hen achterna. Halfweg de Grote- en de Kleine-Linde kreeg ik Felix te pakken. Ik wierp hem tegen de gracht van Peter Mommen.zijn weide, en zette mijn knie op zijn borst.
– “Hier mijn uil”, snauwde ik hem toe.
Maar hij loste niet. Toen greep ik hem bij de keel en neep: “Ik wurg u als ge mij de uil niet geeft”. Hij gaf nog niet toe. Ik neep wat harder. Hij stak zijn tong uit. Rechtuit gezegd ik had toch wat medelijden met dat triestig gezicht, daar onder mij. Maar de valse toer die ze met mij uithaalden, maakte mij razend. Felix had maar één oog. Die rode, ledige holte was erg ontsierlijk. De overgebleven oogappel was zo dik, dat hij uitpuilde. En dan die tong die verre uit zijn openstaande mond stak. Waarlijk er zijn mooiere portretten. Ik zou hem laten gaan hebben, maar ik wilde mij niet gewonnen geven. “Als ge me nu niet direct de uil geeft maak ik u kapot”, dreigde ik. Felix gaf de vogel af. Ik was blij, dat ik hem kon loslaten. Blijer geloof ik, dan ik was met dat uilejong. ’s Anderendaags lag het dood in de kooi. Had ik ze maar in hun nest gelaten. Over die domme, harteloze streek ben ik heel niet fier.
Ik had van Peter Mommen eens een uil gekregen. Hij zat in een lange grote kooi. Wij vingen muizen voor hem. In de speen en op andere plaatsen stonden daarom vallen opgesteld. Armand en ik vermaakten ons vaak met die uil te doen koersen. Dan ging mijn broer aan ene kant van de kooi staan en ik aan de andere. Beurtelings staken wij een vinger door de sponnen. Daar liep de dwazerik op af, gedurig aan van de ene kant naar de andere. Ja, je kunt er maar plezier in vinden de beesten te tergen.
De mensen plagen elkander ook wel eens graag. Die Felix brengt me zo’n plagerijtje in herinnering. Moeder heeft het mij verteld. De vader van Felix, Gerardus Leunen woonde als knecht bij haar moeder. Het menu in die tijd was niet erg afgewisseld, spek met pataten en als afwisseling pataten met spek, overgoten met melk- of ajuinsaus. Gerardus was een fiere jongeman. Op zaterdagavond waste en schoor hij zich properkes. Dan had hij bij het avondmaal niet graag ajuinsaus. Het was gemakkelijk te begrijpen dat feit in verband stond met zijn vrijage. En zo begreep mams moeder het ook. Zij zou geen zuster van Lamme zijn geweest, als zij daar geen gebruik van maakte om Gerardus wat te plagen. Op zaterdagavond was het dan ook dikwijler dan op z’n beurt pataten met ajuinsaus. Gerard mompelde dan eens binnensmonds, begaf zich naar de schapraai en haalde brood, spek en boter. Grootje verkikkerde zich aan dat onnozel grapje.

Henri ziek
De narigste herinnering van heel mijn kindertijd is de ziekte van mijn broertje, Henri. Dat was zo’n lieve jongen, met een paar zwarte karbonkels van goedige ogen in de kop. Hij was toen zes jaar, ik negen. Wij speelden paardje. Ik vaarde hem met een touwtje aan de arm, en zo draafden wij de straat af naar d’Oye. Het was een hete zomerdag. Wij hadden het warm. Om ons te verfrissen speelden we klompen en kousen uit, rolden de broek op en stapten de heldere beek in, die daar aan de bron ontspringt en heel het gehucht van zuiver fris water voorziet en begonnen in ’t water te badderen. Het duurde een hele tijd eer we terug naar huis keerden. ’s Anderendaags was Henri ziek. Onze huisdokter werd ontboden. Zijn geneesmiddelen brachten geen verbetering. Een tweede dokter werd erbij geroepen. Hij diagnostikeerde hersenvliesontsteking, schreef mostaardplaatser op en ijs voor om op het hoofd te leggen. Toen vader met die produkten thuis kwam, durfde hij die straffe middelen toch niet gebruiken. Gelukkiglijk !
Onze buurvrouw, Karoline, kwam binnen terwijl de dokter met de pols van Rikske in de hand stond. Onder haar ruw en onbehouwen uiterlijk droeg zij een goed hart.
– “Menhier doktoer, weet djie nie wa da jungske het ?”
– “Weet gij het vrouwtje ?”
– “Hie hèt het vliegende jecht, begot, djus gelek menne Nolle gehad hèbt”.
Of de dokter daarop voortgegaan is, weet ik niet. Hij schreef toch een andere remedie voor. Maar in die tijd bestonden er zo weinig afdoende geneesmiddelen. Moeder vroeg mij een negende te doen aan de Witte-Lieve-Heer. Zij was er vast van overtuigd, dat ik aan Hem mijn leven te danken had, die keer dat ik met dat stuk in mijn kraag terug gekeerd was, toen ik bijna aan dat kristusbeeld kwam. Was ik daar de straat op gelaveerd, dan zou ik zeker in de Molenbeek, die er langsheen loopt, verdronken zijn. Dat stond bij haar rotsvast. Ik ging dan iedere dag op de knieën aan die Lieve-Heer smeken mijn broertje te genezen. Het werd erger en erger. Op een nacht kwam mam aan de trap van de kelderkamer, waar wij sliepen, staan. Met een van smart gebroken stem, zei ze :
– “Nu zal Rikske morgen niet meer leven. Hij kan maar een arm meer verroeren”. Ik begon onbedaarlijk te huilen. Daar kreeg ik een mep op mijn kaak, dat ik ervan duizelde. – “Houd uw mond dicht, en laat mij slapen”, gromde Armand. Ik verborg mijn gezicht in het kussen en snikte in stilte voort. Hield Armand dan helemaal niet van zijn broer, en gaf hij er niets om hem te zien sterven ? Och ! Jawel. Moest een van zijn broers onder de poten van een razende hond gelegen hebben, hij zou geen ogenblik geaarzeld hebben om het dolle beest met eigen handen te wurgen. Maar sentimenteel doen, aan een gevoeligheid toegeven, neen dat deed hij niet, dat wilde hij eenvoudig niet. Maar toch, die mep op dat triestig ogenblik, had hij wel kunnen bij zich houden, al was het dan een te spontane reactie tegen de gevoelens die hemzelf bestormden. Ik zou hem die wel eens betaald zetten. Slapen kon ik niet. Ik was al vroeg onder bij mam en Rikske. Hij leefde nog. En hij is blijven leven. Langzamerhand werd hij beter. Ik ben nooit zo gelukkig geweest, als toen hij weer rechtop in bed zat te spelen met een zilveren vijffrankstuk, dat pa hem gegeven had. En pa ook, die ik meende voor niets gevoelig te zijn, straalde van blijdschap. Dat kon je zien aan zijn neusvleugels, die stonden dan wijd open en trilden.

Werken aan de kerk
Rond de eeuwwisseling werden er grote herstellingswerken uitgevoerd aan de kerk. Buiten en binnen stond ze vol stellingen. Daarmede verloor ze haar plechtige ingetogenheid en onze heilige eerbied. Zij werd ons uitverkoren speelterrein tot grote verontwaardiging van pastoor Derie. De brave man was oud geworden, kaal, grijs en gebogen. Hij boezemde ons geen angst meer in. In die doolhof van stellingen, banken en stoelen kon hij ons toch niet te pakken krijgen. Die “ons” waren Adolf Mommen, bijgenaamd “krol”, één van de een-en-twintig afstammelingen van Rikus. August Mommen, bijgenaamd “de Wiele” (wilde), zoon van Edouard. Dan was er Armand, die men ook wel “de zwarte” noemde en ikzelf. Wij vormden de kopstukken van de bende kwaaddoeners. Soms kwam er een toevallige medeplichtige uit de buurt bij.

Zepperen kerk noordkant met koetsiershuisje (repro Ilsbroekx)

Edouard was schrijnwerker. Hij werkte in een atelier te Luik. Hij woonde in het kleine huisje, dat gedeeltelijk in het kerkhof ligt. De voorgevel geeft uit op het voetpad naar d’Oye. De echtgenote van Edouard stierf jong, al te vroegtijdig voor de vier kinderen, waarvan de oudste August, pas twaalf jaar was. De twee jongsten, Fanny en Walter werden bij familie opgenomen. De twee oudsten bleven in het huizeke gans de week alleen. De vader moest om den brode naar Luik, en kon alleen de zondag thuis komen. In dat huisje hadden wij onze gewone pleisterplaats. Daar waren wij thuis, meester over ons eigen doen en laten. De Wiele, Krol, Armand en ik kwamen weer eens in de kerk aangeland.
– “Wil ik eens gaan preken”, zei de Wiele.
Hij beklom de stoel der waarheid, spreidde de armen breed uiteen, en riep met voile stem : “Dominus van Bisschop”.
– “Wacht rekels”, hoorden we plots de stem van de pastoor achter ons, “ik zal u dominussen !”
Gust was in een paar sprongen beneden. De pastoor zat hem achterna. Maar voor een oud man was het natuurlijk onbegonnen werk een tienager in te halen. Wij vluchtten de kerk uit en naar het huisje. De pastoor moet die keer wel erg uit zijn scharnieren gesprongen zijn, want hij kwam ons achterna. Wij stormden langs de trap in de achterkamer de zolder op, klapten de valdeur dicht en trokken er de vleeskuip op om ze te verzwaren. De heilige gramschap gaf de pastoor echter dubbele kracht. Hij zette zijn nek onder de deur en begon te heffen. Met kleine schokjes gelukte hij erin de vleeskuip naar achter de schuiven. Wij zagen reeds de helft van zijn eerbiedwaardig, blinkend hoofd.
– “Pas op, meneer pastoor”, zei de Wiele, “gij gaat uw nek breken”.
– “Wacht maar, deugenieten, gij zult zien wie zijn nek zal breken. Nu heb ik u te pakken”.
– “Daar wachten wij niet op, meneer pastoor”.
Een klein venstertje gaf uit op het kerkhof. Dat stond maar een paar meter boven de grond. Het huisje was laag en stak wel een meter in de kerkhof. Eén voor één sprongen we door het venstertje in de mulle kerkhofaarde. Dat was helemaal geen halsbrekerij. Wij liepen naar de voordeur en de Wiele deed ze op slot. Mijnheer pastoor zat in de val. Wij trokken naar d’Oye waar we een paar onschuldige uren doorbrachten. Toen wij terug keerden zagen wij het venster open staan. Het zal meneer pastoor heel wat meer moeite gekost hebben om langs daar naar buiten te kruipen, dan wij om door het zoldervenstertje te wippen. Toen wij binnen kwamen stond de haan op tafel. Een korst brood had hij uitgehold, en nu stond hij in een kom vet te pekken om dat brood te smeren. Gust wierp met zijn muts naar hem. Het verschrikte beest vloog met een luid “Kok! kok !” het venster uit langswaar hij was binnen gekomen. De zolder van de kerk had een bijzondere aantrekkingskracht voor ons. Wie liepen er holder-ka-bolder over het golvend bogengewelf, klommen in de labyrint van balken en staken halsbrekende toeren uit. Daar verraste de pastoor zijn kwelgeesten weer eens. De koster was ditmaal bij hem. Hij bleef in de deur staan om de aftocht af te snijden. Maar toch kreeg de pastoor ze weer niet te pakken. Armand voorop kroop door een dakvenster de goot in. De nieuwe sacristij was afgemaakt en de stellingen waren afgebroken op één na, een wankele, die nog op vier stijlers stond, en nergens aan vast gehaakt was. Daar lieten ze zich op levensgevaar aan af. Die “ze” waren: Armand, de Wiele, Krol en Gustaaf Helaers. ’s Anderendaags stond de pastoor in zijn sacristij. Hij trok het misgewaad over het hoofd, toen hij plots buiten een hevig gekraak hoorde. Hij deed de buitendeur open en daar lag de omgevallen stelling stuk tussen de graven.
– “En zeggen”, sprak hij tot de misdienaar, “dat die vlegels nog een engelbewaarder apart hebben !”
Die keer was ik er niet bij geweest. Ik zat in de barak die tegen de kerkhofmuur was opgebouwd. Daar verbleef ik vele uren. Ik keek er naar de steenkapper en zijn werk “Désiré, heette de man. Hij was niet meer zo jong. Hij had een kop vol borstelige grijze haren. Ik vond hem sympatiek. Hij joeg mij daar niet weg, ofschoon ik al eens in de weg stond, want ik wilde hem van dichtbij bezig zien. Ik wist niet wat in me omging, maar ik stood in bewondering voor de sierlijke, gotische vensterbogen, die onder zijn beitel uit die marmeren blokken te voorschijn kwamen. En dan die gebeeldhouwde steen die boven de kerkdeur prijkt. Hoe verrukt zag ik die vorm krijgen. Als Désiré in de barak aan ’t werk was, ging ik niet met de andere jongens mede. Jammer dat hij een waal was. Wij konden met elkaar weinig of niet verstaanbaar praten. Hij had na maanden een beetje Zeppers geraapt. Het enige wat ik onthouden heb van wat hij in ’t vlaams zegde is : “hie bekik mich en kik zoe”. Er was namelijk een werkman binnen gekomen, die erg scheel over zijn neus heen keek. Toen deze de barak verlaten had, wendde Désiré zich tot mij, wees met zijn wijsvingers kruiselings over zijn reukorgaan en zei op zijn manier “Hij bekijkt mij en kijkt zo”. Het frans dat ik op school geleerd had, hielp mij ook nog niet om aan Désiré te vertellen, hoe mooi ik zijn beeldhouwwerk vond, en hoe graag ik dat ook zou leren. Hij zou het zeker gek gevonden hebben, moest ik, om wat te zegen, aan ’t opdreunen zijn gegaan : “J’aime mon père, ma mère, etc.” Als ik binnen kwam groette ik “Bonjour Désiré”. “Bonjour mon petit ami”, antwoordde hij dan. Daarmede was alles gezegd. Désiré kapte en ik keek naar elke beitelslag.

Kerk zonder traptorentje, met kleine ingang en torensteunberen (dia Govaerts voor 1898)

Désiré is de eerste waal geweest, van wie ik heb gehouden. De tweede was een walin, mijn allerliefste Suzanne. Natuurlijk heb ik haar pas vele jaren later leren kennen en waarderen. Toen kon ik het werkwoord “aimer” vervoegen in alle wijzen en tijden, in de lijdende en bedrijvende vorm, met zijn superlatieve bijwoorden “tendrement”, “passionement” en zo meer van die sentimentele ontbloezemingen waar een meisjesoor zo graag naar luistert. Het heeft niet erg lang geduurd of zij kon het evengoed in ’t vlaams. Zij spreekt onze taal zo goed als eender wie. Alle dagen maakt zij tijdens het koffieuurtje het kruiswoordraadsel op uit het “Laatste Nieuws”. Zij schrijft zonder een enkele fout, de dt heeft voor haar geen geheim. Zij lacht ermede als iemand zegt dat het vlaams moeilijker te leren is dan het frans. Daarenboven is ze vlaams gezind, omdat ze de toestand in ’t land kent, omdat zij de betrachting van de Vlaming begrijpt en onpartijdig oordeelt.
Maar ik bevind mij in het heden, keren we terug naar het verleden, naar de kerk, niet om te bidden, maar om te ravotten. Armand en ik gingen er naar toe om de speelmakkers op te zoeken. Zij waren er niet. Er was die dag ook niemand aan ’t werk. Wij waren dus alleen. De toren hadden wij van binnen nog niet gezien, die zouden wij eens gaan exploreren. Langs de nieuwgebouwde wenteltrap kwamen wij in de klokkentoren. Daar hingen twee klokken, de ene groter dan de andere, te wachten tot iemand aan de koord trok om hun bronzen stem te laten horen. Wij hadden wel gaarne die zware klepels eens doen bengelen, maar wij weerstonden aan die bekoring om onze tegenwoordigheid op die verboden plaats aan de pastoor niet te verraden. Wij inspecteerden het grote uurwerk, dat sinds jaar en dag stilstond. Kwadejongens beweerden dat de koster ze opzettelijk stuk maakte om ze niet te moeten opwinden. Wij waren verbaasd over het geweldig raderwerk. Het hing vol stof. Wij duwden eens aan dit en dat rad, maar kregen er geen beweging in. Plots schrikten wij. “Psjuut, Psjuut !”, hoorden wij iemand dreigen. Wij keken naar de deur of iemand was binnengekomen, gingen er naartoe om te zien wie de trap opkwam. Wij hielden de adem in en luisterden. Niemand te horen of te zien. Daar klonk het weer achter ons : “Psjuut, psjuut !”. Wij keken om, wij keken rond, nergens iets te zien. En weer klonk met een schor, diep keelgeluid : “Psjuut !, Psjuut!”. Dat klonk zo spookachtig in de geheimzinnigheid van de stilte om ons heen. Wij voelden ons niet op ons gemak, en waren er niet verre van af de trap af te hollen, toen de geheimzinnige stem zich weer liet horen, juist boven ons hoofd, op een balk in het hoekje tegen de muur in het halfduister. Daar zat een kerkuil. Met opengesperde bek, gelijk een in ’t nauw gedreven kat, blies hij ons zijn verontwaardiging toe, dat wij zijn dommelende, dromende rust hadden verstoord. Het eerste het beste dat wij vonden wierpen we hem naar zijn dikke kop omdat hij ons zo aan ’t schrikken had gebracht. Hij vloog de galmgaten uit, en wij voelden ons opgelucht. Langs een ruwe, wankele ladder klommen wij hoger de torenspits in. Al balken wat men zag; dikke eiken balken, kruiselings over elkaar, kunstig ineen bevestigd. Wij klommen van de ene balk op de andere. Ongeveer midden in de toren aan de achterkant ontdekten wij een raampje. Wij stieten het open en keken vandaar de ruimte in. Verre in het ronde konden wij over bomen en daken heen zien. Dat was een sensatie. Maar de grootste sensatie moest nog komen.
Armand keek omhoog langs de toren op. Daar kreeg hij de ijzeren haken in ’t oog, die op kleine afstanden stonden tot aan de spits van de toren.
– “Daar ga ik eens op”, zei Armand, “Ik wil eens zien of die bol zo dik en die haan zo groot is, als men zegt”.
Ik wist dat het onnodig was te proberen hem van zijn roekeloos besluit te doen afzien. Hij had gezegd, dat hij naar boven ging, dus ging hij. Daar was hij al aan ’t klimmen van haak tot haak. Ik hield mijn hart vast. Hoe waren die haken vastgehecht ? Misschien maar met een paar nagels in de plankenbedekking. De oude toren was een halve eeuw vroeger afgebrand en vervangen door de huidige. Sedert die vele jaren konden die nagels wel doorgeroest zijn. Ik hield me gereed om hem zo mogelijk te pakken, moest hij afgetuimeld komen. Maar hij kwam niet afgetuimeld. Daar stond hij al op de glimmende koperen bol, met de handen hield hij zich vast aan het kruis. Daar stond hij vijf en veertig meter hoog, alsof hij op de begane grond liep.
– “Jef”, riep hij, “hier moest gij eens komen kijken. Ik zie heel Sint-Truiden en alle dorpen in de omtrek”. Dat was hem nog niet hoog genoeg. Hij klom aan het kruis op en ging op de armen staan.
-.”Wat staat gij daar naar de hennen van de pastoor te loeren ?”, hoorde ik hem zeggen tegen de koperen haan. Keer u eens om”. Hij sloeg tegen de staart, dat hij wel twintigmaal om zichzelve draaide.
Het was maar goed dat die haan scherp van rug was, Armand had anders evengoed op zijn rug kunnen gaan paardje rijden. Toen schreeuwde hij dat heel het kerkplein horen kon “Kuke-lu-re-ku ! Ku-ke-lu-re-ku !” Melanie, de moeder van Krol, stond in haar deur. Zij keek naar het haantje op de toren, dat ze voordien nog nooit had horen kraaien. Zij zag Armand op zijn hoge post, zij sloeg de magere handen ineen, haar kin beefde van alteratie.
– “Dat arm Wanneke”, klaagde ze, “seffens valt haar deugeniet zich morsdood op de stenen voor de kerkdeur”.
Weldra stonden al de mensen van het kerkplein samen gegroept met verstomming te kijken naar die acrobaat op de toren. Armand greep de armen van het kruis vast, en sloeg de benen zijdelings uiteen, gelijk een speelgoed-jantje-klaas. Dan zette hij zich op de bol neer, sloeg de benen om het kruis, en liet zich de kop naar beneden overrug hangen. Daarna deed hij zich terug recht en kwam langs de haken weer terug naar beneden en kroop het deurtje binnen. Ik liet een diepe zucht van verlichting.
Mijn vriend Knuts
Neen, van angst of vertige had de zwarte geen last. Ik wel! Dat heb ik eens ondervonden, zoals we verder zullen zien. Armand Knuts en ik zaten naasteen in de katechismus. Wij waren dus een paar en dikke vrienden. In die tijd deden de jongens hun eerste kommunie op twaalfjarige ouderdom en de meisjes één jaar vroeger. Waarom dat verschil ? Omdat de meisjes ondeugender waren en eerder de genade van de H. Kommunie nodig hadden. Zo legden wij dat uit om de meisjes van antwoord te dienen, als zij ons voor dommeriken uitmaakten, omdat wij een jaar langer moesten wachten. Dat “paar zijn” betekende dat de ene bij de ander ’s middags ging feestmalen. ’s Namiddags en ’s avonds was het dan bij de andere ouders aan de beurt. Dat waren toen geen bruiloftsmalen gelijk de dag van vandaag. Een hen in de pot of een konijn, een hele oven zelf gebakken vlaai, daarmee was het afgelopen. Hoogstens werd er een varken geslacht bij mensen die het doen konden. Maar regel was dat niet. Er waren veel meer arme mensen dan andere. Maar ze waren niet minder tevreden en gelukkig.
Armand Knuts en ik waren dus “paar”. Dat brengt een aparte vriendschap mede, die gewoonlijk levenslang is. Ondanks onze later uiteenlopende opinies zijn wij vrienden gebleven. Knutske had een kletskop. Toen hij nog heel klein was, kwam hij eens tegen zijn moeder, die een kom heet vet wegdroeg, aangelopen. Het ziedend vet stortte op zijn hoofd, verbrandde zijn schedel en zijn haar was weg om nooit meer terug te komen., Hij zou geen lelijke jongen zijn geweest, als hij die glazen pan niet op zijn dak had. Wij zaten dus naasteen in de katechismus, en dat doet er mij aan denken, dat ik die keer ook beter zo’n kletskop had gehad. Pastoor Dery wilde ons de ergheid van de doodzonde doen begrijpen.
– “Wat is het ergste”, vroeg hij, “pest, cholera, hongersnood, oorlog of doodzonde ? Gij Schoofs”. Er was niet veel verstand voor nodig om te begrijpen dat mijnheer pastoor de doodzonde bedoelde. Maar ik oordeelde er anders over. Van pest, cholera, oorlog en doodzonde had ik nog geen last ondervonden. Maar hongersnood dat moest iets verschrikkelijks zijn. Aan honger hebben heb ik altijd een hartsgrondige hekel gehad. Niet dat wij thuis geen eten hadden. Goddank wel. Maar ik zat vaak ergens op het einde van het dorp in het veld, weide of bos te spelen tot ik rammelde van de honger. Dan moest ik de pret stopzetten, en naar huis hollen. Ik had ook moeder eens horen vertellen van een jaar, dat de aardappeloogst helemaal mislukt was, gerot door onophoudelijke regens. Toen gingen de arme mensen in het veld pertelwortels zoeken, om soep te koken. Neen, niets schrok me meer af dan “hongersnood”. Mijn antwoord klonk dan ook kordaat “hongersnood”.
Mijnheer pastoor deed een greep in mijn haar, schudde me dat mijn hersens ervan singelden. Hij liet me maar los om mij als inibitie links en rechts nog een paar kletsen om de oren te geven.
– “Doodzonde, deugeniet, dat is het ergste van alles.” Hij schuimde van woede.
– “Nu doet gij zelf een doodzonde”, beet ik hem toe, want ik was overstuur,”en nog wel een hoofdzonde van gramschap”.
– “Dat is een heilige gramschap tegenover de doodzonde,die gij niet erg vindt”.
– “Voor zulk een heilige gramschap, bewaar ons Heer !”,mompelde ik.
– “Wat is het ergste. Pest, cholera, hongersnood, oorlog of doodzonde, gij Knuts, zeg het eens”.
– “Doodzonde”, antwoordde het farizeeërke in spe . En daarmede was het incident gesloten.
Denk nu niet dat pastoor Dery een hardvochtig man was. Hij hield van de kinderen. Hij moest al eens hardhandig tegen de bengels optreden om een beetje orde te handhaven. Eens had hij het weer eens lastig met het rumoerig volkje. De Kapelaan kwam uit de sacristij opdagen om daar eens orde te scheppen.
– “Gaat gij terug de sacristij in”, zei de pastoor, “de kinderen zijn braaf”.
Pastoor Derie was een heilig man, nog een van die oude, echte priesters. Ook buiten de erediensten vond men hem vaak biddend achter een pilaar in de ingetogen stilte van het huis Gods. ledere dag ging hij zijn zieken bezoeken tot het einde van de parochie, biddend in zijn brevier, te voet. Hij is ook de enige pastoor, die ik gekend heb, die meer de huizen binnentrad om te geven dan om te vragen. Arme zieken konden er op rekenen dat na zijn bezoek onder het kussen of op de kast een geldstuk te vinden lag. Hij is ook de enige pastoor, die ik heb weten arm worden. Van huize uit was hij rijk. Toen hij stierf bleef er zelfs niet genoeg meer over om de begrafeniskosten te dekken. Pastoor Dery was een ware Kristen, een heilig man.

De Dorpsstraat met links de herberg Lambert Mommen en rechts de gemeenteschool in 1920.
Rademaker Alfons Schoofs met fiets en schaaf slaat een praatje met Edouard Leunen-Hechtermans, winkelier-kleermaker en opdrachtgever van de prentbriefkaartenreeks

Knutske en ik trokken op een zonnige dag naar het voorhof. Dat was een heerlijk landouw vol beemden, weiden, bossen, hagen en populieren en geen huizen, een halve wildernis in die tijd. We gingen vogelnesten zoeken. Niet met het barbaarse plan ze te roven. Maar de speurtocht langs hagen en struiken, dat zoeken naar, en dat vinden van nesten met mooie eitjes, gapende vogeljongskens was al een pret op zichzelf. Die te laten wonen, was dan nog een bijkomende bevredigende voldoening. Men voelde zich voldaan over zijn eigen braafheid. Die braafheid strekte zich alleen uit over de prachtige vogeltjes, die de eer hadden op dat tableau in de school hun foto te hebben. De eksters en vlaamse gaaien genoten die bescherming niet, en zo’n jonge “kerreget” of “blauwe henno” is wel een aardig speelkameraadje. Zij vielen dan ook ten prooi aan de roofzucht van het oermenselijk-dier in ons. Men moet niet verwachten dat de beschavingsevolutie op die ouderdom haar werk helemaal heeft volbracht. Trouwens heeft ze dat wel bij de volwassenen. De leden van de dierenbescherming zullen het met mij niet eens zijn, als ik zeg, dat iemand, die het nest van een zanglijster mee naar huis neemt, de jongskens met liefde en zorg opkweekt om vogelzang en vogelgezelligheid in zijn woonkamer te brengen, bijlange geen barbaar is. Anders zouden wij ook moeten zeggen, dat de directies van de dierengaarden overkoken van barbaarsheid.
Op de grachten van Rikus Mommen zijn weide stond een rij hoge kanada’s. In ene daarvan, boven in de top, stond een eksternest.
– “Daar woont die tooi, die onze kuikentjes komt oppikken”,zei Knuts.
– “Haal ze dan uit!”
– “Dat kan of dat durf ik niet”, zei hij ootmoedig.
– “Dat kan en dat durf ik wel”, zei ik trots.
Toen moest ik ook laten zien, dat ik durfde en dat kon. Ik begon de klimpartij. Het ging niet gemakkelijk. Ik kon de dikke stam niet helemaal omarmen. En ’t was hoog eer men aan de takken kwam. Maar toch na een geweldige inspanning geraakte ik er. Ik rustte mij uit op de onderste, dikke tak. Knuts zette zich op handen en voeten en liep zo door het gras.
– “Nu lijk ik zeker niet groter dan een hondje”, riep hij.
– “Nu hebt ge meer weg van een aapje”, riep ik terug.
– “De apen zitten anders gewoonlijk in de bomen”, kaatste hij me terug.
Nu ging de klimpartij gemakkelijker, van tak tot tak. Maar het was nog vrij hoog eer ik bij het nest kwam. Ik keek nog eens naar beneden. Een aardige gewaarwording deed mij naar adem snakken, gelijk als men plots in ‘t water valt. ’t Was juist of de boom aan ’t overhellen ging en met mij en al aan ’t omvallen was. De schrik sloeg mij om het hart. Ik moest geweld doen om mijn kalmte te bewaren. Als ik aan die verlamming in mijn armen en benen toegaf, ging ik van pure angst naar beneden storten. Ik bleef zitten en keek naar omhoog; naar beneden zien durfde ik niet meer. Ik haalde enige maal diep adem en zette de klimpartij voort, want opgeven, hoezeer ik daar ook goesting voor had, wilde ik niet. Mijn kwajongenstrots verzette zich daartegen. De stam werd allengs dunner en wiegde gevaarlijk onder mijn gewicht. Ik dacht aan mijn broer Armand, die zo eens op de Muggenberg, de eerste keer dat hij mij mee spijbelen had genomen, uit de top van een kanada viel, en zich nog juist aan de onderste tak had kunnen vastklampen. Ik bereikte toch het nest, stak er de hand in. Niets, ledig, een oud nest van vorig jaar. Het kon me weinig schelen. Ik was te blij terug naar beneden te kunnen dalen. Daar kwam Lambert Mommen onder de haag uitgekropen. “Gij verdomde snotter”, zei hij, “ik zou u enige motten moeten geven. Ik heb mij niet laten durven zien om u niet te verschrikken, maar ik zal het tegen u mam zeggen, wat voor stomme toeren gij uithaalt”. Die bedreiging had weinig vat op mij. Moeder kon wel eens kijven, maar slagen of straf gaf ze nooit. Wij waren daarom niet beter of niet slechter. Maar mijn ervaring daarboven in de top van die hoge boom had mij voor goed genezen van zekere roekeloze dwaasheden.
Wij lieten Lambert staan, en zetten onze speurtocht verder. In Dulfers’ weide op de gracht stond een dode haagtronk gans begroeid met klimop. Daar zagen wij een winterkoninkje uitgevlogen komen. “Dat woont daar”, zeiden we. Wij gingen er naar toe, trokken de neerhangende ranken wat op zij. En ja, daar stond het nest, gans verscholen in het groen. Zo mooi hadden we nog geen vogelnestje gezien. Het was bolrond, gans bekleed met groen mos. In ’t midden stond een klein rond openingske. Wij staken er een vinger in, en voelden zachte, kale vogelvelletjes; hun kopjes streken langs onze vinger omhoog, en piepende bekjes vroegen om een wormpje. Intussen zat al een oudje met een rups in de bek wat verder op een tak te trippelen en heen en weer te vliegen. Zijn rechtstaande staartje wipte rustig op en neer, en bange kreetjes stegen uit zijn keeltje. Wij gingen wat verder in het gras liggen kijken naar dat idyllisch leventje in die met klimop begroeide dorre tronk. Nooit heeft een schilder zulk een aangrijpend tafereel in verf gepenseeld, of een beeldhouwer in steen gebeiteld, als de scheppende natuur op die grijze grachtkant met het sap der aarde tot leven had getoverd. Nooit heeft een keizerpaleis zozeer het oog gestreeld, nooit is een koningskind in zo’n donzig beddeke, door zo’n zorgvolle ouders vertroeteld geworden, als die tere vogeljongskens van dat nietige winterkoninkje, in dat warme bolleke, onder die draperieën van teder groen klimop.

Lang hebben wij daar gelegen in het malse gras, en genoten van de heerlijke aanblik der schepping, van het nieuwe lenteleven buiten ons en in ons. Bloemen rond ons, een zee van madeliefjes, een tapijt van goudgele paardebloemen waarvan onze onovertroffen natuurdichter, Guido Gezelle, dichtte :
’t Bloempje dat ik liefst van al zie
En altijd blijven zal geerne zien
Zolang er blommen
Weet ge hoe ze nommen ?
’t Zijn voorwaar de pisseblommen.
Boven ons strekte zich een gewelf van bleekroze appelbloesem uit, overstraald door de levenwekkende warmte en het stralende licht van het liefelijke lentezonnetje. Bijen en hommels en duizend insecten vol bedrijvigheid en nieuwe levenslust zweefden en gonsden door de lucht, ter bruiloft onstuimig voortgejaagd. Vogels, overal vogels, de ene achter de andere, boom om, boom over in hartstochtelijke achtervolging. En ginder in het elzenbosje, bij het klare poeltje, daar weergalmde het jubelend lied van koning nachtegale.
Daar zat die heldere zanger
Dees blijde meidagmorgen
In ’t loof verborgen.
In een hoge eik liet de bosduif haar diep en langoureus geroekoek horen. De stem van de wielewaal weerklonk in de verte. De bonte specht hinnikte als een dartel veulen. En luider en melodieuzer in allerlei tonates melodiede de zanglijster haar opgewekt liefdelied, en overstemde het veeltonige zangkoor van duizend kleine orgelaars. Ingetogen als in een godgewijde tempel luisterden wij en keken en namen diep in ons gemoed al het paradijselijke op, dat de lentepracht de lust en het blijde leven daar met zo’n kwistige hand ten toon spreidde.

Aardbeien
Op de tweede zaterdag van mei, daags voor onze plechtige kommunie gingen Knuts, zijn zusje Rosalie en ik wilde aardbeien plukken. Op de grachten en op de kanten van de bossen, die zich uitstrekten tussen de Bergbeek en Tereykensteeg stonden die lekkere vruchtjes ons zo blozend rijp aan te lokken. Rosalie droeg een blikken conservedoos. Vervolgens dat wij een handjevol geplukt hadden legden wij die daarin. Maar het leek ons, toen de doos half vol was, dat ze niet meer aanhoogde in verhouding met hetgeen wij erin legden. Dat leek Armand verdacht.
– “Gij gulzige smulaap”, zei hij tegen zijn zuster, “gij eet ze achter onze rug op, zo kunnen wij wel blijven plukken”.
– “Dat is niet waar”, protesteerde Rosalie heftig, en ze sloeg rood aan van verontwaardiging. De doos geraakte op de duur toch vol. Toen wij thuis kwamen draaide moeder Knuts de doos om in een kom, heel de kom vol. Toen kwam de onschuld van Rosalie aan het Licht. Die rijpe aardbeien waren plat aaneen gekoekt; daardoor was hun volume afgenomen. “Ziet gij nu wel dat ik geen had opgegeten”, triomfeerde Rosalie. Haar moeder voerde een hoeveelheid suiker door de brei, belegde een stapel boterhammen, die smakelijk door hongerige monden naar binnen gingen.
Knuts en ik gingen op een donderdagnamiddag stekelbaarsjes pakken in de d’Oyebeek. Een stok met een koord eraan, en een omgeplooide speld als vishaak, daarmede trokken wij er op uit. Wij hadden ook een doosje pieringen bij, en een emmer. Het werd een mirakuleuze visvangst. De stekelbaarsjes zijn echte gulzigaards. Je hoefde die pier maar eventjes in ’t water neer te laten om beet te hebben. Onze emmer half gevuld met water krioelde van baarsjes. Wij namen ze mede. Bij Knuts gekomen vonden wij niet beter dan onze emmer om te draaien boven de waterput. De beestjes moesten toch zuiver water hebben om in leven te blijven.
Armand’s moeder kwam water halen om koffie te zetten. Haar ogen gingen groot open toen ze daar drie, vier baarsjes in haar emmer zag rondzwemmen.
-“Wat hebt ge weer uitgestoken, gij deugeniet”, stoof ze uit tegen de vrucht haars lichaams. Zij greep hem bij de kraag en gaf hem enige klappen tegen zijn broekske. Toen goot ze haar emmer ledig. Daar lagen die arme visjes op de grond te spartelen en naar lucht te happen. Ik begreep niet waarom die vrouw die beestjes zo vieselijk vond. Het waren toch zo’n propere diertjes die uit kristalhelder bronwater kwamen. Hoeveel emmers zij heeft opgehaald en weer uitgegoten, weet ik niet. Ik ben er stillekens vandoor gemuisd, waar klappen uitgedeeld worden was ik liever niet bij.

Leon en de Pool
Neth Penk was een leurster. Zij woonde te Sint-Truiden in een achterbuurt. Wekelijks kwam ze met haar hondenkar van deur tot deur doorheen het dorp. Zij kende iedereen, en iedereen kende haar. Haar gelaat was doorstreept met fijne bloedadertjes en haar neus was blauwrood. Een schone vrouw was ze niet. Ze was ook niet jong meer en de jenever had haar niet mooier gemaakt. Maar ze was een openhartige vrouw, zij was populair. Haar handel ging dan ook goed. Zij verkocht stokvis, haringen, bokkingen en mosselen. Als ze ergens kwam waar ze zag dat het varken geslacht was, zei ze : “De maag dat is mijn klop”. Die kreeg dan al eens de maag ook. Moeder kocht iedere week iets aan haar. Als het stokvis was, want dat was onze klop, likten wij onze teljoor schoon; “Nu moet ge hem niet meer afwassen” zeiden we. Dan lachte mam. Bokkingen braadde moeder op de tang boven het vuur van de stoof. Het afdruppend vet kiste in de vlammen en er kwamen blazen op het gebruinde vel. Het smaakte allemaal evengoed. Wat was het toch een heerlijke tijd bij moeder aan de haard ! Ik stond naast oom Goris voor zijn deur, toen Neth daar stopte. Een grote berriehond droeg de last, geflankeerd door twee kleinere helpers. Onder de kar liep een jong hondje vrij mede, vier of vijf maanden oud. Zo lelijk en ellendig heb ik nooit een dier gezien. Hij was zo mager als een skelet. Daarbij was hij onder het rad van de kar terecht gekomen. Zijn rechterflank lag vurig bloot, gans ontveld. Zielig om aan te zien.
– “Neth, verkoopt gij die hond niet ?”, vroeg oom.
– “Wat geeft gij ervoor?”
– “Twee franken”.
– “Verkocht”.
Daarmede was oom eigenaar van dat ellendig mormel. Ik geloof dat hij het uit medelijden gedaan heeft. Maar het medelijden duurde niet lang. Een paar dagen later was ik weer bij oom. Wij waren in de weide. Oom stond er met zijn geweer om op kraaien te schieten, die tegen de wind in over onze hoofden heen vlogen. Daar kwam Leon, want zo heette die viezerik, naar ons toe gelopen. Maar wat een Leon ! Zijn buik stond zo dik en zo rond, dat hij elk ogenblik barsten kon. “Die is vergeven”, zei oom. Maar dan dacht hij aan wat anders, aan de kalfsbil, die in de speen hing. Hij ging kijken, en ja, geen bil meer te zien. Waar was ze ? Tante Stina was in de keuken bezig. Zij had een pot koffie opgegoten. Zij ging de middengang door naar de living, die toegang gaf naar de speen. Zij ging er boter en melk halen. Met de boterpot in de ene hand en de melkkan in de andere liet ze na de deur achter zich dicht te doen. Leon lag onder de stoof zijn blote flank te warmen. Plots lichtte hij bet hoofd op, zijn snuit ging snuivend heen en weer. Wat voor een lekkere geur bracht tante mede. Dat wilde hij wel eens van dichtbij besnuffelen. Hij richtte zich op zijn poten, strekte zich eens lang uit, geeuwde dat de tong ervan krulde, het speeksel liep in draden uit zijn muil. Zijn reukzin leidde hem recht naar de speen en naar de kalfsbil. Hij stak er zijn snuit tegen. Ja, dat was zijn klop. Zijn hondenverstand zegde hem, dat het daar de geschikte plaats niet was om die lekkere brok op zijn gemak op te peuzelen. De vrouw in de keuken was er veel te dicht bij om van genoegen te kunnen knorren bij het kauwen. Hij pakte ze beet en liep ermee naar buiten recht naar het poorthuis. Daar beleefde hij de genotvolste stonden van zijn hele leven. “Eens weelde is altijd geen armoede”, dacht hij bij zichzelf. Hij smaakte zodanig, dat hij niet wist, wanneer zijn honger gestild was. Hij vrat zolang er een vezeltje aan het been hing. Dat netjes afgeknaagd been vond oom en het deed hem in woede uitbarsten.
– “Da smierig biest, ich schiet h’m kapot”.
– “Krijg ik hem dan ?”, vroeg ik.
– “Neem h’m maar mie en zorg da’t er m’n ogen uit is”.
Ik bond Leon een koord om de nek. En of hij wist dat hij oom z’n zaak bedorven had, ging hij gewillig met me mede. Leon barstte niet en indigestie van zijn overdadige maaltijd liep hij ook niet op. Wel heeft hij in twee, drie dagen geen voedsel meer aangeraakt. Langzamerhand genas zijn flank. Hij kreeg nieuw vel en het begroeide met ros, golvend haar gelijk de rest van zijn lijf. Hij nam in gewicht toe en werd een fatsoenlijke trekhond. Alsof een wervelwind over zijn snuit had gestreken kuifde het haar in een wrong voor zijn ogen omhoog. Dat gaf hem een grimmig uitzicht. Hij was schoon van lelijkheid. Hij was een hond om schrik van te hebben. En daar was ook reden toe, want zijn karakter was al zo grimmig als zijn uiterlijk.. Dat maakte hem tot een goede waakhond. Maar dan moest hij los lopen. Aan de ketting was hij geen cent waard. Hij zou zich liever door een dief laten stelen dan zijn muil open te doen. Dan lag hij voor zijn ton met de kop op zijn voorpoten, keek je met een verwijtende blik aan, waarin je duidelijk lezen kon hoe ongelukkig hij zich voelde, en hoezeer dat affront van die ketting hem griefde. Hij liep dan ook meestal vrij rond, ’s nachts altijd. Bij dag mocht iedereen op straat komen, dan bekeek hij geen mens. Maar eens de duisternis ingevallen nam hij zijn functie van waakhond ernstig op. Iedere voorbijganger, die op de Kogelstraat kwam volgde hij al blaffend op de voet tot aan het einde van de straat. Wie rustig zijn weg voortging werd niet aangevallen. Maar het was onbegonnen werk hem achter zich uit te willen jagen. Dan ging hij alleen maar heviger te keer. Als we dat hoorden gingen wij hem terugroepen. Wij hebben toch nooit klachten van gebetenen gehad.
’s Morgens ging hij een vergoeding voor zijn nachtwake ophalen. Hij liep van deur tot deur de snede broods in ontvangst nemen, waarmede de geburen hem beloonden voor de rustige nacht, die zij dank zij zijn kordaat optreden konden genieten. In een naburig dorp woonde een dievenfamilie, “de Polen” zoals men ze noemde. Zij drongen wel geen woonvertrekken binnen, maar geen hennen-of konijnenhok was voor hen veilig. Zij waren daarvoor bekend en zelf maakten zij er ook geen geheim van, zoals het volgende feit aantoont. Pool kwam voorbij Bert Ruysen, die op Gippershoven een herberg open hield. Bert was zijn kippen aan ’t ‘voederen.
– “Dat zijn zeven schone jonge pullen”, zei Pool.
– “Gij hebt er zeker kop in”, zei Bert, die nogal graag zwansde.
-“Ja, die zou ik vannacht wel eens kunnen komen halen”.
– “Voor twee pinten bier gewed, dat gij dat niet kunt zonder dat ik u betrap. Maar ge moet in allegeval mijn pullen terugbrengen”.
– “Aangenomen”, zei Pool, “eer de haan eenmaal gekraaid heeft, zal hij zevenmaal weduwnaar zijn”.
Bert ging die nacht niet slapen. Hij zette de petrollamp op tafel en zichzelf in een zetel. Hij rookte de ene pijp achter de andere om wakker te blijven, want hij had de hele dag gewerkt en was moede. De uren kropen traag voorbij, veel te traag voor Bert. Hij moest vechten tegen de slaap. Hij stond op en ging eens over en weer door het huis, van de keuken naar de gelagzaal. Bij de toog bleef hij staan. Hij nam een pint, hield ze onder de kraan, liet ze vol schuimend gerstenat lopen en dronk ze in één teug uit. Hij keek voor de zoveelste maal naar het uurwerk. Nog maar drie uur, mompelde hij. Hij ging buiten tot bij het hok. Het paddeslot hing er nog onaangeroerd aan de gesloten deur. Hij ging terug binnen en zette zich in zijn zetel. Zijn hoofd zakte tegen de rugleuning. Zijn oogleden vielen stilletjesaan toe. Het lamplicht verdoezelde, de voorwerpen in de keuken vervaagden. Weldra kondigde een regelmatig gesnurk aan dat Bertje sliep. Bert schrok wakker. Was dat zijn haan die daar kraaide ? Hij wipte op uit zijn zetel, keek op het uurwerk, zes uur. Ik ben begot toch in slaap gevallen, gromde hij. Hij spoedde zich naar buiten. De deur van het hennenhok stond open. De haan, zevenmaal weduwnaar, stond op de mesthoop, moederziel alleen.
Toen Bert en zijn vrouw om acht uur koffie zaten te drinken. kwam Pool binnen.
– “Ik heb uw pullen teruggebracht”, zei hij. “De haan was nog geen klein beetje blij”.
– “Maar zeg me eens hoe ge dat geflikt hebt”, vroeg Bert.
– “Wel, dat is toch simpel. Ik ben om halfdrie hier gekomen. Van achter een boom in de weide hier tegenover heb ik u zien buiten komen naar de stal toe. Toen zijt gij naar binnen gegaan, en ik dacht : die komt seffens niet meer buiten. Dan ben ik onder uw venster komen staan en door een spleet van uw versleten luiken zag ik u in uw zetel zitten en in slaap vallen. Terwijl gij laagt te snurken, ben ik naar de stal gegaan, heb het slot geopend en ik was binnen. Ik heb één voor één de hennen de kop onder de vleugels gedraaid en in de zak gestopt. Toen ben ik er vandoor gegaan. Da’s toch zo simpel als goeie dag zeggen”.
– “Hoe kondt gij dat slot openen ?”
– “Gij denkt toch niet dat er zo maar één slot bestaat. Van omtrent ieder model heb ik er ook één en dus ook de sleutel. En ik had toch al gekeken welk slot er aan uw stal hangt”.
– “En de hennen maken die dan geen lawaai ? Als ik er een pak dan spartelt en schreeuwt ze, dat ge ’t ver in de buurt horen kunt”.
– “Dat is stielvaardigheid”.
– “En die stiel moet ik niet kennen. Drinkt gij een tas koffie mede”.
– “Ik heb reeds koffie gedronken. Geef mij mijn pinten maar, die ik eerlijk verdiend heb”.
Diezelfde Pool kwam zekere dag thuis binnen. Hij wilde onze hond kopen. Hij bood vijftig frank en wij kregen zijn hond op de koop toe. Die vijftig frank van toen waren meer waard dan vijfduizend van heden. Hoezeer hij ook aandrong en de prijs nog wilde verhogen, onze Leon was niet te koop en zeker niet door een schelm. Wij begrepen wel waarom Pool onze hond graag wilde hebben. Noenk-a-ri was fruithandelaar. De appelen werden in greppen bewaard in de hof. Eer onze Leon zijn zeggen had op onze straat werden daar meermaals appelen gestolen. Nu was dat gedaan. Klaarblijkelijk tot spijt van Pool. Leon was dus een reuze waakhond. Maar hij was ook nog wat anders, hij was een verwoede vechtersbaas tegen andere honden, tegen de mannetjes, de teefjes benaderde hij zo niet beleefd, dan toch heel vriendelijk. “On ne bat pas une femme, mème pas avec une fleur”. Aan die moreel hield Leon zich.
Lamme Mommen had een langharige fox die hem steeds op zijn wandeltochten vergezelde. Om naar zijn veld te gaan, kwam hij thuis voorbij. Dan kroop Fix tussen zijn benen en Lamme trachtte met zijn achturenschupke Leon op afstand te houden. Tevergeefs, niets kon Leon beletten die medeminnaar te lijf te gaan. En als Leon beet had, was er maar een middel om hem te doen lossen, hem water in de muil gieten. Lamme deed zijn hond een halsband aan, waarin hij aangescherpte nagels had geslagen, die dreigend buitewaarts priemden. Maar ook dat hielp niet. Leon pakte hem wat lager in de nek. Zo is Leon er de schuld van geworden, dat Lamme ons uit zijn testament heeft geschrapt. Gezien de vele erfgenamen was dat toch onbelangrijk.
Boer Vanvuchelen had twee grote foxen. Zij liepen altijd mede als hij met de kar naar het veld ging. Wanneer hij aan de Kogelstraat kwam, gingen de beide honden onder de kar lopen om die rosse lelijkerd een beetje uit de weg te blijven. Maar ‘Leon had een hartgrondige hekel aan die twee aristocratische jonkers. Zo gauw hij ze in het oog kreeg rezen de haren op zijn nek hoger, en aarzelde hij geen moment om aan te vallen. Dat werd een homerisch gevecht. Die twee hielpen elkaar. Als Leon één beet pakte, pakte de andere hem beet. Dan loste hij de eerste en pakte de andere. Zo ging dat over en weer. Drie honden rolden over elkaar, drie dubbele rijen tanden blonken in opengesperde grommende muilen; vlokken haar stoven in het ronde; een toerbiljon van hondenlijven, koppen, staarten en poten midden een wolk van stof, wentelde over de weg, een woest geweld van hondenrazernij. Maar toch niets in vergelijking met de niets ontziende moord- en vernielzucht van het ontketend mensdier. Zo vechtend volgden zij de kar tot op het einde van de straat. Daar vluchtten de foxen het veld in, en Leon kwam op een draf triomfantelijk terug naar huis. Dan legde hij zich tegen de grond om zijn wonden te likken en te wachten tot zijn vijanden terug kwamen om opnieuw te strijden. Maar dan legden wij hem aan de band. Wie zal ooit de mens, die, eer zijn wonden gelikt zijn, zich weer gewelddadig gereed maakt voor de volgende strijd, aan de band leggen? Zal de trage evolutie dat doen ? Hoeveel miljoenen jaren zijn er nog nodig om het laatste spoor van zijn vechtersinstinct te doen verdwijnen.
Mijn broeder René, vijf jaar ouder dan ik, was thuis manusje-doet-alles. Hij was moeders hulp, de deugd in persoon. Er was nochtans een karwei waar hij danig tegenop zag. Het gebeurde al eens dat de meelzak ledig was, eer Bernard de molenaar, zijn ronde had gedaan. Dan moest René met de kruiwagen naar de molen. Dat zou niet erg geweest zijn, als hij niet voorbij Stina Ramaekers moest komen. Zij had twee honden, een kleine schrale keffer, het schoothondje van juffrouw Maria, en een trotse Lassie, gekamd en geborsteld, dat hij ervan blonk als een gepommadeerde Lady. Als die verwaande aristocraten door de openstaande deur Leon in het oog kregen kwamen ze op de stoep hem voor gemene proletariër uitschelden. Dan liet Leon zich niet welgevallen. Rene had schoon uit alle macht zijn span tegen te houden, Leon trok hem met kruiwagen en al de drie trappen op. Dan stond Leon in de gelagzaal verwoed de lafaards, die de keuken waren ingevlucht, uit te dagen. Stina’s volle boezem joeg dan op en neer van verbauwereerdheid. Zij schold hond en jongen de huid vol op een manier, die niet paste bij haar damesachtig postuur. Het piepstemmetje van het borsteloze juffertje wierp daar schrille kreetjes tussen. Het geblaf en gegrom van Leon, het tegengeblaf van de honden in de keuken, het gelamenteer van de vrouwen, het gebrul en gesnak van een uit zijn lood geslagen René, dat alles maakte een kabaal van belang. Om die weg naar de molen nog meer tot een lijdensweg te maken liepen er ook al eens andere honden op de baan. Dan had René er geen houden aan, en liep hij gevaar onder een boerenkar terecht te komen. Die narigheden zouden de goede jongen gespaard geweest zijn, had Armand of ik zelf het verstand gehad met hem mee te gaan om met een touw aan de halsband die woestaard in bedwang te houden. Maar ja, de lankmoedige Rene vroeg er niet naar, en bij ons kwam die gedachte niet op. Als ik daaraan terug denk spijt me dat. Maar het berouw komt slechts na de zonde, altijd te laat.
Zekere dag hoorde ik Leon tempeesten aan zijn hok. Hij rukte aan zijn ketting en blafte verwoed. Ik ging kijken wat er gaande was. Caroline stond voor haar huis met iemand te praten. Een bull-dog zat op zijn achterste naast hem. Het was die aanwezigheid, die Leon zo razend maakte. “Jef, laat Leon eens los.”, riep Caroline, “die man hier zou zijn hond eens graag met hem laten vechten”. Ik ontdeed Leon van zijn ketting. Als een pijl uit een boog schoot hij naar zijn vijand toe. Ik liep hem na om te zien, hoe hij die dog uit zijn pels zou schudden. Daar stonden ze beiden tegen elkaar op met de voorpoten op elkaars schouders gelijk twee judokampers. Zo bleven ze daar een ogenblik stil in hun lelijk gezicht kijken, geen staart bewoog. Toen lieten zij zich terug neer op de grond. De dog ging achter zijn meester staan en Leon ging met de staart tussen de benen terug naar zijn hok. “Dat heb ik nog nooit gezien”, zei de man, “dat Duc een andere hond laat heengaan zonder vechten”. Wij konden hetzelfde zeggen van Leon. Dit voorval heb ik al eens aangehaald, als iemand beweerde dat Amerika en Rusland tegeneen in oorlog zouden komen. De vrees voor elkaar is het begin der wijsheid. Men is maar dapper in de aanval als men de sterkste is, of meent te zijn.
“Wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan”, zegt het spreekwoord. Zo is het ook Leon vergaan. Oom Goris nam hem eens mede naar het veld als jachthond. Jan Mommen pikte zijn graan. Zijn hond lag lui op een schoof zich te koesteren in de zon. Leon pakte hem bij de nek en begon grommend met hem te schudden. Jan maakte gauw een einde aan het gevecht. Hij nam zijn zeis en sloeg, Leon zijn twee achterste poten onder hem uit.
Wij hebben Leon met de kruiwagen gehaald. Toen wij thuis kwamen was hij dood gebloed. Wij hebben hem in de hof begraven; met een paar stokken hebben wij een kruis gemaakt en op zijn graf geplaatst. Wij hebben allen een stille traan weggepinkt, een trouwe vriend was heengegaan.

Broer René
Onze René was in een noodlottig, gesternte geboren. Het ergste van al trof hem nog in de persoon van pastoor Mommen. Broerlief was een tiental jaren oud toen heeroom zijn pensioen nam. Hij betrok zijn huis vlak tegenover ons. Hij moest een misdiener hebben en René was het slachtoffer. Bertuske Steukers. misdienaar in de kerk, werd gevraagd hem het misdienen te leren. Dat liep van geen leien dakje. De tweede maal dat Bertus kwam, was er geen René te bespeuren. Op ons geroep kwam geen antwoord. Wij gingen allemaal tegelijk op zoek naar hem, tot wij hem eindelijk vonden onder een hoop stro in de schuur. Hij had een levendige schrik gepakt van dat latijn. Het vlaams kon hij maar met moeite leren, en daar kreeg hij nu dat onmogelijk latijn te verwerken. Nooit heeft hij zich zo ongelukkig gevoeld als toen. Die kelk zou wel van hem weggenomen zijn, maar moeder was ook mede-erfgenaam hiervan en pastoor Mommen had niet gedaan zoals Derie, hij had zijn bezittingen niet geofferd aan de kristelijke liefdadigheid.
De morgenstond had voor René geen goud in de mond. Hij moest vroeg uit het bed om die mis te dienen, dan naar de katechismus, vandaar naar de school, en na de school baby-sitter van de jongste, Gustaaf. Ik zie hem nog slepen met die mollige dikkerd. De luierik wilde steeds gedragen worden al kon hij reeds lopen. Van overspannen zenuwen en om zijn moede armen wat te verlichten, zette hij zijn tanden in het groengeruite kleedje op de schouder. Hij droeg hem gewoonlijk gelijk de kat haar jong. Dat kleedje vertoonde de sporen van die tanden in de vorm van een uitgerafeld gat.
Voor één keer dat René tijd had om eens met ons te spelen gebeurde er een ongeluk. Wij speelden in de hof. Tegen de bakoven stond een open vuur, waarop het varkenseten werd gekookt. Wij dachten er in ons gestoei niet aan, dat die morgen daar nog gestookt werd en onder de grijze houtasse nog smeulende krikken konden liggen. Dat wisten we pas toen we plots ons Stafke hoorden schreeuwen alsof hij gekeeld werd. Hij zat met zijn bloot gat in die asse. Wij trokken hem er dadelijk uit, maar de gloeiende krikken hadden hun werk reeds keurig gedaan. Zijn rechter bil was één bloedrode wonde, het vel hing er in slierten af. Het is bijna zeventig jaar geleden, dat ik zijn achterste nog heb gezien, maar ik durf wedden, dat de landkaart, door die gloeiende houtskolen getekend, nog op zijn bil te zien is.
Babysitter spelen was voor René precies geen sinecuur, maar de grootste hekel had hij aan het misdienen. Hij vond het misselijk dat heeroom aan het altaar boerde. Dat was in die enge kamer precies geen wierooksgeur en eerbiedig bij het celebreren vond hij het al evenmin. René begreep niet dat ook een pastoor niet tegen alle natuurlijke behoeften zijn veto kan stellen. Die karwei moest broerlief opknappen tot zijn zestiende jaar voor zeven centiemen per keer, een half frankske per week. Hij had dan ook wel met een bijzondere vermelding in het testament mogen staan, maar dat liep mis. Er was wel een apart legaat, zoals verwacht werd. Truike, de meid, had zich tegen moeder verklapt: “Het huis zal iemand hebben die er mij niet zal doen uitgaan”, zei ze. Die iemand was Eugene Mommen, oudste zoon van Peter. Het was te begrijpen, dat hij haar wijs had gemaakt met haar te trouwen, als hij de woning mocht erven. Hij erfde die dan ook met de aanpalende grote hof en boomgaard erbij. Daar had Truike voor gezorgd “Ce que femme veut, Dieu le veut”. – “En wat God wil, dat wil natuurlijk een pastoor ook”. Maar Gene wilde Truike niet. Zij kon, na de begrafenis, terug naar Gruitrode trekken, tot groot leedvermaak van de benadeelde erfgenamen.

Djen en de liefde
Die Gene was een eigenaardig figuur. De Mommen’s waren, in het algemeen, stoere kerels. Alleen Gene was niet bepaald, wat men een flinke man noemt. Een beeldhouwer had hem eerder kunnen nemen als model voor een Pieter de Koning dan voor een Jan Breydel. Daar hij zijn handen meer op de rug droeg dan aan het werk, was zijn rug stilletjes aan voorover gaan buigen, tot hij bijna in twee was geplooid. Hij droeg steeds een vilten hoedje dat, naar de afgesleten kleur en de vettige rand te oordelen jarenlang zijn dunbehaarde schedel aan het menselijk oog onttrok. Alleen ’s zondags in de vroegmis kon je ‘ontdekken, dat Djen, (de e gelijk in je) zijn schedel veel weg had van een klein kind zijn gat, maar dan moet je omkijken naar het rechter hoekje tegen de achtermuur. Daar had Djen zijn vast plaatsje gekozen om zo weinig mensen mogelijk toe te laten te kijken naar zijn dunbehaarde kruin. Gelukkig waren alle kletskoppen in de kerk niet verlegen om hun kaalheid, anders zou er tegen de achterwand nogal wat gedrungel geweest zijn. Naar de kapper ging hij niet. In de nek hing het lang spriethaar over zijn vettige kraag. Zijn zuster Mie, zette daar al wel eens de schaar in, maar vakkundig geschiedde dat natuurlijk niet.
Djen had geen mooi postuur. Aan de binnenkant was zijn kop beter gestoffeerd dan aan de buitenkant. Hij was niet een van degenen, die pas onder aan de trap weten, wat ze boven hadden moeten zeggen. Hij had de gepaste repliek dadelijk klaar. Als je met hem te praten stond draaide hij zijn gelaat, dat steeds naar de grond keek, schuin omhoog en dan keken een paar vinnige ogen je aan. Ze waren bleekgrijs met bruine streepjes, die van de pupil uitstraalden als spaken van een miniradje. Daarbij lag steeds een geheimzinnige glimlach op zijn wezen als bij Mona-Lisa, maar niet zo bekoorlijk, natuurlijk ! Je wist niet wat hij van je dacht, en kreeg de indruk, dat hij je heimelijk in ’t oog nam. Op een gebied stond Djen niet met beide voeten op de grond, namelijk waar het de vrouwen en vrijen betrof. Dat had hij trouwens gemeen met zijn beide broeders, Isidoor en Victor. Die hebben nooit naar een vrouw omgekeken. In het diepste van hun hart verlangden zij er misschien wel naar, maar zij waren nog al kieskeurig. De brave meisjes waren niet mooi genoeg, de mooie niet braaf genoeg, of ze waren van te arme komaf, of er was een kwaal in de familie, Sinte Markoeve, tering of zoiets. Kortom, ze vonden hun ideaal niet, mooi, braaf en welhebbend. Zij die dat wel waren wilden hen niet. Zo bleven ze jonkmannen. Djen heeft wel een paar verliefde bevliegingen gehad.
Meester Neven trouwde met Gusta Mommen, dochter van Rikus. Hij huurde het huis van Djen. Léonie, zuster van Gusta, kwam daar wekelijks een paar keren de boel schoonmaken erg opruimen, want Gusta zat de heledag aan de naaimachine. Dan kwam Djen op bezoek. Hij was verliefd op Léonie, zijn nicht. Zekere dag was Leonie in de slaapkamer orde aan ’t scheppen. Djen ging daar wat met haar praten. Opeens trok meester Neven de deur achter hem dicht en draaide de sleutel in het slot om. Dien zat opgesloten met Leonie. Als je nu denkt, dat hij die situatie in dank aannam, zoals jij en ik zouden gedaan hebben, ben je mis. Hij ontstak in de woede op zijn leven. Hij vloog tegen de deur aan, hamerde er op met beide vuisten tegelijk, stampte zijn klompen stuk tegen het onderste paneel en riep op een toon die geen twijfel liet bestaan : “Als gii niet dadelijk de deur opendoet, stamp ik ze kapot”. En waarachtig, hij zou zijn eigen deur in stukken geschopt hebben, zo razend was hij. De meester deed open en Djen snauwde hem toe : “Gij zijt een gemene vent en dat voor een schoolmeester. Wat zouden de mensen wel zeggen, als ze te weten kwamen, dat ik met Léonie alleen in een slaapkamer was opgesloten”. Hij sloeg zijn handen op de rug, tjaffelde met zijn gewone kleine pasjes de deur uit, nog grommend in zichzelf over het schandaal, waarin die verdomde schoolmeester hem gebracht had. De meester was een beetje uit zijn lood geslagen. Hij had wel geweten, dat Djen het niet als een grapje zou aanvaard hebben, juist daarom deed hij het. Maar dat hij zou tekeer gaan als een duivel in een wijwatervat, dat had hij toch niet verwacht. Gusta gichelde en Léonie lag op het bed te kronkelen van het lachen. Zo ze al iets gevoeld had voor neeflief, wat onwaarschijnlijk is, was het vlammetje voor goed geblust. Niets verlaagt je in het hart van een vrouw, als het belachelijk maken. De povere idylle was amen en uit!
Cupido bezocht Djen nog éénmaal. Hij had de vijftig reeds bereikt, de tweede jonkheid. Zijn enig verzet bestond in de duivenmelkerij. Zo kwam hij geregeld bij een ander lief hebber op het . hok om naar duiven te kijken en er over te praten, en zijn ledige dagen wat te vullen. Daar liep hem de dochter voor de voeten, een twintigjarige schone, mooi gelaat, glanzend zwart haar, slank en welgevormd van lijn. Vriendelijk was ze ook nog. Djen kwam onder haar bekoring. In hoeverre zij het vlammetje in de oude schuur aanwakkerde, weet ik niet. Maar het flakkerde hevig op. Ik liep Djen eens tegen het lijf, toen hij uit de winkel van tante Stina kwam. Hij haalde een zuurtje uit een tootzakje en stak het in de mond. Hij had voor een halffrankske bolletjes gekocht.
– “Dat is voor Alice, kurieus dat dat meisje zo voor mij is”, zei hij. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. Djen wilde wel eens graag lucht geven aan de warme gevoelens in zijn gemoed, en nam mij in vertrouwen. “Dat moet u niet verwonderen. Er zijn van die vrouwen die meer voelen voor een rijpere man dan voor een jonge bakvis”. Zo praatte ik Djen naar het oor.
– “Denkt gij dat”, zei hij, met een blijde flikkering in de ogen.
– “Jazeker, zij houden meer van een beetje brutaliteit dan van jongensachtige schuchterheid. Een vrouw wil flink aangepakt en overwonnen worden”.
Ik zei dit, omdat ik wist, dat Djen nog een collégien was en hem een bittere ontgoocheling te wachten stond. “Alice is een braaf meisje”, zei Djen, “en ik zou haar niet graag iets misdoen”. Een braaf meisje is ook een meisje, en Eva’s dochter van vlees en bloed. Onze directeur in de normaalschool zei al eens, als wij voor een overtreding van het reglement op het boekje stonden “de wil is goed maar het vlees is krank”. Ja, ik weet wel wat gij zeggen wilt. Ik meende dat schoolmeesters deftiger mensen waren. Hij sloeg de handen op de rug en trippelde voorovergebogen in de richting van d’Oye. Ik keek hem na en dacht aan wat ik ergens gelezen had. “Pour être aimés, les dieux mêmes doivent prendre ‘l aspect de la jeunesse”. En Djen zag er veel ouder uit dan hij reeds was. Maar hij had centen ! Wat te voorzien was gebeurde. Er kwam een vreemde eend in de lijst, in de persoon van een jeugdig verleider. Hij bracht geen snoep made; hij kwam met de hartstocht van zijn jeugd. Het vlees bleek eens te meer krank te zijn. Djen zijn lof was uit !
De goede wil staat vaak machteloos tegenover het zwakke vlees. Er worden dan ook heel wat meer koffieserviezen als geschenken gegeven op bruiloftsfeesten dan dit waarvan dezelfde directeur sprak toen hij in de les over het huwelijk zei : “Het schoonste geschenk, dat een bruid haar bruidegom op het huwelijksdag kan aanbieden, is een ongerept lichaam”. Ik geloof ook, dat zulk een huwelijk de beste kans heeft te slagen. Wij mannen, hebben allemaal iets in ons van Julius Cesar. Toen hij op de zwitserse bergen stond en naar beneden op een dorpje keek zei hij tegen een zijner veldheren “In dit gehucht liever eerste dan tweede in Rome”. Heel wat huwelijken mislukken, omdat Julius niet de eerste was in Rome.
Djen is van zijn ontgoocheling niet gestorven. Hij is heel oud geworden. Hij heeft nooit ondervonden dat een vrouw ons leed deelt, ons plezier verdubbelt en onze uitgaven verdrievoudigt. Dat hebben zijn broer Victor en Isidoor evenmin. Op het gebied van vrouwen zagen zij overal wolfsijzers en schietgeweren en bleven op eerbiedige afstand. In een herberg kwamen ze nooit en roken deden ze ook niet. Een overjas droegen ze ook niet, dat was hovaardij, goed voor kale stadsjonkers. ’s Winters om zich tegen de kou te beschutten droegen zij een kattevel onder het hemd op de borst.
Als kleine jongen reeds kwam ik veel bij hen aan huis. Zij hadden een schone grote hof, langsheen de paden beplant met vele bloemen. Daar stond een grote hal vol bijenkorven. Victor en Isidoor brachten daar meestal hun tijd door. Ik was graag in hun gezelschap. Daar heb ik kennis gemaakt met de eerste bijensteken. Welkom waren ze niet maar zij beletten mij toch niet telkens weer het gezelschap op te zoeken van mijn grote vrienden, die graag met kinderen omgingen. Toch heeft Isidoor mij eens bekeven. Ernest Leunen, een speelmakkertje, die juist tegenover Peter Mommen woonde, en ik gingen ook bijen houden. Wij maakten een kuiltje in de grond, langs de straat en legden er een stuk ruit over. Dan gingen wij wilde bloemen op de gracht naspeuren, en als er een bijtje zijn kopje indook, grepen wij het met de vleugels. Het beestje maakte zich daar kwaad om en probeerde zijn achterlijf met de dreigende angel zo te draaien, dat het ons in de vingers kon steken, maar het lukte daar niet in. Wij brachten het dan naar ons kuiltje, schoven het glas wat op, en het bijtje eronder. Wij hadden al wel twintig bijen in het kuiltje zitten, toen Isidoor, die in zijn hof bezig was, ons spel in de gaten kreeg. Hij kwam tot aan de haag en donderde : “Sakkerse deugenieten, wilt gij mijn bijen eens met rust laten, of ik zal u enige oorvijgen komen geven”. Ik was erg getroffen door de boze woorden van Isidoor. Maar ja, de man hield zo veel van een bij als een boer van een koe.

De oude Pet
Het meest bevriend was ik met de vader, Peter Mommen. Van toen ik drie jaar was heeft die vriendschap geduurd tot de laatste dag van zijn leven. Hij kwam bijna dagelijks thuis bij de haard wat met moeder praten. Van zijn eigen zoons en dochters had hij weinig vriendschap. Het huwelijk met Bertje was geen sukses geweest, en zij had haar kinderen niet opgevoed in de genegenheid voor hun vader. Pet (de e uitspreken als in je) niemand noemde hem anders, nam mij op zijn knieën. Dan speelden we neusje slijpen. Hij wreef zijn neus over en weer tegen de mijne. Dan tastte hij of mijn neusje scherp genoeg was. Neen, er moest nog eens geslepen worden. Dan weer de armen kruiselings over elkaar, hand in hand speelden wij “zage-zage manneke, boter in zijn panneke, kaas op zijn brood’ en hij vi el achter de zaag dood”.
Het meest hield ik van zijn vertelselkes, van Roodkapje, de zeven geitjes, enzovoort…. Een van zijn sprookjes heb ik nergens meer gelezen of gehoord. Het ging over een man, die met een heks getrouwd was. Hij wist dat niet. Midden in de sabbatnacht werd hij eens wakker. Zijn vrouw was niet in bed. Hij hield zich wakker, maar deed alsof hij sliep, toen zijn vrouw een uur later geruisloos de kamer inkwam en stillekes naast hem in bed kroop. “Dat wil ik weten, waar die ’s nachts naar toe gaat”, peinsde de man. De volgende nacht snurkte hij wel, maar sliep niet. Er gebeurde niets tot de volgende zaterdagnacht. Toen het uurwerk op de toren twaalf slagen sloeg, kroop de vrouw stillekes uit het bed, zij kleedde zich stillekes aan, deed de kamerdeur stillekes open en achter zich dicht. De man was ook stillekes opgestaan en haar stillekes achterna gegaan. Toen hij buiten kwam, zag hij nog juist zijn vrouw, op een bezem gezeten de lucht invliegen. “’t Is een verdomde heks”, mompelde de man. “Zij gaat met andere toverkollen de sabbat vieren. Maar dat ze wacht, totdat ze thuis komt. Dan zal ik haar de maat eens nemen”. Een uur later zag hij ze weer op haar bezem aangevlogen komen. Zij streek neer op de koer, zette haar bezem tegen de muur en wilde binnengaan. De man sprong te voorschijn, greep de bezem en wilde zijn wijf aftroeven. Maar de heks haalde vlug een flesje uit haar zak, trok er de stop af, en goot een groenachtig vocht over haar man uit. “Verander in een hond”, zei ze, en dat gebeurde op de slag. De vrouw nam de bezem en sloeg de hond tegen zijn achterste. Weg van huis”, zei ze, “en dat ik u nooit meer weerzie”. Daarmede zat de hond op straat. Hij liep van de ene weg naar de andere, heel de nacht door. ’s Morgens kwam hij in de stad aan. Een beenhouwer deed juist zijn deur open. Hij zag de hond : “Dat is een schoon, groot beest”, mompelde hij. “Die zou ik kunnen gebruiken om mijn vleeskarretje te trekken. Hij nam een stuk worst, bond het de hond aan en lokte hem zo naar binnen. De hond was blij dat hij een tehuis, en nog wel een vleeswinkel, had. Hij hielp het stootkarretje trekken en bewees andere diensten op een meer verstandige manier.
– “Dat is geen hond gelijk een andere”, zei de slachter, “hij is veel slimmer”.
Enige tijd daarna kwam een oud lelijk wijveke de winkel binnen en kocht voor twee franken worst.. Zij legde het geld op de toonbank.
– “Daar is een valse frank bij”, zei de beenhouwer.
– “Niet waar”, wedervoer het vrouwtje.
– “Ik zeg U dat die ene niet deugt, dat zou mijn hond wel kunnen zien”. De hond ging op zijn achterste poten staan, tegen de toonbank, bezag de geldstukken en stiet met zijn poot de kwade frank naar het vrouwtje toe.
– “Ziet ge wel”, zei de slachter.
Het vrouwtje bekeek de hond van onder tot boven. Zij haalde een flesje uit haar zak, goot een groen vocht op de kop van de hond en sprak “Verander in wat ge nog geweest zijt”. En daar stond de man terug in levende lijve. Dat lelijk wijf was ook een heks. Zij had gehoord van die gedaanteverandering. Zij gaf het flesje aan de man en zei: “Ga terug naar huis, giet deze toverdrank over uw vrouw uit, dan kunt ge haar doen veranderen in hetgeen ge wilt”. De man spoedde zich huiswaarts. Hij stiet de deur open en daar zat zijn wijf naast de stoof aan een tas koffie te slurpen. Toen ze haar man zag greep ze vlug naar haar zak. Maar de man was haar voor. Hij goot het flesje over haar kop ledig, en sprak: “Verander in een grijze merrie”.
En daar stond een grijze merrie. De man deed haar een toom aan, nam het leidsel in de ene hand, en de zweep in de andere. Hij leidde de merrie het veld in, en dan begon hij haar van de zweep te geven. Hij sloeg zo hard hij kon, het ene slag verwachtte de andere niet. De merrie steigerde, rukte aan het gareel. Maar de man hield het stevig vast, tot hij moe was van ’t slaan. Toen gaf hij nog een stevige slag tegen haar billen, liet het gareel los en de merrie sloeg op de vlucht. Lopen dat ze deed, en als ze niet opgehouden heeft met lopen dan loopt ze nu nog. Zo eindigde steeds het sprookje. Het leek me dat het slot van het verhaal, het kletsen van de zweep op de blote billen van de merrie bijzonder levendig werd weergegeven. Misschien zag hij in de grijze merrie zijn eigen venijnig Bethje.

Meester Jozef Schoofs

Pet heeft doorheen mijn kwajongensjaren al mijn doppezen gevlochten. Ieder jaar werd er een stukje hennep geteeld in zijn hof. Als die rijp was werd hij geoogst. Djen verzamelde het zaad voor zijn duiven. De stengels werden in bussels gebonden, die men in een dichtbijgelegen poel, de root genaamd, liet rotten. Tijdens de lange winter ontdeed men de gedroogde stengels van hun schors. Dan kwamen de geburen helpen. Zij kwamen een gezellige praatavond door te brengen. Er werd veel verteld over heksen en spoken. Ik was er eens, als kleine jongen, onbeleefd tussen de grote mensen. Nog niet lang geleden, vertelde Bert Til: “Op een avond, kwam ik van de Stock. Het was al ferm donker. Op de omdraai, tegenover de Mutsaard, staat een scheefgegroeide appelboom, die wat over de weg hangt. Toen ik onder die boom doorkwam, hoorde ik boven mijn hoofd een kat miauwen. Ik keek omhoog en zag twee ogen flikkeren in de kop van een zwarte kat, zo zwart als de nacht. ’t Was om schrik te hebben, maar ik ben zo gauw niet bang, ik raapte een steen op en wierp naar de kat. Zij viel uit de boom. En daar stond een oud vrouwtje voor mij, die ik heel goed kende. Zij bloedde aan het voorhoofd. “Bert”, zei ze, “ik dank u, gij hebt mij van de hekserij verlost. Maar zeg tegen niemand een woord over wat gij nu weet, anders zult gij door de zwarte hand getroffen worden”.
– “Wie was het ?”, wilde Victor van Trienes weten.
– “Voor heel het geld van de wereld zeg ik dat niet. Of meent gij dat ik door de zwarte hand wil getroffen worden”. Zo ging het de hele avond door. De ene wist iets over een weerwolf, de andere over de kettinghond of de dwaallichtjes. Ik groezelde.
De geburen waren reeds naar huis toen ik nog altijd, in stilte, met mijn geest in die andere wereld van heksen en spoken vertoefde. Ik werd wel gewaar dat men mij ook graag de deur uit had zien gaan, maar ik durfde niet de duisternis ingaan. Ik was nog maar een broekventje van een jaar of zes. Toen joeg Isidoor mij nog meer de schrik op het lijf. Enige avonden geleden, zei hij, kwam ik voorbij het steegje. Daar kwam opeens een haas tevoorschijn. Zo groot had ik nog niet een haas gezien. Hij ging op zijn achterste poten staan. Hij stak een voorpoot dreigend naar mij uit. Gij lelijke moordenaar, zei hij, gij schiet in de omtrek al mijn kameraden dood. Maar durf eens op mij te schieten, dan zult gij weten met wie je te doen hebt. En dat donkere steegje moest ik voorbij om naar huis te gaan. Ik bleef zitten.
– “Durft gij niet naar huis gaan vroeg hij.
– “Neen”, schuddebolde ik.
– “Wil ik met u medegaan ?”
– “Ja”, knikte ik. Isidoor nam bij de hand en bracht mij naar huis. Aan het steegje keek ik angstig die donkere holte in. Die vreselijke spookhaas moest daar maar weer eens op ons afkomen. Ik kreeg er kippenvel van.
Het hoekje hennep dat men toen nog in sommige hoven aantrof, vindt men allang nergens meer; het was een overblijfsel van de vorige generatie. Toen werden de vezels gehekeld, gesponnen en geweven. Men vlecht er nog touwen mede, zelen om koeien en kalveren te binden. En Pet vlocht mij er doppezen van. Heel het jaar door lagen er stuk hennep stokken achter op de buis van de Leuvense stoof. Die dienden om pijp of lamp aan te steken. Men spaarde alzo een lucifer uit. In die tijd werd er op een koperen cent gekeken. Pet is de laatste in Zepperen geweest die volgens de oude Brabantse mode gekleed ging, de blauwe kiel, de rode zakdoek aan de hals en de klipmuts op het hoofd. Wij zijn tot zijn dood trouwe vrienden gebleven. Toen ik in Zepperen benoemd werd, kwam hij dagelijks bij ons. Zodra hij het gejoel van de jongens op straat hoorde, dat de school uit was, stapte hij de deur uit. Wij kwamen gewoonlijk omtrent gelijk thuis.
Het gebeurde in het jaar 1915. Pet is gisteren niet hier geweest, zei ik verwonderd, tegen moeder, en vandaag weer niet. Hij is zeker ziek. Ik ga eens naar hem toe.Toen ik er binnenkwam, zat hij in de hoek van de haard somber voor zich uit te staren.
– “Eindelijk zijt ge daar, meester. Gij zoudt een mens laten sterven zonder hem te komen bezoeken”.
Dat waren zijn eigenste woorden en er was maar één dag voorbijgegaan zonder elkaar te zien. Het ging niet goed met mijn oude vriend. Dat zag ik dadelijk. Pet was 83 jaar. Het hart deed het niet meer. Zijn adem was benauwd, zijn stem zwak, zijn gelaat was flets en bleek. Ik trachtte hem moed in te praten. Maar Pet voelde wel, dat zijn einde nabij was. Toen ik afscheid nam zei hij : “Tot morgen, als ik nog leef !”. ’s Morgens was zijn schoonzoon al vroeg thuis. Pet was dood. Ze hadden hem bij het opstaan dood in zijn bed gevonden. En of ik het doodsbeeldeke wilde opstellen.
Ik ben nog een laatste maal bij Pet geweest, mijn goede, grootoom en vriend. Ik heb hem een kruisje gemaakt met een palmtak in wijwater gedoopt. Ik heb ook een droeve stille traan laten vloeien. Inwendig was ik tevreden, dat ik wat genegenheid getoond had aan die trieste, eenzame man, die door zijn eigen kinderen nooit anders genoemd werd dan “de ouwe”, zoals Bethje, hun wrokkige moeder, het hen had geleerd. Dat is heden meer dan een halve eeuw geleden.

Mijn hart doet het ook niet meer, iedere dag een beetje minder. In het vooruitzicht van een plotseling heengaan, heb ik om afscheid te nemen van het leven en de mijnen, mijn eigen doodsbeeldeke opgesteld :
’t Leven is hier schoon op Aard.
’t Leven was mij ’t Leven waard.
‘k Vond het heil aan d’eigen haard.
Zonder meer begeren.
‘k Heb hier op mijn Levensbaan
Niets wat groot is ooit gedaan,
Niets wat blijvend blijft bestaan,
Niets om te waarderen.
‘k Heb het goede soms betracht,
’t Ware, ’t schone hooggeacht.
‘k Heb zozeer ik kon getracht
’t Kwade af te weren.
Vrouw en kinderen allen saam,
Stervend fluister ik uw naam.
Maakt ’t U huiselijk aangenaam,
Dan kan niets U deren.
Stort voor mij geen enkele traan,
‘k Zag U treurig nooit graag aan,
Ook niet bij mijn henengaan
Zonder wederkeren.
Iedere Mei, die God U biedt,
Komt op ’t graf van grauw graniet,
Van de blauw vergeet-me-niet
Mij een bloempje offreren.
Dit is dan de laatste noot van mijn zwanenzang.
Johan Jozef Schoofs.

Meester Schoofs en meester Basile Schoenaerts gekiekt op een vijfdaagse fietstocht
samen met Pierre Vanoirbeek in de Ardennen, juli 1933

 

Notities (met aanduiding van paginanummer in het boek):
* Jefke (8) : roepnaam van Meester Joseph Schoofs als kleine jongen.
* eerste huis voorbij de Dikke Linde (7) : voor de aanleg van de betonbaan in 1936 stond de Dikke Linde aan een werkelijke tweesprong, links naar d’Oye en rechts naar het Dorpsplein. Erachter lag als een ruitvormig perceel het goed van Goris Smets. Meester Schoofs’ ouders woonden erin tot 1900. Bij de nieuwe rechte wegaanleg in 1936 werd het perceel doorsneden en bleef het Dorpsplein rechts liggen als een nieuw begin van de Kogelstraat.
Bakker-winkelier Joseph-Marie-Gregorius Smets (ST. 4.3.1866 – Z. 18.7.1935) huwde in Sint-Truiden op 12.12.1889 met Marie Christine “Stina” Fabry (Z. 18.2.1865 – Z. 21.7.1940). Ze verbleven enkele jaren in Diepenbeek. In mei 1896 openden ze een broodbakkerij en winkel van suikergoed en specerijen in het oud huis Hoebanx-Boonen op de hoek van de Luikerstraat en Varkensmarkt (Minderbroedersstraat). “De Tram”, zaterdag 2.5.1896 : advertentie door Grégoire Smets-Fabry. In juni 1901 verhuisde rentenier “Gouris” Smets naar de Dorpsstraat in Zepperen met zijn kinderen Joseph (°1890), Marie (°1893), René (°1895), Anne (°1898), Seraphine (°1900), Leonie-Marie-Mathilde (°1902) en Virgenie-Antonie (°1906). Marie werd pastoorsmeid bij Reynders in 1930.
Zus Anne Marie Rosine “Mieke” Fabry ‘°Z. 6.1.1862) trouwde in Sint-Truiden op 13.11.1889 met bakker (Marie Jean) Joseph Smets (°ST. 16.4.1864) in de Hamelstraat. Ze kregen de kinderen Alphonse Jean Joseph (1891-1893), Marie (°1893), René (°1894), Marthe (°1896), Gustave Richard (1898-1899), Marie Mathilde Julia (°1900) en Emma (°1900).
* Henri (11) : Henri-Richard Schoofs (°Hasselt 29.12.1923), zoon van Meester Schoofs en zijn eerste echtgenote Fernanda Steemans.
* Anna Catharina Fabry (7-10) : (Z. 15.7.1818 – Z. 20.5.1895) kleindochter van Renier Fabry-Schoups, dochter van Petrus Joannes Fabry-Hoebrechts (SLH. 1785 – Z. 14.3.1855) en zus van Renier Fabry-Mommen (Z. 10.12.1822 – Z. 5.12.1868). Tante van Joanna “Wanneke” Catharina Schoofs-Fabry (Z. 24.1.1855) en haar zus Maria Christina “Stina” Smets-Fabry (Z. 18.2.1865 – Z. 21.7.1940)). Groottante trouwde een jaar na de dood van haar moeder Joanna Catharine Houbrechts (Hoepertingen 15.3.1775 – Z. 4.2.1871) weduwe, in 1872 met haar jongere knecht Pieter Ilsbroeks ( °Kozen 9.3.1837, x Z. 24.1.1872). Het huwelijkscontract werd gesloten voor notaris Coemans. Oom Henri Fabry : Joannes Henricus “Harie” Fabry (°Z. 5.10.1868 – Z. 16.2.1954), jongere broer van Wanneke en Stina. Het hoevetje in Gippershoven werd later in twee gedeeld voor broer Lamberke Neven en zus Maria America-Neven.

Het gezin Renier Fabry en Anna-Maria-Elisabeth Mommen (°Z. 10.2.1827), dochter van de ‘ouwe’ Mommen en zus van pastoor Mommen, Lamme, Peter en Rikus, telde de kinderen Laurens (°Z. 2.8.1851, onderwijzer), Joanna (°Z. 24.1.1855, echtgenote Schoofs), Mieke (°Z. 6.1.1862, echtgenote Smets), Stina (°Z. 18.2.1865, echtgenote Smets) en Henri (°Z. 5.10.1866, echtgenoot Knapen).
* akker: gelegen naast de grote winning uit 1911 van Tinus Hoebrechts, later welnesscentrum ‘Aquatron’.
* Terwouwen (8 en 10) : ‘Bè de Boy”, omgracht goed, ooit met “motten” of heuvelversterkingen, na Meester Schoofs’ jeugd vanaf 1913 bewoond door veldwachter Jammaers en zijn 100 jaar geworden vrouw Treeske Vanoirbeek. In 1984 werd het hoevetje met lemen huis afgebroken en de nog deels bewaarde ringgracht gedempt. Het enkele jaren als akker gebruikt perceel is in 2001 verkaveld en bebouwd met vier nieuwe huizen. In 1978 werd de Bergstraat wegens dubbel gebruik in Groot-Sint-Truiden omgedoopt tot “Terwouwen”straat als herinnering aan dit goed.
* De ouwe Mommen : Petrus-Joannes ‘Moeme’ Mommen (Kortenbos 13.1.1799 – Z. 23.4.1878), lange tijd schepen, stamvader van alle Mommens in Zepperen. Langs moederskant grootvader van Wanneke. Droeg dus een blauwe muts op de boogschutterij. “De Eendracht”, de handbooggilde van Zepperen, was officieel actief tussen 1852 en 1980.
* muishondje (12) : wezel of hermelijn, klein marterachtig roofdier.
* Dokter Timmermans (12) : Urbain Pierre Arnold Timmermans (Mettekoven 19.2.1856 – Sint-Truiden 9.6.1915), sinds 1888 geneesheer in Sint-Truiden. Publiceerde over besmettelijke ziekten en over maatschappelijke problemen. Adjunct-geneesheer in de beide krankzinnigengestichten van Sint-Truiden en katholiek gemeenteraadslid 1904-1911.
* Broer Armand (13) : Jan Armand Schoofs-Demal (Z. 27.12.1888 – auto-ongeval Ord. 27.10.1967). “Armand den raomiejker”.
* (Lam)Bert Creten (13 en 16) slachter : onbekend in de bevolkingsregisters, wellicht een alias-voornaam. De varkensslachtersfamilie Creten in Zepperen bestond uit Pieter Joannes Creten-Lindekens (°1840) van de Roosbeek, zoon Henri Creten-Ottenborgs (°1874) en kleinzoon Lambert Creten-Strauven (°1900). Het is niet duidelijk welke Creten heeft deelgenomen aan de schoolstrijdbetoging rond 1876. P.-J. Creten maakte als slachter op 20 april 1890 wel reclame in de liberale “De Truienaar” voor zijn ervaring in het snijden van paarden, stieren en beren, en in het ringen van stieren. Een andere keer dat de Limburgse katholieke betogers in Brussel slaag kregen was in 1884, toen de liberale schoolwet door de katholieke overwinnaars werd teruggedraaid. Onder meer de leden van de Heilige Familie van Sint-Truiden kregen het het hard te verduren op het Brusselse stationsplein. Zie: C. VAN HORENBEECK, De Heilige Familie te Sint-Truiden. Oorsprong. Werking. Invloed. 1850-1925, Turnhout, 1924, p. 37-38. Zo ook de fanfare Sint-Cecilia uit Hamont, zie: Luk VAN DE SIJPE, De slag om Brussel, in HBVL, 18 en 19 juni 2011.
* Lambert Mommen (15) boomplanter : Egides Lambert Mommen (Z. 9.11.1865 – Z. 26.8.1933), jonkman, zoon van herbergier Rikus Mommen en zijn eerste vrouw Moermans.
* Oom Jan (15) : Joannes “Zjang” Laurens Fabry-Berden (Z. 3.8.1851 – Spalbeek 13.6.1924), Normaalschool Sint-Truiden en start in Stevoort. In 1875 onderwijzer, in 1916 hoofdonderwijzer in Spalbeek. Ook gemeentesecretaris en voorzitter Kerkfabriek.
* Heeroom pastoor in Gors-Opleeuw (15) : Jan Laurens Mommen (Z. 23.6.1822 – Z. 17.3.1901), pastoor te Gors-Opleeuw tot 1898. Zijn meid Gertrudis Geelen (°Gruitrode 18.4.1837) keerde einde 1901 naar haar geboortedorp terug.
* Dery (15) : Lambertus Calixtus Derie (Ulbeek 14.10.1828 – Zepperen, 19.7.1910), pastoor van Zepperen 1878-1910. Voerde een kleine schoolstrijd in Zepperen tegen het gemeentebestuur, haalde de Zusters van Sint-Vincentius à Paulo naar Zepperen en liet de Genovevakerk restaureren en vergroten. Populair weldoener, kreeg als verarmd priester een grafmonument van zijn parochianen.
* Lamme Mommen (17-21) : Willem Hendrik Mommen (Z. 5.12.1830 – Z. 16.4.1906). Huwde met Maria Theresia Detilloux (Z. 12.5.1829 – Z. 12.2.1903) en bleef kinderloos. Lamme komt van Guillaume. Het echtpaar had een meid : Maria Louisa Thijs (°Z. 1855). De lemen herberg tegenover de kerksteeg en de gemeenteschool werd later bewoond door o.m. Henri Fabry, Nand Mommen, Valérie Gilissen-Hayen en zetelopmaker Knapen.
* Pol Vandeyck (18) : mijnwerker Leopold Joseph Vandendeyck (°ST. 27.10.1872) was in 1898 getrouwd met Maria Virginia Cremers van Hoepertingen en kwam in 1902 van Ghlain. Ze woonden in de Tereyckenstraat zonder nummer.
* Peter (20) : Peter “Peut” Mommen (Z. 17.8.1833 – 17.4.1916), landbouwer, trouwde in 1861 met Elisabeth “Bethje” Detilloux (Z. 30.10.1834 – 17.5.1912). Bakstenen hoevetje in de Kerkstraat, met schuurtje in vakwerk, later nieuwbouw Jos Bex-Leemans. Kinderen waren Mie (1865-1931) in 1902 getrouwd met haar neef Renier Mommen, Eugène “Djeun” (1867-1954), Theodoor (1870-1920) en Victor (1873).
* Neef René (20) : René Smets, oudstrijder WO I en gehuwd in Grenoble, adjudant. Zijn broer Joseph werd luitenant, huwde in Le Mans en gaf Engels in de militaire school van Saint-Cyr bij Parijs. Zussen Maria, Anna, Seraphine en Antonie.
* herbezan (20) : Herbesan, laxerende kruidenthee bij verstopping.
* Beenhouwerij Johannes Lux Nieuwpoort Sint-Truiden (21) : Jean-Baptiste Lux (°Ulbeek 11.8.1836) was in 1866 gehuwd met de tien jaar oudere Zepperse Agnes America (°Z. 29.9.1826). Jean hield een slagerij open op de Houtmarkt 36. Nichtje Anne America (Z. 30.5.1854 – ST. 25.11.1901).
* Genan (21) : Guillaume Bollen-Creten (Alken 4.9.1870 – Zepperen 17.12.1949), woonde in de Plank- of Klein-Dekkenstraat bij het brugje over de Roosbeek, waar nu de uitvalsstraat is van de nieuwe wijk. Genan verkocht snoepgoed en windmolentjes uit de korf aan bedevaarders. Kwam van Melveren e huwde met Fin Creten. Zijn bijnaam zou komen van de scheldnaam voor inwoners van Groot-Gelmen.
* Marieke van Loereborg (21) : buurmeisje Marie Mathildis Leunen (°Z. 13.11.1887), dochter van Gerardus Leunen-Leunen, in de Dorpsstraat. De Loereborg is een plaats tussen de Kabei (Sint-Truiden) en Zepperen.
* Henri (21) : jonger broer van Meester Schoofs, (°Z. 19.4.1894) verdronken als oorlogsvrijwilliger klas 1914, soldaat 3de regiment Jagers te voet, tijdens rust achter het front in de zee bij Bray-Dunes (Frans-Belgische grens) op 19 juni 1915. Enkele Zepperse dienstplichtigen van de oproepingsklas van 1914 trokken in de winter 1914-1915 bij Hamont over de grens met het neutrale Nederland en vervoegden via Engeland de Belgische troepen achter de IJzer.
* Reseda’s of roosjes van Egypte (22) : waarschijnlijk de heerlijk geurende gele, groene of rode bloempjes van de reseda odorata, een sierplant.
* Hondsdraf, blauwe lipbloempje (22) : glechoma hederacea, wilde plant met paarsblauwe of lila bloemkroon.
* Galgendries (23) : driehoekig braak perceel op de Honsberg. De naam werd al vermeld in 1403. Twee plekken worden als Galgendries aangeduid : eentje halverwege de veldweg over de Honsberg tussen Sint-Jozefskapelletje en veldweg naar de Sint-Genovevakapel (koster Vaes), en eentje tussen de laatstgenoemde kruising en de kruising met de wegen naar Tereyken links en Hoepertingen rechts (plaatsnamen-thesis Jules Marchal).
* Suzanne (23) : Suzanne-Guillemine-Philomène Darimont (Luik 30.4.1906 – Sint-Truiden 4.3.2003), dochter van Armand Darimont en Virginie Van Oirbeek, dochter van “de Professor” van Terstok. Weduwnaar Meester Schoofs huwde met haar in Luik op 27 juli 1939.
* Hanke Laps, knecht bij Trien Renaerts (23) : verschrijving ? Dagloner Pieter Joannes Paps (Z. 28.2.1825 – Z. 24.5.1898) was getrouwd met Anna Maria Thijs van Alken en woonde in de Eyenstraat. Zijn neef Pieter Jan Paps (°Z. 11.7.1853), ook dagloner, was er onder dak. Hanke kan een verkleinvorm zijn van Joannes.
* Oetsloven (23) : Oetersloven, geïsoleerd en hoog gelegen Onze-Lieve-Vrouwekapel in Berlingen-Wellen langs de oude landweg Brustem-Wellen. Vermeld in de 12de eeuw en het toneel van een veldslag in 1466 tussen de opstandelingen “Gezellen van de Groene Tent” onder leiding van Raes van Heers, die er een nederlaag leed tegen de Picardiërs van Filips de Goede, die de Luikse prinsbisschopLodewijk van Bourbon steunde. De kapel werd toen verwoest, maar is heropgebouwd en werd bedevaartsoord.
* Honsberg (24) : hoogte van het Rijkelsveld in het zuiden van Zepperen. “Honggerberch” in een archiefstuk van 1403. Waarschijnlijk een verwijzing naar “Hongaren” of zwervers die de afgelegen hoogte als kampplaats gebruikten.
* Honsbergbrug (24) : bakstenen brug met metalen leggers van de veldweg van Wellen-Tereyken naar Ordingen-Brustem, over de in 1879 ingegraven spoorlijn Neerlinter-Sint-Truiden-Tongeren. Momenteel rest alleen nog de begroeide spoorwegzate en de brug als knooppunt in het fietsroutenetwerk.
* Blondin (25): Jean François Gravelet , de ‘Grote Blondin’, Frans koorddanser die o.m. in 1859 over de Niagarawatervallen liep.
* De Mot (26) : plek bij d’Oye, nog steeds met stukken van een ringgracht. Al vermeld in de 16de eeuw en in 1785 als een stuk akkerland “genaemt de mot oncingelt met eenen vijvergracht”. Wellicht rest van een hoeve met versterkte woontoren op aarden heuvel.
* Maertens, Spanjaarden, Vetweide, d’Oye (26) : het gehucht Oye wordt al in 1244 vermeld. Ooie verwijst naar vochtige weide, verwant met “aa”, dat water betekent. Joseph Daris vermeldt in zijn notitie over Zepperen uit 1885, p. 60 dat de Spaanse troepen uit Zouleeuw de hoeve van Aert Mertens in december 1580 in brand staken. De Vetterij en de vetterijbeemd waren gemeentelijke eigendom op d’Oye en zijn al vermeld in 1564.
* Smid (27) : de oude smid Joannes Jammaers (Z. 17.11.1830 – Z. 17.2.1907), vader van rentenier Felix en grootvader van huisdokter Jammaers. Getrouwd met Anna-Gertrudis Saenen, die uit de Bergstraat stamde.
* Marieke van Celesius (28) : dagloner Celestinus Aloysius “Celejus” Hayen (°Alken 19.5.1865) kwam van Jemeppe op 10.6.1892 en woonde in het eerste huis van de Bergstraat. Hij was getrouwd met Maria Anna Vandenrijn (°Ulbeek 16.2.1867).
* De Menten (28) : Ridder Albert de Menten de Horne-Malou (ST. 16.1.1848 – Brussel 16.5.1920), kasteelheer te Melveren en als katholiek volksvertegenwoordiger rivaal van de blauwe Peten van Velm. Het katholieke strijdlied bevatte nog in 1914 de strofe: “De Menten is een man, die allen helpen kan, hij heeft veel dienst bewezen en moet geen kiezing vreezen”.
* Zingen (29) : leesfout, = zuigen.
* Rooie gaar aan de Dikke Linde (30): de “rode deur”, oude spookplaats. Vroeger was er hier een in het rood geverfde deur als barrier voor een weide. De plek diende ook als kampeerplaats voor ‘boheimers’.
* Bayerproducten (30): de Duitse chemiereus had lange tijd een bijhuis aan het stationsplein van Sint-Truiden, nu seniorie La Madrugada.
* Sarma (31) : supermarkt van de Sarma-keten op de hoek van de Grote Markt en de Hoogbrugstraat te Sint-Truiden in de jaren ‘60-’80.
* Bertuske Thijs metser (32) : Lambert Thijs (°Z. 14.4.1856), “steenmetser”, getrouwd met Vanbergen. Dochter Trees (°1892) werd “wijzevrouw” of vroedvrouw. Zoon Arthur (°1897) woonde lange tijd in het okerkleurig gekalkte huis in vakwerk op de hoek van Dorpsstraat en Wellensestraat. “Tuur van Tijskes” overleed pas in 1991.
* Victor en Isidoor van Peter Mommen (32, 33) : Henri-Theodorus Mommen (°Z. 20.5.1870) en Victor (°Z. 13.5.1873), zonen van Pieter Joannes Mommen-Detilloux.
* René (32): °1886, broer van Meester Schoofs.
* Gregorius Smets (33) : zie boven.
* Klanters (33): klamplijsters, dikke lijsters.
* Spikken (33) : meidoornhaag-zaadbollen.
* Marie van Bert Til (34) : Maria Elisabeth Knapen (°Z. 7.7.1892), dochter van dagloner Lambert Knapen-Biets op het Dorpsplein, wiens vader Tilman heette.
* Richard Straven (35) : Pieter Richard Straven (°Z. 27.2.1877), voorkind van Wanneke Schoofs-Fabry en landmeter Straven. Werkman in de radenmakerij, vertrok in 1897 naar Neeroeteren.
* Christine Ramaekers (36) : Hélène Christine Ramaekers (Sint-Lambrechts-Herk 23.1.1851 – Ordingen 5.5.1925), onwettige dochter van Catharina Ramaekers, en haar nichtje Marie Victorine Ramaekers (Snaaskerke 1.1.1878 – Ordingen 9.5.1925) kwamen vanuit de stationsstraat in Zepperen in 1897 naar Ordingen waar ze een stationsherberg hadden laten bouwen in 1895. In 1932 kwam een verwante, weduwe Hélène Cornet-Ramaekers (°Snaaskerke 1888), naar Ordingen om er herbergierster te spelen als “Madame Cornet” in de volksmond. Haar vader, ingenieur Martin-Joseph Ramaekers-Loncke (Z. 11.10.1845 – Schaarbeek 7.2.1929) en onwettige zoon van Catharina Ramaekers, was naar verluidt in Egypte geweest.
* Louis en Martinus Bese (37) : leesfout, moet zijn ‘Bex’. Louis (°Z. 7.1.1874) en Martinus ‘°Z. 24.2.1875), waren berdzagers en zonen van Arnold Bex-Buntinx in de Roosbeekstraat. Hun zus trouwde met Jef Daniëls en vierde haar feestelijke gouden bruiloft in volle Tweede Wereldoorlog.
* Gebrande Winning (37) : bakstenen hoeve uit eind 18de-eeuw langs de Zepperse steenweg, op enige afstand van de stadswallen. De vroegere boerderij was in brand gestoken door afpersers in 1789, die daarvoor op de brandstapel kwamen : Suske de Poep en het Voorvelleke.
* Cabeye (37) : Kabei, gehucht tussen Bernissem, Bautershoven en Zepperen.
* Pieman (38) : onbekend.
* Witte Lieven-Heer (38) : geïsoleerd kapelletje aan de veldweg van de Zeppersesteenweg naar de Kasteelstraat. Nu een bakstenen pijlerkapel, heropgericht ter nagedachtenisvan dokter en schepen E. De Jong (1873-1941) van Sint-Truiden. Er hangt een witgeverfd Christusbeeld.
* Fons de Rademaker (38) : vader van Meester Schoofs.
* Meester Creten (38) : Frans Creten (Z. 21.3.1858 – Z. 6.11.1929), gehuwd met Hermina Strauven. Onwettige zoon. Kreeg een gemeentelijke beurs en werd hulponderwijzer (1877) en hoofdonderwijzer tussen 1882 en 1919. Landmeter en duivenmelker. Legde een herbarium aan, nu bewaard bij de KU Leuven.
* Albert van Deu, idioot d’Oye (40) : Albert Alfred Treunen (Z. 5.3.1871 – Z. 7.4.1936), zoon Treunen-Cnuts van d’Oye.
* Kattesteeg (41) : veldweg die de Klein-Dekkenstraat verbindt met d’Oye en met de Eynestraat.
* Henri uit de Phare (41) : Henri Joseph “va Pake” Vanorbeek (°Z. 28.4.1909), zoon van de Truiense metselaar Frans Vanorbeek-Benaets (1867-1939) van de Bergstraat. Met zijn vrouw Elza Schoenaerts (°Z. 17.12.1911) hield hij sinds 1938 een kruidenierswinkel in hun nieuw gebouwd huis langs de Dekkenstraat, “de Phare” genoemd.
* Jozef Hansoul (42) : pappenske, Jefke van Miel Hansoul of mijnwerker Emile Hansoul-Knuts (°Z. 11.4.1884) in de Klein-Dekkenstraat kwam in 1917 van Bautershoven naar Zepperen en had een zoontje Jan Joseph (°Z. 5.9.1910).
* Marie van Marc (43) : Maria Leemans (°Z. 19.1.1881), sinds 1924 de vrouw van de vroeg gestorven Marc Hayen (1879-1931), herbergierster tegenover het gemeentehuis Eynestraat.
* Meester Neven (45) : Arnold (Jozef) Neven (Z. 30.7.1873, +Z. 18.01.1947). Onderwijzer, afkomstig van d’Eygen. Vader van onderwijzer Firmin.
* Bisser E.S. (45) : waarschijnlijk een Eduard Schoofs, geboren in 1890.
* Dikke Linde (45) : lindeboom op de splitsing d’Oyestraat – Dorpsplein, prijkt op een prentbriekaart uit 1920. In 1979 omvergewaaid en enkele jaren later nieuw geplant bij het gesneuveldenmonument 1940-1945. Kleine Linde : blijkbaar een linde bij het Dorpsplein. Het Dorpsplein is niet het huidige Genovevaplein, maar wel het eerste stuk van de huidige Kogelstraat.
* Bisschoppelijke Normaalschool Sint-Truiden (47) : deze kweekschool voor lekenleraars werd in 1836 aan het Klein-Seminarie in Rolduc opgericht, maar kwam na de scheiding van de beide Limburgen in 1843 in Sint-Truiden terecht. Ze was aangenomen door het Rijk. In 1920 verhuisde ze naar Mechelen-aan-de-Maas. Jozef Schoofs volgde er les van 1907 tot 1911.
* Lamme Goedzak (47) : nevenfiguur en vriend uit de roman over Tijl Uilenspiegel door Charles De Coster (1867). Zachtmoedige levensgenieter.
* Felix van Bert Til (48) : koolmijner Felix Lambert Knapen (°Z. 16.7.1898), zoon van Lambert en kleinzoon van Tilman. In 1923 getrouwd met Irma Schoenaers en wonende in de Dekkenstraat en vanaf 1932 in de Klein-Dekkenstraat.
* Jef Bese (48) : leesfout, met zijn klasgenoot Pieter Joannes Joseph Bex (°Z. 31.5.1891), zoon van landbouwer Jan Bex-Treunen.
* Molenbeek (49) : lokale naam voor de Melsterbeek, op de grens met Sint-Truiden. De grootste waterloop van Zepperen, waarop de graanwatermolen draaide.
* Brabançonne (49) : Belgisch volkslied, geschreven in de revolutiedagen 1830 door acteur Jenneval en op muziek gezet door Van Campenhout. Beginregel : “O, dierbaar België, O heilig land der vaderen…”.
* Naar wijd en zijd (49) : Officiëel lied van Belgisch Congo, geschreven in 1905 door Antheunis en op muziek gezet door Gevaert. Ook herkenningswijsje van de Belgische Nationale Radio Omroep.
* Te Hasselt langs de straat (49) : bekend kaartersliedje, eigenlijk : “Te Hasselt langs de baan weet ik een pannenhuisje staan, waar iedereen vroeg en laat, vrij in en uit mag gaan. Daar wordt een blijde mats gespeeld, volop, volop…”. Een mats is een kaartspel.
* De Witte Reebok (50) : onbekend.
* Bokkecarlinne (50) : Maria-Carolina Thijs-Vanstraelen (ST. 15.2.1843). Had een bok die voor dekking werd gehuurd. Paste op uitbestede, ongewenste zuigelingen. Eerste huis van de Kogelstraat.
* Julia (50) : (°Z. 5.10.1885), dochter van metselaar Gillis Frederik Thijs en Bokkecarlinne.
* Bert (50) : Pieter “Pierre” Albert Heusdens (ST. 2.11.1878), schoenmaker, ‘burgemeester van Brustempoort”. Vrijer van Julia Thijs, dochter van Bokkecarlinne, trouwde met haar in 1904. Zie : Zepperen in Twee grote Oorlogen, p. 17 en 27.
* Madame Jacobs (50) : onbekend.
* August Mommen (50): August (°Z. 1858) zoon van Christiaan uit de Kogelstraat, of August (°Z. 1897) zoon van Rikus.
* Pappenheimers (50):Veelal alleen gebruikt in het meervoud en de uitdrukking ‘zijn pappenheimers kennen’, dit wil zeggen weten met wie men te maken heeft. Pappenheimers waren oorspronkelijk soldaten uit het regiment van graaf Gottfried Heinrich zu Pappenheim. Uit Schillers drama “Wallensteins Tod” (1800).
* J.J. Rouseau, Emile (50): Jean-Jacques Rousseau was een Frans filosoof uit de Verlichting. In zijn “Emile ou de l’éducation” (1762) verdedigt hij de vrije opvoeding in de natuur van het platteland.
* Adolf Nijs (53): François Adolphe Nijs (Z. 20.9.1846 – Z. 22.10.1905), koetsier en later gemeenteontvanger. Gehuwd met een Jamotte en vader van Lea Nijs (°Z. 6.7.1888). Bouwde een herenhuis aan het Kerkplein.
* Gilissen (53): de familie Gilissen kwam in 1895 in het bezit van de hoeve van burgemeester Frans Coart, de oude 17de-18de-eeuwse Ouwerxwinning, vlakbij de kerk.
* De Bende van Cartouche, Robert en Bertrand, De Bende van Baekelandt (53): bekende volksfiguren. Cartouche was een Parijs gentleman-misdadiger en bendeleider uit het begin van de 18de eeuw. Robert en Bertrand waren twee Franse vagebonden die Vlaams schrijver Koen Ravestein (pseudoniem) rond 1905 in een Antwerps decor verplaatste. Bendeleider Baekelandt werd in 1803 onthoofd in Brugge.
* Het ijzeren graf, Conscience (53): Hendrik Conscience (Antwerpen 1812- Elsene 1883), de man die zijn volk leerde lezen. Het ijzeren graf, 1860.
* Arrumgham (53-54): eigenlijk ‘Arumugan’. De Zwitserse Jezuïet Joseph Spillmann (1842-1905) schreef dit missieverhaal op het einde van de 19de eeuw. Het werd rond de eeuwwisseling ook in het Nederlands uitgegeven als ‘Arumugan, de standvastige Indische prins. Lotgevallen van een bekeerde Indische prins’. Trichinopolis, nu Tiruchirappalli, is een grote stad in Zuid-Indië.
* Henri Leunen (56) : waarschijnlijk Hubert Henri (°Z. 14.2.1879), een zoon van Pieter Joannes Leunen-Lucas/Vrancken, dagloner op het d’Oyeplein.
* Jozef Bese (56): leesfout Bex.
* Morul (56) : morielje, paddestoel op grond of merulius, spekzwoerdzwam op rot hout.
* Monsieur Joseph (57): onbekend, moet geboren zijn rond 1888.
* Jef van Lamme (57): onbekend, Lamme = Guillaume.
* Guillaume Driesen (57) : Lamme (Z. 25.4.1894 – Z. 11.6.1967), zoon van Joannes “Djang” Driesen-Vananroye in het begin van de Roosbeekstraat. Oorlogsvrijwilliger 1914-1918, later mijnwerker, Plankstraat. Peter van Willem Driesen.
* Bertus Peters (57) : wellicht Hubertus Peters-Renaerts (Z. 31.3.1859 – Z. 27.3.1925), landbouwerzoon Peters-Biets uit het begin van de Bergstraat, “Bertus Biots” in de volksmond.
* Jozef Bleus (58) : wellicht Gilis-Joseph-Arnold Bleus (°Z. 16.7.1889), zoontje van Gillis-August Bleus-Helaerts uit de Klein-Dekkenstraat bij de Kriekelbrug ? Broer van Bonaventura en oom van Pierre Bleus.
* Dooibeek (58) : klare bronbeek die ontspringt op d’Oye en bij de Kriekelbrug in de Roosbeek-Bergbeek terecht komt.
* Stekelbaarsjes : zilverachtig klein visje met drie of tien rugdoorns, algemeen voorkomend en eenvoudig te vissen met regenworm door jongeren, “stiekelbak”.
* Frans Hendrix : Jan Francus Hendrix (°Z. 19.12.1890), woonde in de Dekkenstraat bij zijn ouders landbouwer Joseph Hendrix-Schoofs van Kozen.
* “Pieke” Pieter Dupont : Landbouwer Pieter Jean Dupont (°ST. 7.5.1843) was getrouwd met Philomène Vanoirbeek (°Z. 8.6.1845) en woonde in de vroegere Coemanswinning bij de Melsterbeek op de weg naar Sint-Truiden. Nu hoeve Hermans.
* Minake Vanhueren = Vanhaeren : Anna Chatharina Philomena Cnuts (°Z. 18.8.1838 – …opzoeken) en haar man winkelier-herbergier Pieter-Joannes Vanhaeren (°Z. 5.2.1846 – Z. 13.4.1905) woonden waar later De Woe zijn café-winkel had bij de Poel.
* Felix Pulinx (61-62) : °Z. 7.10.1859, dagloner-mijnwerker getrouwd met Maria Catharina Noens (°1866) van Veulen. Woonde in Tereycken. Gingen in 1895 naar Ans, maar woonden in 1903 met hun zoon Jan Joseph (°1893) in de Eynestraat in het vroegere huis Poelmans-Vanmechelen. In maart 1907 verhuisden ze naar de Varkensstraat in Brustem.
* Victor en Karel, boerenzoons (62) : misschien Victor Renaerts ?
* Line Creten uit de Mutsaard (62) : Rosaline Creten(°Z. 5.6.1844), kuipersdochter, trouwde in 1865 met weduwnaar Henri Knapen-Vanoirbeek(°Z. 11.12.1821). Zij kreeg drie dochters Maria (°1866), Christina (°1871) en Leonie(°1873), en twee zonen Martin (°1868) en Joannes (°1874). “De Mutsaard” was een bijnaam voor de herberg-winkel op de hoek van d”Oyestraat en Klein-Dekkenstraat, naar verluidt omdat de palmtak als tap-teken wat groot was uitgevallen.
* Bert (62) : onbekend.
* Dochters Mie, Leonie en Christine (63) : Maria Knapen (°Z. 27.10.1866), Anna Maria Christina (Z. 2.3.1871 – Z. 6.12.1945) en Anna Leonie (Z. 4.3.1873 – Z. 15.6.1953, gehuwd met Henri Fabry).
* Nonk Henri (63) : zie Henri Fabry.
* Christine (63) : Maria Christina Fabry (°Z. 14.3.1894), petekind van Christina Knapen. Zij kreeg een huishoudopleiding bij de Ursulinen, huwde onderwijzer Henri Vandenborne uit Bommershoven en had een naaiatelier in de Putstraat te Tongeren.
* Meter kamerjuffer (64) : Christine “Stina” Knapen (Z. 2.3.1871 – Z. 6.12.1945), dochter van Line Creten, was kindermeid en ongehuwde “gouvernante” op het kasteel van Felix de Pitteurs-Hiegaerts. Haar broer Martin was er koetsier-chauffeur. In 1940 keerde ze terug van de Louisalaan te Brussel en leefde nog enkele jaren bij haar broer op d’Oye.
* Joannes (64): Joannes Jozef “Djannes” Knapen-Hamonts (Z. 9.4.1874 – Z. 28.6.1952), jongste zoon van Line Creten, kleermaker-winkelier-landbouwer bij de Mutsaard.
* Mieke, Stina (65): Mie Fabry (°Z. 6.1.1862) trouwde in 1889 met Joseph Smets, bakker-winkelier in ‘Het Punaiske’ in de Hamelstraat en was de moeder van dokter Marcel Smets. Haar zus Stina Fabry trouwde met zijn broer Goris Smets, ook bakker-winkelier.
* Crème-foitée (65) : Crème-fouettée, crème-fraiche, slagroom, tot schuim opgeklopte gesuikerde room.
* Oude schuur (66) : schuur aan het Dorpsplein, kant Kogelstraat, eigendom van meester Arnold Neven. Daarop werd het nieuw huis van rademaker Fons Schoofs gebouwd. Een oude schuur ernaast, van Nol Bex-Bleus, schoonvader van Marcel Hechtermans-Fabry, diende als slaappplaats van leurders en bedelaars. Professor Van Oirbeek schreef erop in grote letters “Toevlucht der arme zondaren”. De schuur werd een werkhuis en het woonhuis werd er tegen gebouwd.
* Sint-Jansevangelie (66) : bezweringsformule tegen onheil en ongedierte.
* Mertjes (66) : kleine vogels, zoals sijsjes.
* Voorhof (67) : plaats tussen Bergstraat en de veldweg Dorp-Tereyken, “”t Feurt”, al vermeld in 1386 als “Voerhoet”.
* ‘t Wolfke (67) : plaats in Alken, het kruispunt van Laagsimsestraat, Hoogsimsestraat, Pleinstraat en Hameestraat.
* Pjadswossels (68) : horzels of dikke vliegen, die eitjes leggen in de haren van paarden. Larven komen dan in de ingewanden van de dieren terecht. Hier misschien bedoeld op paardenwespen of dikke, zware “Pruisische wespen”.
* Palmzondag (69) : de zondag voor Pasen, de blijde intocht van Jezus in Jeruzalem, waarbij met palmtakken werd gezwaaid. De boeren staken een takje gewijde palm op hun land om een goede oogst af te smeken.
* Japke (69) : misschien Jacobus Joannes Bastens (°Z. 11.5.1891), zoon van schoenmaker Albert Bastens-Vanstraelen.
* Felix (70) : (°1891+-), vader Gerardus Leunen woonde als knecht bij moeder Anna Fabry-Mommen (1827-1893) van Wanneke.
* Nolle (72) : zoon Pieter Arnold Lambert (°Z. 16.2.1880) van buurvrouw Bokkecarlinne.
* Negende (72) : noveen, negen dagen bidden.
* Rikske (71) : broertje Henri Schoofs.
* Adolf Mommen (74) : Eduard Adolf “De Krol” (°Z. 10.4.1889). Zoon van Rikus Mommen en zijn tweede vrouw Amelia Geladie.
* August Mommen (74) : Gustaaf Rodolf “De Wiele” (°Z. 29.8.1889). Zoon van weduwnaar Eduard Mommen-Ruymen (°1860), schrijnwerker in Luik, broer van schrijnwerker Gustaaf (°1858) en zoon van schrijnwerker Tsjaen Mommen-Belet (°1824) in de Kogelstraat. Andere kinderen Sofie (°1891), Walter (°1895), Fanny (°1894) en Adolf (1899-1899).
* Armand Schoofs (74) : “De Zwarte” (°1889). Zoon van Fons de Rademaker en broer van Meester Schoofs. Zie boven.
* Gustaaf Helaerts (75) : Machiel Gustaaf Helaerts (°Z. 1.10.1888) woonde in het begin van de Statiestraat bij zijn ouders timmerman Henricus Helaerts-Bunckens.
* Désiré (75-76): in het kerkarchief van 1902 is er sprake van “maçon Désiré Salmon”, een ploegbaas van de aannemer Renoir, die de restauratiewerken uitvoerde. Het beeldhouwwerk van het tympaan werd in 1906 uitgevoerd door het Antwerpse atelier Pierre Peeters.
* Melanie (79) : Amelia Geladie (Z. 26.3.1857 – Z. 30.8.1944) trouwde met weduwnaar en herbergier Rikus Mommen op het Kerkplein en schonk hem nog eens een achttal kinderen.
* Krol (79): Adolf Mommen (°Z. 1889), zoon van Rikus en van Amelia Geladie.
* Armand Knuts (79) : Arnold-Armand Knuts (°Z. 20.4.1891), zoon van Willem en Marie-Christina Vandenborne. Landbouwer hoeve “Ijzeren Kruis”, katholiek schepen en provincieraadslid.
* Pertelwortels: onbekend.
* Rikus Mommen (82) : Joannes Henricus Mommen (Z. 7.5.1836 – Z. 25.1.1921), huwde in 1861 een eerste keer met Maria Barbara Moermans en rond 1880 met Amelia Geladie.
* Muggenberg (83) : plaats tussen de Kattesteeg en de Kleine d’Oyestraat, al vermeld in 1694.
* Lambert Mommen (83) : Egide Lambert Mommen (Z. 9.11.1865 – Z. 26.8.1933), zoon van Rikus en Moermans. Jonkman en landbouwwerkman, bleef thuis bij zijn ouders herbergiers.
* Dulfers weide (83) : Dullaertshof ?, bij de kerk, vermeld al in 1660.
* Rosalie Knuts (84) : Maria Rosalia Knuts (°Z. 16.2.1893), jonger zusje van Armand en wonend in de hoeve “Ijzerenkruis” in de gelijknamige straat.
* Neth Penk (86) : onbekend
* Stokvis (86) : kabeljauw.
* Bokkingen (86) : haringen.
* Speen (86) : spinde, koel bewaarkamertje voor o.m. melk.
* De Polen : onbekend.
* Bert Ruysen (88) : Jan Lambert Ruysen (°Z. 12.8.1865), herbergier in Gippershoven, tegenover de Roosbeeksstraat, was getrouwd met Marie-Bertha Renckens van Zepperen.
* Pul (88) : kleine hen.
* Noenk-a-rie: zie Henry Fabry.
* Boer Vanvuchelen (90) : Jules “Boer” Vanvuchelen, vader van de latere burgemeester Fille Vanvuchelen (Zoutleeuw 13.6.1870, +Z. 11.10.1949), gehuwd met Dewijngaert. Landbouwer aan de Poel, waar hij vanaf 1916 op het vroegere goed Bellefroid een nieuwe hoeve bouwde. Gemeenteraadslid 1938.
* René (90) : zie boven.
* Bernard de Molenaar (90) : Bernard Creten-Smolders (°Wijer 4.2.1865), molenaar in de Kerkstraat te Ordingen.
* Jan Mommen (91) : wellicht winkelier Joannes Hippolytus Mommen (Z. 30.11.1871 – 1.2.1943), in 1901 getrouwd met weduwe en schoonzusters Gerardine Engelbos. Zoon van Rikus en zijn eerste vrouw Moermans. Stiefvader van Domien en vader van Jef.
* Bertuske Steukers (92) : misdienaar Hubertus Steukers (°Z. 19.4.1882) woonde op het Kerkplein als zoon van kleermaker-herbergier Leonard Renier Steukers-Vanbergen.
* Gustaaf (92) : Alfred Albert Gustaaf “Stafke” (°Z. 31.1.1898), de jongste in het gezin Schoofs. Onderwijzer, huwde met gravin en emigreerde naar Frankrijk en Congo. Twee zonen.
* Truike (93) : Gertrudis Geelen (°Gruitrode 18.4.1837), meid van pastoor Mommen. Jan Laurens Mommen, pastoor in Gors-Opleeuw, kwam tussen 1898 en zijn dood in 1901 nog even in Zepperen op rust. Na zijn dood keerde de meid terug naar haar geboortedorp.
* Eugène Mommen (93) : oudste zoon van Peter Mommen. Eugène-Henri “Djeun” (Z. 13.6.1867 – Z. 19.11.1954), landbouwer.
* Sinte-Markoeve (95) : Sint-Markoen, een heilige abt (+558) wordt onder meer in Hechtel, Neerglabbeek en Dinant aanroepen tegen het Markoenzeer, een besmettelijke ziekte en tegen zweren, haarwormen en reumatiek.
* Tering (95) : longtuberculose, slepende, dodelijke ziekte.
* Gusta Mommen (95) : Maria Augusta (Z. 11.4.1885 – Z. 16.4.1959), dochter van Rikus Mommen en zijn tweede vrouw Amelia Geladie. Trouwde met meester Arnold Neven (1873-1947) van d’Eygen.
* Léonie Mommen (95) : Joanna Leonie (Z. 7.3.1887 – Z. 24.11.1953), zuster van Gusta Mommen, nicht van Eugène Mommen. Huwde met August Steukers in …
* Alice (96) : Elise Boonen(°ST. 21.8.1910), dochter van duivenmelker Dolf Boonen-Leunen, die in een vakwerkhuis woonde in de bocht van de Kasteelstraat.
* Ernest Leunen (97) : Christiaan Ernest Leunen (°Z. 10.6.1891), zoon van Marcel Leunen-Leunen, die tegenover Peter Mommen woonde.
* Pet (98) : “Peut” Mommen. Zie boven.
* Bertje (97) : leesfout, = Bethje, Joanna Maria Elisabeth Detilloux (°Z. 30.10.1834). Leed veel armoede met haar “Peut”.
* Dopperen (99) : leesfout, = doppeZen, gevlochten koordjes om draaitol mee op te winden.
* Bert Til (100) : Lambert Knapen, in 1878 getrouwd met Philomena Biets van Aalst, was de zoon van Tilman Knapen-Billet (+Z. 7.8.1868). Nol (°1878) en Felix (°1898) van Bert Til waren twee van zijn zonen. Bert verhuisde tussen 1890 en 1900 naar de Kleindekkenstraat.
* Victor van Trienes (100) : Victor Hubert Renaerts (Z. 9.12.1877 – Z. 15.3.1956), gehuwd met Florentine Polus. Landbouwer Dorpsstraat. Voorzitter Boerengilde en Veeverzekering. Provincieraadslid. CVP-schepen 1946.

Remacluskring Zepperen
Versie 21 januari 2017

Jeugd vroeger

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close