Jeugdherinneringen van Josee Priemen

Lief en leed uit mijn jeugd in Zepperen

Woord vooraf

Deze herinneringen werden door Josee Priemen (Zepperen 1933-2014) neergeschreven vanaf december 1977 voor haar kleindochters. In maart 1990 maakte zij van haar jeugdherinneringen een verhaal vol anekdotes. Beide versies werden in deze tekst gecombineerd. Het is een schets geworden van een onbezorgd kind dat door de ziekte en vroege dood van haar vader Leander in echte miserie wordt gedompeld. In 2010 gaf Josee ons schriftelijk toestemming om deze herinneringen te publiceren.

Josee in 1950
Handschrift van Josee

Aan de lezer

Nu ik dit schrijven begin, ben ik in mijn 56ste levensjaar. Ik ben verre van gezond, en met al mijn ziekten en gebreken, zou ’t een wonder heten, indien ik oud zou worden. Ik heb soms zo ’n mooie herinneringen aan mijn jeugdjaren, dat ik er in lange slapeloze nachten, als ik àlles overdenk, er soms in mijzelf lig om te lachen. Ook veel droevige herinneringen trekken dan aan mijn geest voorbij. Dan leef ik als ’t ware weer in die jaren van voor en gedurende de tweede wereldoorlog.

’t Was een armoedige tijd, maar als men zo pril-jong is, dan is alles mooi en nieuw voor een kind. Terwijl ik nu nog kàn schrijven, wil ik over dit alles vertellen, vooral om mijn kinderen en kleinkinderen te laten weten, dat ik niet altijd in de huidige weelde heb geleefd, die wij nu in 1989 kennen. Moge het voor de huidige mensheid, hier in onze streken, altijd zo blijven gelijk nu, want zij zouden niet tegen armoede kunnen, gelijk ik geleefd heb, maar ik weet zeker dat de jeugd van heden minder tevreden is, en zich niet kan verheugen op spelen, gelijk mijn generatie dat kon. Toen was het nog kalm en rustig op straat , geen auto’s, geen bespoten fruit, en geen gecirkelmaaide weiden. Geen pikdorsers in oogsttijd. Wij konden toen nog aren zoeken en ons alzo wat nuttig maken. Als kinderen hielpen wij thuis al vroeg werken, en wij droegen geen klederen uit een dure boetiek, zoals nu door de kinderen geëist wordt, en door de ouders ook nog ingevolgd wordt, desnoods door een lening af te sluiten. Ik droeg klederen die ik kreeg van familieleden of van brave mensen die van wat gegoede stand waren, en de afleggertjes van hun kinderen gaven aan de arme mensen, want vuilniszakken om ze in te stoppen bestonden toen nog niet. Toen werd alles afgedragen, soms door drie-vier opeenvolgende kinderen, tot het kledingstuk tot op de draad versleten was. Nadien deed het nog lang dienst als stofdoek. Versleten truien werden nadien nog eens sokken of een sjaal. Alles werd herbreid, misschien brei ik daardoor nog steeds nieuwe voeten aan de sokken, als het been nog in goede staat is ? Ik ben in die jaren van armoede geboren en opgegroeid, en ondanks dat er nu overvloed is kan ik nog steeds niets wegdoen, wat nog enigszins bruikbaar is. Is dit een gebrek of een deugd ? Volgens mijn oudere buurvrouwen is het een deugd spaarzaam te zijn, volgens de jongere generatie ben ik zot en gierig. Wie zou gelijk hebben ?

Ik ben Priemen Josee en werd geboren op 17 november 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam. Mijn geboortehuis stond op de Roosbeekstraat waar thans Firmin Ruysen woont. Mijn ouders waren Leander Priemen en Rosalie Ruysen. Moeder was in verwachting van mij, vanaf februari 1933 en is pas getrouwd op 12 juni 1933. Vader mocht niet trouwen van zijn moeder Josephine omdat het leeftijdsverschil tussen de 28-jarige met zijn 33-jarige verloofde te groot was. Rosalie was bovendien te arm in haar ogen. Leander ging in hongerstaking en mocht dan toch trouwen.

De klak van vader

Hoe oud een kind precies moet zijn om indrukken op te doen weet ik niet, maar het eerste wat ik bewust zag en nu nog weet, was mijn vader te zien met een zwarte klak op het hoofd. Vaders’ moeder Jozefien Creten, een dochter van Jan de kuiper, was gestorven op 12 december 1933, dus 25 dagen na mijn geboorte. Zij moest normaal mijn meter zijn maar bezweek aan het waterfleuris. Ik kreeg de naam Josee naar haar naam Josephine. Ik lag in een biezen wieg met een kap erover, eveneens van gevlochten riet. Toen vader van de begrafenis van zijn moeder thuis kwam en zijn hoofd met zwarte klak onder de rand van de wiegkap stak, kreeg ik hem in ’t oog en begon luidkeels te schreeuwen. Hij trok zich weg en ik was niet bang meer. Hij liet zich weer zien, opnieuw geschreeuw. Ten zette vader zijn klak af en ik lachte naar hem. Dit voorval weet ik als de dag van gisteren. Toen ik dit enkele jaren later aan mijn ouders vertelde, zegden zij beiden dat dit inderdaad gebeurd was. Ze wisten niet waar zij ’t hadden, dat ik hun dit vertelde, en niet omgekeerd.

In de loopplank

Toen ik leerde lopen, wilde dat niet erg vlotten. Ik liep méér met een blauwe buil op mijn hoofd dan zonder. Er stond in huis op de Roosbeek een soort looprek, een léé werd dit genoemd. Dit zal leiding betekend hebben denk ik. Het was een houten kader van twee meters lang en een halve meter breed, ongeveer een halve meter hoog op vier poten staande gelijk een tafel. Tussen de beide zijlatten schoof door een gleuf een soort wc-bril, een vierkante plank met een rond gat erin. Deze plank schoof van de ene hoek naar de andere door een gleuf, die geregeld werd ingesmeerd met bruine zeep. In dit ronde gat werd ik dan geplaatst tot net onder mijn armen. Mijn voeten stonden dan op de vloer en de steun onder de armen belette mij dan te vallen. Zo werden mij voorhoofdbuilen bespaard, maar blauwe vingernagels waren de keerzijde van de medaille. Dit ging zo : als ik in dat kader stond op de hoek van de léé, en ik wilde naar het andere uiteinde, dan ging dit soms te vlug. Dank zij de bruine zeep gleed ik in het kader vliegensvlug naar het andere einde, e als ik dan mijn handen op de rand hield, dan klemde ik zelf mijn vingers tussen de omheining van de léé en de plaat waar ik in stond, en bijgevolg door mijn eigen druk mijn vingers plette. Of er dan geschreeuwd werd ! Ik stond eens in dit ding, en ze hebben mij later verteld dat ik toen elf maanden oud was. Ging het met lopen zeer traag, praten ging des te vlugger, en zelfs zingen. Mijn moeder zong mij in slaap, en omdat zij slechts één lied kende, werd mij dat dus dagelijks enkele malen voorgezongen. Ik kon de Latijnse woorden natuurlijk niet, maar de melodie kon ik neuriën. Dit lied van mijn moeder was “Lauda Jerusalem”. Stel je voor als slaapliedje. Die goede oude tijd toch ! Ik stond dus in de léé en neuriede het veel gehoorde lied. Toen kwam plots kapelaan Lambrechts binnen. Ik stond met mijn rug naar hem toe en had hem dus niet aanstonds gezien. Ik neuriede dus maar voort, totdat de kapelaan uitriep : “Wat kan die kleine toch mooi zingen en nog wel een kerklied”. Dus had hij in mijn neuriën verstaan om welk lied het ging. Ik keek om, de zang viel stil, en ik keek met grote ogen naar de lange zwarte toog en vooral de grote zwarte hoed met brede boord, die met lintjes omhoog werd gehouden. Welk verschil toch met de priesters van heden ! Als er geen geestelijken van vroeger gespeeld werden op de televisie, door Jo de Meyere (de herdershond), door Luc Philips (als pastoor Munte), dan zou de jeugd van thans nooit weten hoe een échte ouderwetse pastoor of kapelaan er ooit uitgezien hebben.

Tante Bergietje en de melk

Mijn ouders en ik woonden mijn twee eerste levensjaren in bij mijn grootvader Gustaaf Ruysen, waar ook nog twee ongetrouwde kinderen woonden, de broer en de zuster van mam, de 28-jarige oom Jozef en de 36-jarige tante Brigitte Ruysen. Jozef was een makker mijnwerker van mijn vader. Ik leefde toen praktisch van melk alleen, ik was een slechte eter, en mam gaf me dan melk ter vervanging. Melk van de koe, die dagelijks gehaald werd bij boer Hayen, Lamme van de Scheipes. Zo’n twee liters per dag werd gehaald, maar als ik er de helft van kreeg te drinken mocht ik wel boffen. Mijn melk werd namelijk gepikt… ! Mijn tante Brigitte, toen uitgesproken Bergietje, dronk ook graag melk, al was zij toen geen kind dus meer van leeftijd, maar van verstandelijk vermogen was zij wél een kind. Zij was minder begaafd, zo noemde men toen een zwakzinnige persoon zoals zij was. Zij leefde van steun en levenslang kindergeld. De blauw en wit gespikkelde melkpot stond steeds op het deksel van de moo of baktrog. Deze moo stond onder de zoldertrap, in de gang naar de mesthof, thans koer. Op de pot stond een als deksel dienstdoende djats of tas om de vliegen eruit te houden. Bergietje had een voorliefde om steeds naar de koer te gaan. Ter hoogte van de moo bleef zij luisterend staan. Was er niemand in de buurt dan zette zij snel de melkpot aan de mond en dronk één teugje. Dit gebeurde wel zo dikwijls dat de pot leeg was als mam mij mijn melk voor ’t slapen gaan wilde geven. Dan moest ik rammelend van de honger mijn bed in en legde mam twee klontjes suiker op de schouw en een tas water. Voor het slapengaan kreeg ik dan ook een tas suikerwater te drinken, maar of mijn honger daarmee gestild was laat zich wel raden. Ik was dus vrij snel wakker, en omdat ik wist van die klontjes op de schouw, hees ik mij in mijn bedje recht, trok mij omhoog aan de hoek van de schouw en stak een klontje suiker in mijn mond. Snel dook ik weer onder de dekens, verslikte mij, en de brok suiker schoot in mijn keel. Ik lag te hijgen en te stikken, en was pa toen niet net wakker geworden, dan was ik eraan geweest. Pa wipte in zijn hemd uit bed, greep zijn verstikkende kind vast en holde met mij naar de koer. Ik weet nog, dat alles rond mij draaide en dat ik alles zwart zag. Pa hield mij met de benen, de kop omlaag en schudde mij zo de sluimer en de smeltende suiker uit de keel. Ik braakte en schreeuwde en was gered. Toen pa mij terug binnen droeg en de slaapkamer betrad werd mam juist waker. En omdat mijn grootvader, die nota bene in dezelfde kamer sliep, in zijn slaap gestoord was, begon hij te kijven over dit nachtlawaai. Als hij ’s nachts wakker werd kon grootvader niet meer inslapen alvorens gerookt te hebben. Hij kroop dus uit zijn bed, ging in de huiskamer een pijp stoppen en kwam al rokend terug in bed liggen. Om te bekomen van mijn bijna verstikt zijn mocht ik zware Semois-geur inademen. Waarom pa en mam dit toe lieten ? Grootvader was de baas, zij woonden in en hadden nog geen huis. De echtelijke slaapkamer deelden zij als jonggetrouwden met moeders vader, en is het een wonder dat ik later tuberculose kreeg en mijn héle leven astmatische bronchitis heb gehad ?

Toen ik vijftien maanden was heb ik leren lopen. Dit gebeurde in de “smeid zijn bemd”. De “smeid” dat was Felix Jammaers van d’ Oye. Die had achter onze hof een grote beemd met canadabomen. Pa nam mij mee op zijn arm en zette mij in de beemd neer. Dan ging hij verder, dan sukkelde ik recht en zo leerde ik hem volgen. Als pa alleen ging wandelen, dan keek ik naar hem van in de mesthof. ’t Was inderdaad meer mesthof dan koer. Minstens de helft van de koer was mestkuil. Hoe ik daar nooit ben ingevallen begrijp ik niet. De tuin was van de koer gescheiden door een hoge vlierhaag en een oude buis van een Leuvense stoof om erover heen te stappen moest een tuinhek vervangen. Ik kon daar nog niet overheen en leunde dan met mijn ellebogen op deze buis, en volgde pa met de blik als hij in de tuin of in de smeed zijn beemd was. Tegen de achtermuur van het huis stond meestal de fiets van nonkel Jef Ruysen. Mijn speelgoed was de fietspedaal waar ik aan draaide. Die pedaal was voor mij als een molentje. Samen met een oud kerkboek van Bergietje, dat ik nog steeds bezit, was dat mijn enige speelgoed, in mijn eerste twee levensjaren. Bij regenweer en ’s winters trok ik met een potlood krabbels in dat boek.

Mam Rosalie Ruysen, 50 jaar
Tante Brigitte Ruysen, 53 jaar
Nonk Jozef Ruysen, 45 jaar

Naar de Plankstraat

In februari 1936 was ons huis gebouwd in de Plankstraat, officieel Klein-Dekkenstraat. Per kruiwagen verhuisden wij. Dat was niet zo erg als het lijkt, want buiten enkele schoendozen met wat ondergoed, vaders fiets en kleinigheden was er niets te verhuizen. Ons bed, de tafel, zes stoelen en een keukenkast, bevonden zich reeds in het nieuwe huis. Dit hoogstnodige meubilair hadden mijn ouders gekregen van grootvader Gustaaf Priemen, die alles zelf gemaakt had in zijn schrijnwerkerij, en daar hij eveneens in de Plankstraat woonde, had hij de meubelen al eerder naar ons nieuwe huis gebracht en op hun plaats gezet. Een oude Leuvense stoof met lange buis was er ook. De kleren werden opgehangen aan enkele nagels in de muur met een laken ervoor tegen verkleuring door zonlicht. Ik herinner mij nog dat een buurvrouw kwam kijken als mam de dozen uitpakte van onze verhuis en op alles had zij wat aan te merken. Toen ik wat ouder was en vroeg wie deze vrouw toen was die zich met alles bemoeide, kreeg ik te horen dat zij Fresine heette en kort voordien eveneens in de Plankstraat en nieuw huis had gebouwd. Ik had het als kind van 27 maanden zeer druk gehad die dag en viel vroeg in slaap. ’s Anderendaags ’s morgens toen ik ontwaakte en rond keek, zegde ik : “Kom, we gaan thuis”. Pa antwoordde toen : “We zijn toch thuis”. Ik was hiermee tevreden en was weldra gewend in de Plankstraat, die ik mijn hele leven niet meer zou verlaten.

Mam Rosalie met Josee bij de Basiliek van Kortenbos, mei 1937

Geburen

Die eerste jaren in de Plankstraat was ik vrij veel alleen wat speelkameraadjes betreft. Ons huis was het laatste in de rij en naast onze mesthof, met kiekendraad omspannen, golfden toen nog de korenvelden van op het Dekkenveld tot aan de grens der nieuwe straat. Vlak naast onze mesthof bevond zich het “land” van Jef Daniëls en Amelia Bex. Dit land zou door de gemeente dus aan de volgende bouwer worden toegewezen en verkocht. Wie onze gebuur zou worden wisten we nog niet, toen de oogsttijd aanbrak en Jef Dani‘ls met zeis en haak het korenveld plat legde. Nauwelijks was de oogst binnengehaald of er reed enkele malen een kar met paard ervoor, op en aan, en telkens werden brikken en betonblokken afgeladen op het stoppelveld naast ons huis. Ik stond met de vingers in de omrastering geklemd toe te kijken, en wist niet wat er te gebeuren stond. Ha, toen werden de bouwmaterialen nog aangevoerd met kar en paard, en van ver nog wel, van de Statiestraat kwamen ze ermee !. Bij Vandenbosch verkocht men toen de benodigdheden om een huis te bouwen. Wat later kwamen enkele mannen met meters, latten, koorden en hamers, en ze sloegen paaltjes in de grond met koord omspannen, zo werd de omtrek van de nieuwe woning aangeduid. En ik had mijn bezigheid met door de draad te kijken, naar al het nieuwe in mijn jonge leventje. In onze mesthof bevond zich een kuil waarin kalk “geleisd” was geweest. Deze kuil was nog niet dichtgegooid en ik mocht erin spelen met oude conservendoosjes en houtjes die ik vond, want speelgoed had ik nog steeds niet. Ik speelde in deze kuil op de zondag die volgde op het leveren van de materialen voor het nieuwe huis naast het onze. Na de noen kwam de nieuwe eigenaar met vrouw en zoontje aanstappen om de begonnen werkzaamheden van zijn toekomstige woning te bekijken. Ik hoorde toen zeggen dat deze man Lowieke Bex heette, zijn vrouw Maria en Jefke hun kind, zo oud als ik zelf. Deze mensen woonden tot dan nog in het oude lemen huis van “Petoet”. Dit huis heb ik nadien zien afbreken in de wei net voorbij de veldbaan, naast Marie-Jossée Vanheer. Die dikke eik in de hoek der wei stond er toen al en nu meer dan vijftig jaren later staat die eik er nog steeds. Dat “Petoet” zijn huis er ooit stond, daar zal niet veel meer aan gedacht worden. Zoals gezegd kwam de familie Bex naar de Plankstraat. Zoals steeds stond ik bij de draad te kijken naar die vreemde mensen, maar de zoon Jefke trok toch het meest mijn aandacht omdat ik in hem een speelmaatje zag. Dat zag Jefkes vader eveneens, want hij zette zijn zoontje over de draad. Jefke en ik begonnen te spelen in mijn speelkuil. We vulden doosjes met zand en Jefke begon mij te overtroeven, dat hij sneller een blikje kon vullen dan ik enz. Dat beviel mij niet. ik begon te pruilen en wilde niet meer spelen. Jef vond een dunne twijg en sloeg mij op mijn gezicht . Dit liet ik op eigen terrein niet gebeuren en we vochten als katten. Jef stak met de twijg in mijn neusgat en in één , twee, drie liep ik erbij met mijn gezicht vol bloed. Ontsteld en verschrikt klauterde Lowieke Bex over de draad en wierp zijn zoon terug buiten de omheining, waar hij hem flink de broek uitklopte. Op mijn geschreeuw kwam mam toegelopen, die danig verschrikt was bij het zien van dat bloed. Maria, de moeder van Jefke, was ook bevreesd. Aan mam zegde zij “Roos, leg een natte zakdoek op haar neus”. Mam bedolf mijn gezicht onder koud water, terwijl Jefke van zijn moeder nog een pak op zijn broek kreeg, en hij schreeuwde als een gekeeld zwijntje. Mijn bloedneus was al gauw genezen. Het had erger geleken dan het was. Dit was onze eerste kennismaking met de nieuwe buren, die na een jaar hun nieuwe huis kwamen betrekken en ik en Jefke Bex waren voortaan dagelijks vriend en vijand.

Het nieuwe huis in 1935-1936 van Josee’s ouders, met kelderkamer. Verderop haar eigen huis uit 1958

Het moet einde 1938 geweest zijn met Sinterklaas. Ik kreeg toen ’s nachts van de Sint op een teljoor wat snoep en wat speelgoed thuis bezorgd, en ook een popje met een kartonnen gezicht, en beentjes en armpjes van stof gevuld met stro. Dat ik de koning te rijk was moet ik niet vertellen. Ik was gehaast om mijn grote bezit aan Jefke Bex te tonen. Fier als een gieter ging ik in de tuin wandelen met mijn popje op de arm. Bij Lowieke Bex was de Sint ook geweest en hij had Jefke bedacht met een mooi kartonnen paard, zo groot dat Jefke er op kon zitten. Dit paard was mooi grijs gevlekt, een echte schimmel. Een lange staart van uitgerafelde koord en dito manen maakten er bijna een levend paard van. In de kop mooie glazen ogen, die een beetje dieper in hun kassen lagen. Het paard was vastgemaakt op een plank waaronder vier ijzeren wieltjes en een koord aan de plank, om voort te trekken. Aan die koord trok Jefke zijn paard de tuin in, en zag mij in onze tuin met mijn popje van amper dertig centimeter pronken. “O,” zei Jefke, “ik heb toch weer veel meer van Sinterklaas gekregen dan gij, zo’n groot paard hebt gij toch fijn niet gekregen, en die pop van u dat is een lelijke, bah !” Ik was zeer kwaad op hem en keek strak voor mij uit, maar Jefke hield niet op mij te treiteren, en hij zaagde maar voort over mijn voddenpopje en zijn prachtig paard. Plots viel mijn oog op iets, en al was ik pas vijf jaren ik zou Jefke dat betaald zetten. Daags tevoren had pa de wc leeggemaakt, en in die tijd werd dat in de tuin leeggegoten ter bemesting, alles lag daar nog, met stukken halfvergane gazetpapier, die toen het wc-papier van thans vervingen. Ik greep zo’n stuk papier beet, raapte er een dikke worst uitwerpsel mee op en gooide naar Jefke. Hem miste ik, maar het mooie nieuwe paard kreeg de volle lading, net in de hoek van zijn oog. Het spatte uiteen en drong goed door in de oogkas van het paard, rond het bolle glazen oog. Jefke begon te schreien, zodat zijn moeder buiten kwam lopen. Ze zag het gebeurde en zag mij ook gaan lopen tot achter de muur van de stal. Daar bleef ik stil staan en zag Maria met vod en emmer water komen om ’t paard zijn gezicht af te wassen. Maar met dat wassen wreef zij ook de verf eraf. Toen maar met een droge doek gekuist, en met lucifertjes de ooghoeken van het paard uitgepeuterd. Ik stond er bij de muur verstopt naar te kijken en was zo bedroefd over mijn moedige daad, of was het schrik van Jefkes moeder ? Ik heb in elk geval verschillende dagen de tuin gemeden, of ze mij zou zien. Zo goed Maria het vieze paard ook gekuist had, ’t was aan een kant van zijn kop altijd gebruind gebleven, en Jefke heeft het zeker nog een jaar of twee gehad, eer ’t versleten was. Maria kon er pas jaren later om lachen, als ze over het kartonnen paard sprak met mij.

De eerste schooldag

Op 1 september 1939 moest ik voor ’t eerst naar school gaan, meteen om te leren en niet om te spelen. Ik was bijna zes jaar, en ik kende praktisch geen kinderen. Ik ging alleen ééns per week naar de Roosbeek en mee naar de winkel in onze straat met mijn moeder. Uit overbezorgdheid had moeder mij nooit naar de bewaarschool van zuster Odile laten gaan. Zij verwachtte toen ook mijn broertje RenŽ, geboren op 27 april 1939. Maar nu was ik schoolplichtig en mam bracht mij die morgen naar de “klein school in ’t kerksteegske”. Ze hield mij stevig bij de hand toen we aan ’t klein barrierke stonden. Onlangs is het barrierke dichtgemetseld, alles verdwijnt immers. Ik zou dus terstond de ernst van ’t leven leren kennen, in de klas van zuster Marie. Maar eer ’t zover was zou er nog iets gebeuren ! Er stond een man met een uniform aan en een kepie op het hoofd. Ik dacht dat het een gendarm was, die stoute kinderen zou oppikken. We waren immers zeer bang voor de gendarmen. Onze moeders dreigden altijd : “Als ge niet braaf zijt komen de gendarmen u halen, en binden u aan het paard zijn staart vast”. Ik stond nog heimelijk bang te zijn voor de vermeende gendarm toen mijn buurmeisje, Hilda Thijs van Lis Bex, mij toe fluisterde : ‘Vandaag komt de inspecteur in de school, en owée wie niet lezen of schrijven kan”. Omdat ik geen van beide vakken kon, en ineens de man in uniform aanzag voor de gevreesde inspecteur, trok ik mijn hand uit die van mam en zette het op een lopen. Richting kerk, vanwaar wij te voet gekomen waren. Maar mam was toen nog kranig en volgde mij. Voor de kerkdeur had ze mij te pakken, en sleurde mij terug naar de school. Van de man in uniform was geen spoor meer, en dus was volgens mij de inspecteur weggegaan. Een tijdje later zag ik deze man nogmaals aan de school met een klein meisje aan de hand, dat ik intussen kende als Denise Mertens. De gevreesde gendarm-inspecteur was niemand anders dan de vader van Denise, de genaamde Lowieke, in zijn uniform van stationsbediende ! “Lowieke Pak-vast” noemden sommigen hem. Vanwaar die spotnaam, dat weet ik niet.

Onze Lieve Vrouw op de Roosbeek

Wat nu volgt gebeurde in maart 1937. Ik was toen vier jaar. Het hoorde geschreven te zijn voor dit van 1939, maar ik vergat het toen. ’t Betreft mijn grootvader, tevens mijn dooppeter, Gustaaf Ruysen, de vader van mam. Deze grootvader moet in zijn jonge tijd een zeer sterke kerel geweest zijn. Dit heb ik horen zeggen, want toen ik hem kende was hij 76 jaar oud. Hij woonde op de Roosbeek samen met zijn zoon Jef Ruysen, en zijn zwakzinnige dochter “Bergietje” Ruysen, nadat wij van daar naar de Plankstraat getrokken waren. Grootvader was een rare vogel. In meer dan dertig jaren was hij niet meer naar de kerk geweest, en leefde maar voor zijn werk en zijn pijp. Af en toe kwam hij thuis in de Plankstraat op bezoek en kreeg ik een kwartje va hem voor mijn spaarpot. Zijn zoon Jef, mijn nonkel, werkte met de nachtpost in de koolmijn te Luik. Op die bewuste morgen was Jef thuis gekomen en vond zijn vader met de dekens over zijn hoofd te bed. Dit was de gewoonte niet, want grootvader Ruysen stond al op van vijf uur ’s morgens, ook nog toen hij al zo oud was. Hij ging ’s avonds van half zeven slapen, dus hij kon er wel vroeg uit. Die morgen echter lag hij om acht uur nog weggestopt in zijn bed. Hij vertelde aan Jef dat hij zo bang was, en er niet uit durfde komen. Daarbij had hij zijn zoon Jef de oorzaak van zijn schrik verteld, en Jef was nog banger dan zijn oude vader. Jef had niets beters gevonden dan zijn fiets te pakken en naar mam toe te komen in de Plankstraat. Toen hij mam zag zei hij : “Roos, ik heb zo ‘ne schrik, ik ben naar hier gereden dat het hemd geen kont raakt, ge moet direct naar pa komen, ik durf niet herhalen wat hij mij gezegd heeft, hij zal het u zelf wel zeggen”. Mam eveneens zeer verschrikt, alhoewel ze niet wist waarom, sloeg haar zwarte “neusdoek” om de schouders, greep mij bij de hand en in alle haast over “Mokses” wei, door de stichel aan Guillaume Hansoul, en naar grootvader toe. Nog steeds lag hij bevend van schrik in zijn bed. Mam vroeg hem, wat hij nu wel aan de hand had, en hij vertelde : “Ik was om vijf uur wakker geworden en was achter de koude stoof een pijp gaan roken. de deur van de “goot” of gang stond open en plots zag ik daar een lichtstraal over de goot naar binnen komen. ’t Werd steeds klaarder en nu kwam er ineens een mooie vrouw op mij toe, gans in wit en blauwe klederen met op elke voet een rode roos. Ze kwam steeds korter bij tot voor mijn voeten. Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht, en keek stilletjes tussen mijn vingers door. Ze stond er nog en toen lachte zij naar mij. Ze bleef zeker vijf minuten staan en ging toen langs de goot weer weg, de lichtstraal ging met haar mee. Ze ging langs achter weg, en ik hoorde de deur niet open of toe gaan. Roos, ik ben er nog erg bang van.” Mam zei hem : “Ge waart zeker aan ’t dromen ?”. “Neen, ik was klaar wakker”. Ik denk dat ik het weet,” vervolgde hij,” dat is zeker Onze Lieve Vrouw geweest, die mij kwam verwittigen, dat ik dertig jaar lang als een geus geleefd heb. Roos, ga naar pastoor en zeg hem dat ik mij wil biechten, en Ons Heer wil krijgen”. Mam stapte van de Roosbeek uit naar de pastorij, ik vergezelde haar. Aan pastoor Reyners vertelde mam het verhaal. Deze lachte eens en zei : “Hij zal zeker aan ’t ijlen geweest zijn, maar ik zal dadelijk naar hem toe gaan, en dan zal hij wel kalmer worden.” Pastoor Reyners ging grootvaders’ biecht horen, gaf hem de communie en de schrik over de verschijning was meteen verdwenen. Grootvader ging weer in de tuin werken en was gelukkig, al duurde het maar drie maanden meer eer hij erg ziek werd. Nog dikwijls sprak hij over die mooie vrouw die hem bezocht had. Hij was toen dit gebeurde nog niet ziek, en heeft nooit geijld. Toen hij drie maanden later maagkanker kreeg en toch erg ziek was toen, heeft hij nooit geijld en was niet bang voor de dood. Zijn laatste woorden op 3 juli 1937 waren : “Alles is volbracht.” Zonderlinge man toch ! Wat er ooit waarheid geweest is over die verschijning wist grootvader alleen. Niemand geloofde hem, ook pastoor Reyners niet. Maar waar haalde de oude ongeletterde man de woorden vandaan om alles zo goed uit te leggen ? En vanwaar zijn schrik ? En vanwaar zijn gelukkig einde, ondanks zijn hevig lijden ? Hij nam op 4 juli 1937 zijn geheim voor altijd mee in het graf ! Het was wel geen geheim meer, maar noch zijn kinderen, noch de pastoor hebben er nadien iets van verteld. Niemand zou hem trouwens geloofd hebben, maar nu nog 53 jaren later krijg ik kippenvel als ik er aan denk. Niet van schrik echter. Iets onverklaarbaar !

Grootvader Staf

Mijn andere grootvader was Gustaaf Priemen. Deze heb ik veel langer gekend. Mijn beide grootmoeders heb ik nooit gekend. Grootvader Priemen heeft geleefd tot 8 juli 1955. Hij had ruzie gekregen met zijn zoon Louis en trok in bij zijn andere zoon Jozef in Brustem. Daar is hij op de Luikersteenweg door een auto overreden toen hij steenkolen ging bestellen. Hij liet alle auto’s voorbij en stak de straat over achter een grote camion. Maar hij had de kleine Fiat erachter niet opgemerkt. Hij was op slag dood, zijn been was onder de knie afgereden. Was dit niet gebeurd dan zou hij steenoud zijn geworden. Hij beschikte over een ijzeren gestel, en had blozende wangen en een goede gezondheid tot aan zijn dood. Als schrijnwerker gooide hij vaak zijn gerief kwaad weg als iets niet wilde lukken en raapte daarna alles terug samen. Hij was altijd belust erop om iemand een poets te bakken, en liegen dat hij deed… Toen hij nog in zijn huis te Zepperen was, samen met zijn zoon Louis en diens familie,  kwam er als huisdokter een zekere Depeuter van Sint-Truiden. Deze jonge dokter hield veel van wielersport, en praatte daar zeer graag over. Nu hing bij Gustaaf Priemen een grote kader aan de muur voorstellend een beeld uit de ronde van Frankrijk, en zicht op de beklimming van de Tourmalet door drie renners, gezien van op de rug. Voor dit kader had dokter Depeuter veel belangstelling. Eens vroeg de dokter : “Hoe komt ge toch aan deze mooie prent, mijnheer Priemen ?”. “Zelf verdiend,” antwoordde grootvader zonder verpinken. “De middelste renner op de foto, dat ben ik zelve, ik was toen nog zeer jong, en ik heb een tijd lang gekoerst eer ik schrijnwerker werd, ja ik ben tot beroepsrenner opgeklommen, dien dag dat deze foto gemaakt werd, heb ik de rit gewonnen. Dit kader heb ik gekregen als aandenken”. Dokter Depeuter liet niet merken wat hij dacht, maar spontaan drukte hij grootvader de hand en zei :”Alsnog proficiat mijnheer Priemen, ik wist niet dat u eens zo’n groot renner bent geweest.” Waarop grootvader : “Neen, dat kunt u niet weten, ’t is ook al zo lang geleden, toen waart gij nog niet geboren dokter en de gazetten uit die tijd, die vindt ge nergens niet meer”. Onbewogen vervolgde de dokter : “Maar hoe komt het dat u er zo vroeg mee gestopt bent ?”. “Ja, het toeval, hé,” zei Priemen, “’t was eens op Zepperen-Kermis hier, er werd een simpel kermis-koersje gereden, enkele toeren hier door de Plankstraat, langs d’ Oye, aan de dikke linde rond, zo langs de steenweg terug. We hadden pas een paar ronden gereden, toen ik iets in mijn buik voelde zakken. Ik moest mijn broek af doen, dokter, en dit in volle koers. Ik reed de Kattensteeg in, en daar achter Née van Janus zijn dikke perenboom zette ik mij op mijn huiken. Ik moest nogal veel, en daarna verloor ik heel wat tijd. Ik had geen papier bij, ik moest nog een blad zoeken om te kuisen, u weet wel, en intussen hadden de anderen al een paar ronden voorsprong. Ik dacht in mijn eigen “Foert ermee”, verkocht mijn koersvelo, en ben toen gaan hout bewerken. dan had ik tenminste tijd om mijn behoeften te doen.” “D’ as toch echt spijtig, met zo’n toekomst voor u,” zei dokter Depeuter, en aan zijn gezicht liet hij niet merken of hij grootvader geloofde of niet. Nadien moesten wij allen erg lachen : Grootvader koereur ? Hij die nooit een fiets had kunnen rechtuit duwen, laat staan erop te rijden !

Grootvader Gustaaf Priemen, 71 jaar

Het volgende heeft mijn vader zaliger, Leander Priemen, ons eens verteld. In de oorlog van 1914, pa was toen negen jaar, was er bij arme mensen niet veel te eten, en grootvader had eens ergens een dikke bokkingvis kunnen krijgen. Zijn vrouw had die bokking in de pan willen braden, maar grootvader zou het eens beter doen. Hij zette het deksel van de Leuvense stoof en boven het open vuur legde hij de halfgeopende stooftang dwars over het vuur. dat was zeker de voorloper van de huidige grill ? Of was het de eerste barbecue ? Op deze tang legde hij de bokking voorzichtig neer en zou de vis zo bakken. De bokking kiste reeds en grootvader vond het nu tijd om de vis om te keren. Met een vork wilde hij de vis op zijn andere zijde keren, maar door een verkeerde beweging stiet hij de vis eraf, en deze viel in de vlammen. Onmiddellijk zwart verbrand natuurlijk. Grootvader greep de tang beet en tussen de beide klemmen van de tang greep hij de verbrande bokking uit de stoof, trok de voordeur open en met een grote zwaai kwam de bokking op Eduard Claes zijn wei terecht. De kinderen stonden beteuterd te kijken. Allen hadden spijt dat hun stukje vis verloren was. Na wat nagedacht te hebben zei grootvader : “Ik haal hem terug, als ik het vel eraf trek is het binnenste toch misschien nog goed”. Hij de straat over en plots zag hij uit het gras een ekster opvliegen met de bokking in de bek. Hij greep zijn klomp en gooide naar de ekster. Deze loste haar greep en liet de bokking vallen. Grootvader nam de vis weer terug mee in huis, vilde hem en na al die tegenslagen aten ze met zes personen van die éne bokking. Allen een stukje ter dikte van een karamel. “En lekker dat het was”, zei pa zaliger.

Pa vertelde nog meer grappen van zijn vader. In augustus 1914 brak de oorlog uit. Iedere avond na het werk, kwamen er enkele geburen bij Gustaaf Priemen op de bank zitten. Deze bank stond tegen de schrijnwerkerij. Grootvader zat op het hoekje, het dichtst bij de deur. Ik zie hem nog zitten, met zijn klompen aan die ’t Mke, Emile Hansoul, gemaakt had. Een oude afgezakte broek met het kruis tot aan zijn knieën en een blauwe kiel die door de verschillende kleuren blauw van de vele herstellingslapjes precies een landkaart was. Hij had een rood ontstoken oog, en geregeld trok hij dan de rode met witte bollekenszakdoek uit zijn zak, om zijn steeds tranerig oog af te wrijven. Soms als het heel hard regende zei hij : “Ik zou mijn oog moeten beien (betten) met regenwater, maar waar zoudt ge dàt wel vinden ?”

Zijn naaste buurman Guillaume Bollen, bijgenaamd “Genan”, zat veel naast Priemen. Grootvader deed niets dan Genan pesten, maar ’t was net of Genan dat graag had. Hij zat er steeds opnieuw elke dag. Zo ook een avond bij ’t begin van de oorlog in 1914. Grootvader en Genan zaten de gebeurtenissen te bespreken. “Zoudt ge geloven dat we hier niet lang meer veilig zijn,” zei Priemen, “we zouden moeten gaan vluchten tot het ergste door is, op de kanten van de Kempen af, daar is ’t beslist veiliger dan hier. Ik heb er al met Fine over gesproken, we zijn van zins de boel in te pakken. Als we dat direct doen, dan kunnen we vertrekken als ’t koel is vanavond.” Daarop haastte hij zich in huis, en liet Genan zitten. Deze ging ook zijn huis binnen. Wat later leidde Genan zijn paardje buiten en spande zijn ressoorkar er achter. Geholpen door vrouw en kinderen droeg Genan wat kleding en wat huisraad naar buiten, en weldra zat de hele familie op de kar, gereed om te gaan vluchten. Plots dacht Fine “Buet”, de vrouw van Genan, aan hun twee varkskens die in de stal zouden achterblijven en ze begon te wenen. Daar Gustaaf Priemen ook varkens had, ging Genan vragen hoe Priemen dat zou regelen met de varkens, gedurende hunne afwezigheid. “Wel, zet maar meel en patatten onder de schuil, zodat ik erbij kan, ik zal ze wel voederen tot dat gij terug komt,” aldus Gustaaf Priemen. Waarop Genan verwonderd :”Gaat gij dan niet vluchten ?” En Priemen weer : “Waar zoudt ge wel henen gaan ?” “Vaal biest !”, zei Genan en spoedde zich de kar leeg te maken. Hij besloot ook maar het beste thuis te blijven.

Henri Thijs

Schuins tegenover grootvader Priemen woonde diens zuster Gerardine Priemen, haar man Henri Thijs en hun gezin. Deze Henri was beter gekend als Haarie van Carlinne. Haarie was een zeer grappige man en noemde zichzelf “djatsenkompeer” omdat hij geregeld de afwas moest doen. Zijn vrouw Gerardine was toen reeds een bekwame naaister en werkte in dien tijd al samen met leermeisjes. Door het vele werk aan de naaistiel geraakte het keukenwerk dikwijls erg achterop en moest Haarie bijspringen om de achterstand bij te werken. Dan zegde hij vaak : “Ik heb een vrouw van niets, mijn éérste vrouw, dàt was een goeie, dat was een van Aarschot”. Dit was natuurlijk voor de grap, want hij was slechts één keer getrouwd. Als er gaten in zijn sokken waren, stopte hij in het gat een stuk wit papier en legde de sok dan goed zichtbaar op de naaimachine van zijn vrouw. Dikwijls raakte de sok dan zoek onder stof en patronen, en kon Haarie zorgen voor andere sokken. Hij nam alles voor de grap, want de man wist dat wel, dat een man die een vrouw had die een beroep uitoefende, niet veel tijd meer over had. Ondanks zijn gezegden over zijn vrouw hadden ze een goed gezin, want ze zijn 54 jaren getrouwd geweest, tot aan Haaries dood in 1959.

In het volgend verhaal is er even sprake van Haarie, maar zijn schoonbroer Gustaaf Priemen speelde weer de hoofdrol. Grootvader Priemen zat op zijn hoekje van de bank, uit te zien of er niemand voorbij kwam die hij een poets kon bakken. Daar kwam Jef Degraef aangestapt. ’t Was of de mensen ambras zochten, want Jef Degraef zette zich neer naast Priemen, en vroeg voorzichtig : “Hoe is ’t ermee ?”. Ik schrijf “voorzichtig” want Jef Degraef had een verzwering aan lippen en mondhoeken. Hij durfde nauwelijks te spreken uit vrees dat de kloven aan zijn lippen zouden scheuren. Zijn mond met zalf besmeerd, en krampachtig de lippen vooruit zat hij daar. Gustaaf Priemen had al dadelijk gezien dat hij Jef moest zien aan ’t lachen te krijgen. Hij had al enkele grappen verteld, maar Degraef vertikte het om zijn lippen te bewegen. Plots begonnen de hennen bij Haarie luid te schreeuwen en te vliegen. Deze laatste was tussen de hennen eentje aan ’t vangen om te slachten. Gustaaf Priemen had gauw een reden gevonden om dat geschreeuw van de hennen te verklaren :”Hoor eens, Jef”, zei hij, “Haarie is weer aan’t haan spelen, hij treed de hennen elke dag”. Degraef barstte in lachen uit, zodat het bloed uit zijn gesprongen lippen drupte. Priemen had zijn doel weer eens bereikt en Jef Degraef droop af om nieuwe zalf aan zijn mond te strijken.

Pa Leander Priemen, 25 jaar in 1930

Windproblemen

Toen pa zaliger nog een kwajongen was, mocht hij eens met zijn vader mee gaan, te voet naar Sint-Truiden markt. Ze gingen “te gries”, zoals men deze wegverkorting in Zepperen noemt. Aan Dolf Boonen kon men door de “stichel” kruipen en dan zo door de weiden en velden, langs de molenbeek, richting Sint-Truiden. Ze hadden den avond te voren bonensoep gegeten en dan had pa altijd wat last van wind in de darmen. Ze waren al halfweg, grootvader voorop en pa enkele meters achter hem aan. Pa liet er ééntje vliegen, en zijn vader keek eens om. Enkele schreden verder weer eentje die nogal lawaaierig klonk. De vader keek weer om naar zijn zoon en zei : “Houd maar wat uw manieren.” Pa kon er niet aan doen want wat verder klonk weer hetzelfde geluid als gevolg van de bonensoep. Gustaaf keek om, bleef even staan en zei :”Gij doet dat zeker om mij uit te schijten, als ik het nog hoor, gooi ik u in de molenbeek !” Leander had schrik van zijn vader en met samengeknepen billen volgde hij hem. Toen de volgende wind hem ontsnapte klonk die nog luider, net door die samengeknepen billen, en als iets niet mag, ja dan gebeurt het juist. Grootvader keerde zich om en trachtte zijn zon te pakken, maar deze laatste liep hard terug achteruit. “En juist al dat lopen was goed geweest om al de overtollige wind uit mijn darmen kwijt te raken” zei pa, want toen grootvader terug vooruit stapte en de achtervolging staakte ging zijn zoon hem weer achterna, ditmaal geluidloos en zo geraakten ze tenslotte zonder verdere geluiden op de zaterdagmarkt. Grootvader was kwaad geweest over de ongemanierdheid van zijn zoon, maar wat nog volgde, gaf de zoon meer reden tot beschaamdheid over zijn vader. Volgens het verhaal van mijn vader had grootvader dien dag een ongepaste grap verteld, wat pa deed blozen tot achter de oren. In Sint-Truiden gingen ze een winkel binnen om voor grootvader een hemd te kopen. Een deftig madammeke spreidde op de toonbank enkele hemden open om mijnheer te laten kiezen. Daar grootvader moeilijk kon kiezen, prees de dame hem een hemd aan, volgens haar uiterst geschikt voor mijnheer. Maar “mijnheer” Priemen bezag het hemd misprijzend : “Véél te kort, daar hangt ene mens zijne sus onderuit” zei grootvader. De dame werd rood als een kreeft, en de zoon Priemen keek naar de toppen van zijn klompen. “Zo beschaamd was ik nog nooit geweest,” zei pa, als hij ons dat later vertelde.

Zuster Marie !

Toen ik in 1939 in de school van zuster Marie beland was, was ik, die geen ervaring had met kinderspelen, een erg bedeesd kind. Ik stond op de speelplaats ergens in een hoekje, en durfde niet spelen. Onze armoede thuis zat er ook voor iets tussen, want ik voelde mij minderwaardig, met een grijs en zwart gespikkelde tipsjaal met franjes, vanvoren gekruist, onder de armen door, en op de rug in een dubbele knoop gebonden. Andere kinderen hadden een jasje, ik was de enige die geen jasje had, een voddemie volgens zuster Marie. In de lange gang van de school was een kapstok waaraan wij onze klederen ophingen. Ik hing mijn tipsjaal zo goed ik kon uit het oog, want ik werd nogal bespot om dien sjaal. In de gang stond een grote kartonnen doos, die dienst deed als vuilbak. Daarin wierpen de kinderen allerlei & afval, inktvodden, appelschillen, korsten brood met siroop erop enz. Ik mocht telkens mijn gehate sjaal in die vuilnis zoeken. Soms besmeurd met siroop kon ik dat ding dan om mijn schouders sukkelen. Achter op mijn rug de twee uiteinden knopen viel immers niet mee voor een zes ˆ zevenjarig kind. Zuster Marie “hielp” me wel eens met de sjaal. Dan trok zij de uiteinden zo vast samen dat ik nog amper kon adem halen. Eens stond ik op de speelplaats het papiertje van een mals geworden karamel los te peuteren. Zuster Marie wandelde rond, zag het en “hielp”. Met een pennenmesje deed zij het plakkerige papier eraf en stak zowaar de karamel in haar mond. Ik had het voor het nakijken. Ik merkte gauw dat ik de verstoteling was en was uiterst bang voor de ware vuisten en grote voeten van zuster Marie. Met deze vuisten heb ik vele malen kennis gemaakt in mijn eerste en tweede schooljaar. Ik moet nu nog lachen als ik eraan denk dat Maria van Nand Knapen eens tot mij zei : “Zuster Marie, dat is een man met nonnenklederen aan, ge ziet toch wat grote schoenen ze aan heeft, en welke grote handen ze heeft.” Deze Maria Knapen haar moeder was Jet de coiffeuse. Jet had haar dochter op haar zevende jaar een permanent in het haar gezet. Toen Maria met dien krullebol in de school kwam, greep zuster Marie het kind bij de krullen, schudde haar in alle richtingen en schreeuwde : “Gekrulde haren, gekrulde zinnen !”. Maria Knapen had dus ook de manshanden van zuster Marie leren kennen van dichtbij en wist erover mee te spreken. Zuster Marie was 66 jaar. Als Gentse (van Bachten-Maria-Leerne) sprak zij soms haar Vlaanderens dialect, wat niemand verstond. Zij was van rijke afkomst en verfoeide alles wat arm was. We hadden een leesboek en leerden lezen van os, is, as, ijs, honderden keren opnieuw tot we het van buiten kenden. Dat werd op den duur teveel voor jonge kinderen en sommigen bladerden iets verder om de prentjes te bekijken. Mijn buurmeisje zei : “Hier staan Adam en Eva met de slang”. Ik kende geen van de drie en begon ook te bladeren. Maar zuster Marie schopte en sloeg mij uit de bank. Ik durfde niet wenen en hield mijn adem in van schrik. Na school moest ik nog een half uur te voet en ik was zo bang onderweg voor honden en stoute kwajongens. Ik wilde niet meer naar school, maar moeder troostte mij met een mooie boekentas.

Al de andere kinderen van onze straat gingen in groep tezamen, maar mij wilde niemand als gezelschap. Soms vroeg moeder aan de buurmeisjes om mij mee te laten gaan, maar voorbij de draai van de straat werd ik vooruitgestuurd of zetten de anderen het op een lopen zodat ik moest achterblijven. Zo was ik van iedereen verstoten zonder te weten waarom juist. Intussen had zuster Marie iedereen een plaats gegeven in de klas. Ze vroeg daarvoor naar het werk van de vaders. Als eersten zaten zo de dochtertjes van schoolmeesters, van de notarisklerk, die van de stationschef en zo verder. Achteraan zaten vier meisjes : twee kinderen van ongetrouwde moeders, een wiens vader in de gevangenis zat en ik als mijnwerkersdochterje op de laatste plaats van de eenentwintig.

In het eerste studiejaar leerden wij breien. Bij elk kind van het eerste moest een kind van het tweede leerjaar gaan zitten om les te geven aan de beginnelingen. Intussen sliep zuster Marie, met de armen op de knieën en knikkebollend. Mijn lerares breien was Maria Billen van de statiestraat. Maria leerde mij van : insteken, draad omslaan, uithalen, lits afdoen. Eén ijzer werd zo afgebreid en Maria was van oordeel dat ik het wel zou kunnen. Ik kon het inderdaad, maar hoé ? Op tien steken liet ik er zeker vier vallen en breide maar voort aan het wit katoenen stuk, dat een broek voor mezelve zou moeten worden. ’t Was veleer een gordijn dan een broek met al die gaten. Waar er eerst zeventig steken op stonden, had ik er op den duur nog een goeie twintig op de naald. Zuster Marie borstelde eens de vloer, kreeg mijn breiwerk in ’t oog en, eer ik wist wat er gebeurde, had zij haar zware voet in mijn zijde geplant en schopte mij de bank uit. In geen tel had zij het prutswerk uitgerafeld, zette terug zeventig steken op, en toen kon ik breien. Sindsdien heb ik karrenvrachten kleding gebreid, en was breien mijn geliefkoosde bezigheid. Ja, alle begin is moeilijk, en met de stalen vuist gaat het ook nog. Bij de grote vakantie van 1940 kreeg elk zijn broek mee naar huis. De oorlog was intussen uitgebroken en ik had toch één broek om naar school te gaan, al moest ik gaan slapen als moeder mijn broek uitwaste. Ik droeg ze tot mijn negen jaar en door het vele stoppen was de broek ijzersterk, dik en warm geworden. Het was deze broek of géén broek.

Dit liedje zong Josee bij zuster Marie

Op het tweede leerjaar werd het naaien. Op een stuk zakkenstof werd het vierkanten naaien in voorsteek, kettingsteek, steelsteek, stiksteek, kruisjes en halve kruissteek, flanelsteek en alle siersteekjes. Het moest een valiesje worden. Dat ging tamelijk goed, maar niet één van de 21 leerlingen had het verstand van de steek om te draaien, zodat een vierkant kon ontstaan. Toen had zuster Marie echt de handen vol, want in een rij stonden ze aan te schuiven om omgedraaid te worden, zoals wij dat toen noemden. Ik stond ook in de rij en was bijna aan de beurt. Zuster Marie kreeg mij in ’t oog, stak de tong naar mij uit en trok een echte apensmoel naar mij. Toen ik dan aan de beurt was, snokte zij het naaiwerk uit mijn handen, bekeek het even, en daar smeet zij het reeds in mijn gezicht met de vermelding : “Hier uw prullewerk, weg ermee !” “Op oelder ploets !” Ik kon dus onverrichterzake op mijn plaats gaan zitten en was niet omgedraaid. Paula Schurmans wist er raad op. “Ik zal U laten omdraaien, en doe of het mijn werk is” zegde de brave Paula. Ik zat intussen met Paula’s werk in mijn handen. Toen Paula dus mijn werk aan zuster Marie gaf, draaide zij het om, gaf het aan Paula terug, terwijl ze zegde : “Hier Paula, nu kunt ge weer verder, ge hebt goed gewerkt, meisje”. En ’t was nog wel mijn werk dat even tevoren prullenwerk was. Ik begreep als kind niet wat er mis gegaan was, maar eens wat ouder, snapte ik dat zuster Marie mij niet kon uitstaan. Waarom ? Dat weet ik nu nog niet.

Ik stond bij speeltijd meestal alleen in een hoek. In onze school zat een kind dat van geboorte een mongooltje was. Dat kon niet spreken en stond ook altijd ergens in een hoekje. Liske Bex van Tereyken werd mijn eerste speelkameraadje. Het kind was zwakzinnig maar braaf. Met haar wandelde ik wat op en af en leerde haar koord springen en hinken. Op den duur kwamen daar Claire Thijs en Yvonne Knapen bij. Yvonne werd later mijn vaste schoolvriendin.

Op een middag kwamen Claire en ik ter hoogte van de kerk. Binnen in de kerk was er een leven als op het voetbalveld. Nieuwsgierig gingen Claire en ik de kerk binnen en wat we daar zagen deed ons stilletjes toekijken van op de laatste stoelen gezeten. Op de preekstoel verkondigde Lidie van ’t Mesterke dat de helft van haar kiekens hanen waren. Lutgarde Clabots deed de mis en rinkelde duchtig met de bel. Nog enkele anderen van wie ik niet meer zeker ben wie het waren, speelden paard door op hun klompen door de kerk te galopperen. Werkelijk een lawaai als van alle duivels. Zuster Marie stiet opeens de kerkdeur open en alle lawaai viel stil. De deugnieten liepen allen in de richting der kerkdeur. Zuster Marie hief met opgeheven arm de deur open en allen liepen onder haar arm door naar buiten. Claire en ik, die niets misdaan hadden, volgden eveneens en als laatsten gingen wij onder de arm door. Claire en ik kregen allebei een flinke slag. Had ik toen moeten zien dat ik alleen geslagen werd, dan had ik zeker teruggeslagen. Maar dat Claire ook haar deel kreeg deed mij stil zijn. Ik heb mij altijd blijven afvragen waarom die deugnieten toen niet gestraft werden en de onschuldige zo’n klap kregen. Als we dat toen aan grote mensen vertelden, zegden die ons : “Dat is zo omdat gijlie van arme mensen zijt, de rijken zijn de lievelingen, die kunnen in de ogen van zuster Marie niet verkeerd doen.” Ook dàt nog dus, gestraft worden voor onze armoede !

Bij juffrouw Alice

Van toen af had ik maar één wens : zo vlug mogelijk naar het derde studiejaar van de juffrouw Alice Vanoirbeek, weg van zuster Marie. In 1941 was het zover. Zuster Marie wou mij eigenlijk nog een jaar laten dubbelen, maar gelukkig voor mij was er plaats tekort. Ze leidde ons in rang naar de “grote school”. Ik als laatste in de rij. Ik had immers de twee afgelopen jaren steeds de laatste gezeten. Ik was niet meer waard en schoof bij juffrouw Alice dus ook als laatste in de bank.

Gedicht uit de klas van juffrouw Alice, 1942

Enkele banken voor mij zaten Yvonne van Berke Knapen en Josee Pels. Bij juffrouw Alice werd het ernstig met de lessen. Dictee, opstel, hardop lezen. Ik leerde zo graag en meteen had de juffrouw gezien dat ik er bijna geen moeite mee had. We maakten een dictee en ik had geen enkele fout gemaakt bij het schrijven van de woorden. Juffrouw Alice bekeek mij soms minutenlang, zag dan op mijn werken neer en schudde dan het hoofd. Eens liet ze mij een stukje voorlezen en wat catechismusvragen beantwoorden. Dat ging vlug en zonder aarzelen. Toen zei de juffrouw : “Ik begrijp niet waarom gij de laatste zit, gij leert toch goed”. Ik zegde dat ik het ook niet wist en toen zette de juffrouw mij op de negende plaats en moesten allen die daarachter zaten één plaats naar achter opschuiven. Zo kwam ik tussen de meer verstandige kinderen te zitten en werd ook als dusdanig behandeld, want voordien werd ik bij niets betrokken. Toen ik dus naast Yvonne Knapen en Josee Pels kwam te zitten werd ik als vriendin aanvaard, en zou gedurende de rest van mijn schooljaren samen met die twee een trio vormen dat onafscheidelijk was. We noemden ons samen “de freek, de mop en bobbeltje, drie zielen in één zak.” We hielpen elkaar bij alles, maar weldra waren wij ook de drie grootste deugnieten van de school. Soms waren nog bij ons Juliette, de jongere zus van Yvonne en Paul, Yvonnes jongste broertje. Deze Paul, de latere gevelinvoeger, dat was een guit. Wij meisjes deden alles om Paul niet bij ons te hebben, maar hij liet zich moeilijk afschepen. Soms zegde Yvonne : “Paulke, als gij ons niet naloopt, dan krijgt gij een stuk chocolade”. “Dat is goed,” zei Paul dan, maar zodra hij de chocolade naar binnen had zei hij lachend : “Nu ga ik toch mee”. Zo moesten wij Paul veel op sleeptouw nemen en dat was niet makkelijk. Hij was enkele jaren jonger en kon met zijn korte beentjes niet erg snel lopen, en dat was voor ons dikwijls nodig. Als wij ergens kwaad hadden uitgericht en de vlucht moesten nemen, dan was de kleine Paul meestal een blok aan ons been.

Pauls kegelbol

Omdat ik zo graag naaide en knutselde, had ik eens een voddenpopje gemaakt. Als hoofdhaar gebruikte ik uigerafelde koordjes en als gezicht een houten bol, met wit stof overtrokken. Daarop ogen, mond en een neusje geschilderd, en het resultaat oogstte succes bij mijn vriendinnen van d’ Oye. Juliette vond het zo tof, dat ze mij vroeg ook voor haar zo’ popje te maken. “Als gij stof hebt, kom ik zaterdagnamiddag bij U thuis een popje maken”, zei ik haar. Juliette vroeg hier en daar een lapje stof en we togen aan ’t werk. Bij haar thuis op zolder was ons naaiatelier. Alles verliep vlot, tot wij aan ’t gezichtje van de pop moesten beginnen. “Hoe kreeg gij dat zo mooi rond ?” wilde Juliette weten. Ik zei haar dat een houten bol daarvoor uiterst geschikt was. Na even nadenken wist zij een oplossing. In een hoekje op zolder lag het kegelspel van Paul. Een mooie houten kegelbol was erbij. Weldra had ik deze kegelbol overtrokken met stof en had de pop een gezicht. Aan Juliettes zus Yvonne vertelden wij waar Paultjes kegelbol nu was, en zij moest beloven te zwijgen tegen haar broertje. Maar Yvonne en Juliette hadden weinig zusterliefde voor elkaar en bij de eerste ruzie die ze kregen legde Yvonne aan Paul uit waar hij zijn kegelbol moest zoeken. Resultaat : met een scheermesje sneed Paul dwars door het gezicht van zijn zusters voddenpopje en haalde zijn kegelbol uit het poppenkopje. Al ons knutselwerk was dus voor niets en Paul lachte ons uit.

De bok van kapelaan

In ’t begin van de oorlog lag het oude kerkhof er maar slordig bij. Het werd niet onderhouden en ’s zomers stond er gras op van zeker een halve meter hoog. Soms lag zuster Marie op de knieën gras te snijden tussen de kruisen. Want de zusters hielden er toen schone konijnen op na. De konijnen konden echter het vele gras niet op, en kapelaan Thijssens had de oplossing gevonden. Hij kocht een jonge schapenbok en bond deze vast aan een stevig kruis. En de bok zorgde ervoor dat de cirkel er rond gemaaid was. ’s Anderendaags een stuk verder en zo vond men de graven wat beter terug. Het nadeel was dat de bok al eens zijn kop tegen de oude kruisen zette en ze omver stiet. Maar kapelaan plantte dan het kruisje terug en daar het geen luxegraven waren zoals nu, zegde daar niemand wat van. Maar de schoolkinderen, dat was wat anders. Wij leerden de bok stoten en maakten hem zo kwaad dat hij zich los rukte en met een oud kruis aan de ketting hangend zette hij de achtervolging in. Wij lopen in de richting van pa Wanten’s huisje ! In de smalle doorgang tussen de kerkhofmuren liep de bok zich klem, daar het kruis aan beide zijden tussen de muren bleef haperen en aldus een rem vormde. Toen de bok daar klem zat maakten wij ons wel uit de voeten, richting d’ Oye. Maar hiermee was dan de kerkhofonderhouder van zijn terrein weg, want ’s anderendaags graasde de bok in ’t weike achter de kapelanij. Dit weike was omrasterd met rijen prikkeldraad, en hierin liep de bok ongebonden. Maar nog eens zou er iets gebeuren met een stout kind dat er niet weg bleef en er de gevolgen van had te dragen. Maar eerst nog vertellen waar de bok vandaan kwam eer hij op de kapelanij belandde : een zuster van mam, Catharina Ruysen, kortweg “Trinne” genaamd, had op Dekket achter haar huisje een schaap lopen. Dat schaap kreeg een jong en dit was de bewuste bok. Als kapelaan Thijssens eens rondging voor de Sinte-Pieters-penning toonde Trinne hem haar schaap en bokje. “Verkoopt gij dat bokje niet ?” vroeg kapelaan. “Ja, als ik er genoeg voor krijg” zei Trinne. “Wat vraagt gij ?” “Honderd en vijf frank !” “Waarvoor die vijf frank, ik geef u honderd frank ervoor”. “Als gij die vijf franken niet geeft, wel ik laat ze niet” wedervoer Trinne, “Wat ze u waard zijn, zijn ze mij ook waard”. Ze konden geen akkoord worden en de kapelaan vertrok. Maar hij had toch graag het bokske gehad en na een paar dagen stond hij opnieuw bij Trinne. “Hebt gij u nog niet bedacht ?” vroeg hij. “Neen,” zei Trinne, “ik zal mij ook niet bedenken, waarom zou ik ? Gij hebt meer franks dan ik halve centen !”. Ge moest Trinne zijn om zoiets te durven zeggen. Na nog lang over en weer gepraat te hebben stelde kapelaan voor het verschil te delen en op de lange laatste gaf Trinne toe. Voor honderd en twee en een halve frank, 102,5 fr., was hij de nieuwe eigenaar van ’t schapenbokske. Trinne deed de bok een stuk koord om de hals en stelde voor om met de kapelaan mee te gaan, ’t dorp in, om ’t bokske naar zijn nieuwe thuis te helpen brengen. Maar kapelaan Thijssen weigerde dit. “Ik ben met de fiets, ik rijd wel traagjes, en de bok loopt wel naast mij”, sprak hij. Hij stapte dus, voorzichtig vanwege die lange toog op zijn fiets, maar in plaats van als een hondje mee te lopen, maakte het bokje een wilde sprong. Mijnheer kapelaan loste het touw niet en daar ging hij met fiets en bok de diepe, vuile gracht in, die zich toen bezijden de voordeur van Trinne bevond. deze gracht is pas vele jaren later toegemaakt. Toen goten de bewoners van de beide dichtstbijzijnde huizen hun afwaswater en alle vuil in deze gracht. Van in de huisdeur goot men in een boog alle vuil water erin. De andere buur waren de ouders van Stine Pijp die er thans nog woont. Op de plaats van Trinnes huis woont nu de slachter Herbots. Om op de kapelaan terug te komen : hij lag in de vuilnis te spartelen. Trinne hielp hem eruit, en zo goed en zo kwaad als het ging veegde Trinne de modder van de toog van de geestelijke. “Ziet ge nu wel dat ge hem alleen niet thuis krijgt, maar ge neemt geen goede raad aan”, zei Trinne op haar onbeleefde manier. Toen nam kapelaan Trinnes raad wel aan en met zeer vuile toog, de fiets aan de hand ging het richting kapelanij. Trinne stapte ernaast en het bokje volgde gewillig naar zijn nieuwe thuis.

Zoals gezegd zat het bokje later in ’t weike achter de kapelanij. In de grote vakantie was Juliette van Berke Knapen daar eens alleen. Zij zag in de wei rijpe peren liggen onder de bomen en kroop onder de draad door. Juliette had een wit en zwart gespikkelde tipsjaal om de hals. Deze legde ze op de grond  en raapte enkele peren op de sjaal, zo was dat gemakkelijker om te dragen. Maar de bok die in zijn rust gestoord werd, ging tot de aanval over. Met een sprong was hij bij Juliette, beukte met zijn harde kop in Juliettes gezicht en stiet haar twee voorste tanden uit. Juliette dook schreeuwend met bebloed gezicht onder de prikkeldraad door, en naar huis natuurlijk. Na het verhaal verteld te hebben thuis en zich gewassen te hebben, vergezelde Juliette haar vader Berke naar de kapelanij. Berke pleitte dat mijnheer kapelaan zo’n gevaarlijk beest toch niet mocht laten lopen waar er kinderen voorbij komen, en moest Juliette haar bovenlip optillen om aan de kapelaan de bloedende gaten te tonen, waar haar melktanden gestaan hadden. Nu vond kapelaan het ook welletjes en hij vroeg Toine de slachter het bokje te slachten. Die tanden zouden wel teruggroeien. Dit gebeurde ook zo. Maar in september, toen de scholen terug begonnen, kwam juffrouw Alice aandragen met een wit en zwart gespikkelde tipsjaal, die ze omhoog stak en vroeg : “Weet iemand van wie deze sjaal is ?”. “Die komt mij bekend voor, maar hoe komt die sjaal bij de juffrouw ?” zei Yvonne. “Wel deze sjaal lag in de wei van mijnheer kapelaan, hij heeft hem daar gevonden”. “Ik begrijp niet hoe onze sjaal daar komt, maar ik zal thuis eens vragen wie het laatst de sjaal heeft aan gehad”, sprak Yvonne. ’s Middags bij ’t naar huis gaan voegde Juliette, die toen nog bij zuster Marie zat, zich bij ons. “Zeg eens Juliette “trats”, hoe komt het dat de sjaal van ons mam bij kapelaan in de wei lag, daar zit gij wel voor iets tussen zeker ?” vroeg Yvonne aan haar zuster. Juliette keek uiterst dom en na een tijdje zei ze : “O ja, nu weet ik het, die sjaal heb ik achtergelaten toen de bok van kapelaan mijn tanden uitgestoten heeft.” Waarop Yvonne weer  “Daar moet ge een domme wijnsnuit voor zijn”. Yvonne noemde haar zuster steeds “wijnsnuit” ofwel “Juliette trats” omdat Juliette een spits rood neusje had. “Net de vorm van een trats of spijkertje en rood als een drinker zijn neus” zei Yvonne dan. Of er gelachen werd …!

Schapen op de loop

Een andere bokkengeschiedenis speelde zich ook af in dien tijd : achter de tuin van Pieter Vrancken, waar nu Maurice Vaes woont, was er ook een weike met schapen. Het waren er een zestal, oude schapen en lammeren. Ook een speels bokje. Aan dat weike was een hek met spijlen waardoor de schapen de kop konden steken. Op onze zwerftochten door de velden, kwamen wij op een morgen rond acht uur bij dat weike. Wij natuurlijk het bokje aan ’t leren stoten. Met onze vuisten stieten wij ’t bokje tegen de kop en al gauw kende het de regels van ’t spel en stiet na een korte aanloop met de kop tegen de tralies van ’t hek. Wij hadden ons zo vermaakt dat niemand eraan dacht dat om half negen de school begon. Yvonne schoof de grendel weg, ’t hekje vloog open en de hele troep schapen naar buiten. Net toen hoorden wij de schoolbel. Wij zetten het op een lopen en de schapen liepen vrij rond. Het bokje volgde ons en hoe harder wij liepen, hoe harder liep het bokje. Yvonne en Josee Pels waren al wat vooruit. Ik was de laatste in de rij. Tijdens het lopen keek ik steeds weer om naar ’t bokje, en door zo omkijkend te lopen, liep ik van de weg af en plofte de gracht in ter hoogte van het nieuwe huis van Maurice Vaes, maar aan de zijde van de Statiestraat. Deze gracht stond boordevol brandnetels. Ik dook daarin met naakte armen en knieën. ’t Bokje volgde mij zo goed dat het boven op mij terecht kwam in de netels. De twee anderen liepen voort. Die hadden van mijn tuimeling niets gezien. Ze waren al achter de huizen verdwenen richting school. Met veel moeite en gewroet geraakte ik eruit. Ik moest nog mijn boekentas zoeken, terwijl ’t bokske mij voortdurend omver stiet. Zeker een half uur later belandde ik in de school en toen ik naast Yvonne in de bank schoof schoten allen in een luide lach. Ik zat er bij als iemand die door een molen gedraaid was. Mijn gezicht, benen en armen vol jeukende puisten, mijn haren los, spelden weg en in mijn haar een vingerdikke laag aarde en koffiedik. Want ik had in de gracht waarachtig op mijn hoofd gestaan en alle grachten waren toen vuilnisbelt, want die grijze zakken van nu, daar had toen niemand een voorgevoel van, of die er ooit zouden komen. Toen ik er, zo toegetakeld zat, kwam juffrouw Alice kijken en vragen stellen. Ik zegde dat ik in de netels was gevallen maar wat vooraf ging verzweeg ik wijselijk. Wie de schapen terug gevangen had wist ik niet, maar toen ik enkele dagen later voorzichtig ging kijken waren ze toch allen rustig aan ’t grazen. Wat een opluchting !

Het ongeval van Eliane

Waar nu dokter Everaerts woont stond vroeger het oude huisje van “Teintje” of tantetje met een reuzengrote notenboom ernaast. Die noten vielen voor de elft op straat en iedere dag, in herfsttijd, was het lopen van de kinderen om als eerste noten te kunnen rapen. Aan de achterzijde va het huisje, op ’t einde van de tuin, stond een perenboom met kleine verrimpelde winterpeertjes. Welke soort het precies was, wisten wij niet. Dien boom bereikten wij door achter de tuinen het baantje te volgen dat toen naast het café van Toine de slachter terug op straat uitkwam. Dit baantje is al lang verdwenen en na Toine de slachter heeft Valerie “van de Scheipes” nog lang in dat huis gewoond. Dit baantje was toen een van onze uitverkoren zwerfplaatsen, zoals ik al schreef. Op dien avond na vier uur liepen Yvonne, Josee Pels en ik naar het wegeltje toe, langs de richting van de zwartweide. Juliette had toen vriendschap gesloten met Eliane Knapen, de dochter van Felix van Bertiel. Wij, de drie zielen in één zak, deden alles om die “joeng” van achter ons kwijt te spelen, alhoewel die “joeng” amper twee jaar jonger waren dan wij ! Wij geraakten dus zonder die “joeng” onder de perenboom In dien tijd woonde daar al Jozef Franssen, bijgenaamd Jef “uit den dierentuin”. Wij waren er nauwelijks toen langs de andere kant van ’t steegje Juliette en Eliane kwamen toegelopen. Eer zij bij ons waren viel Eliane en kwam met haar bil in een stuk glas terecht. Plots hoorden wij haar schreeuwen ; “Oei, oei, mijn been open, rap naar pa, rap de dokter, ik ben dood”. Wij liepen kijken of het zo erg was en inderdaad : een brede openstaande wonde van wel drie centimeters diep en tien centimeter lang. Deze brede wonde was eerst wit vanbinnen zonder bloed. Wij drie groten zetten het op een lopen en lieten Eliane liggen. Juliette met de wijnsnuit was veel verstandiger. Zij had Eliane rechtgeholpen en toen stroomde het bloed uit de wonde. Eliane kon echter niet staan op haar been en riep luid  op haar pa. Elianes moeder was al dood van 1937. Juliette riep luid om hulp en intussen waren wij uit de richting van de Statiestraat ter hoogte van Toine de slachter aangekomen. Ik zie heden nog voor mij hoe Hubertine Vaes het steegje inliep, Eliane optilde en in haar huis binnendroeg. Even later kwam Maurice Vaes met de fiets naar buiten. Eliane er achter op met flink verbonden been. Maurice bracht Eliane toen bij haar tante “Meilia van Bert Til”. Gelijktijdig stopte daar dokter Jammaers reeds. Die zal door de familie Vaes verwittigd geweest zijn. Eliane was al krijtwit van het vele bloedverlies. Haar wonde is toen gehecht geweest met veertien draadjes. Zo’n grote wonde, en dat om winterpeertjes te zoeken. Later na onze schooltijd is Eliane in Hoei in een pensionaat geweest. Haar vader was toen ook al een hele tijd overleden. Zij is later in Hoei getrouwd en woont er nog steeds. Ik ben nog steeds kwaad op mijn eigen, dat ik toen het arme kind ontliep. Zeer dikwijls denk ik aan haar en peins er dan aan of Eliane bij het zien van dit enorme lidteken ook nog eens aan mij denkt en aan de winterpeertjes. Ik heb Eliane in meer dan veertig jaren niet meer gezien.

De ongewilde rit

In dien tijd van paard en kar kwam er elke vrijdag een bierwagen van uit Kerkom. Een wagen met van voren een bok met bank. Op die bank zat Jééke de voerman met een lange zweep. Ondanks de zware bierwagen van ijzer, overal toe met vanachter twee deurtjes gesloten zoals een kast, liepen de twee zwarte paardjes steeds al wat zij konden. Daarvoor zorgde Jééke, want de zweep deed haar werk, over de flanken van de met schuim bedekte arme beesten.  Als ik thuis in huis was kon ik op ’t getrappel der paarden afgaande weten dat Jééke ergens een straat verder afkwam. Op een vrijdagmiddag stond de bierwagen eens op d’ Oye met de beide deuren wijdopen. Jééke was binnen bij Doorke Schoenaerts. Wij gedrieën en ook Juliette erbij naderden de open bierwagen en zagen achterin de bakken met flessen limonade. Dat was een godendrank maar onze ouders waren te arm om die luxe te kunnen kopen. Wij dronken thuis allen “limonade van de lang aom”. Dat zei pa op putwater ! Zo was kompote “kaas van de hoge takken”. Enfin, het zien van echte limonade deed ons het water uit de mond lopen. Zonder er woorden aan vuil te maken kroop Yvonne in de wagen, op de voet gevolgd door haar zus Juliette. De wagen was wel drie meter lang en al kruipend op de knieën geraakten ze ter hoogte van de limonade. Om zelf bij die bakken te kunnen gebruikte Jééke een lang ijzer, zoals een koterijzer, waarmee hij de bakken naar zich toe trok. Dat ijzer lag in de wagen, maar de twee liefhebbers van limonade lieten deze haak waar hij was en wilden met eigen handen bij de limonade. Ze hadden net een literfles in de hand toen Jééke buiten kwam. Josee Pels en ik stonden nog in de wagen te staren en Jééke stiet ons opzij. De twee in de wagen wilden er rap uit kruipen maar met één hand hield Jééke hen tegen en met de andere hand sloeg hij de deuren dicht, sleutel erop, gesloten en hij wipte op de bok. Hij gaf weer katoen met de zweep. Yvonne en Juliette waren gevangen. Josee Pels en ik grepen ons aan een ijzeren baar vast en liepen achter de wagen aan. Wij mochten hen niet verlaten. En op kletterende klompen liepen wij als… paarden. Ik kreeg al gauw zo’n pijn in de zijde en riep : “Ik kan niet meer”. Josee Pels weende, maar wij deden meer dan we konden. Binnenin schreeuwden de twee opgeslotene om ter luidst. “Laat ons niet alleen, want wij zijn ontvoerd” riep Yvonne. Dat gaf ons nieuwe moed om onze vriendinnen niet te verlaten. Daar hoorden wij Juliette roepen naar Jééke : “Laat ons eruit want we drinken al uw limonade uit”. Wij in de achtervolging moesten hierom lachen door onze tranen heen. We waren al voorbij de dikke linde.  Plots liepen er van onder de deuren der wagen straaltjes limonade die in onze klompen drupten. Die twee hadden in de wagen de flessen beginnen openen en goten het kostbare vocht gewoon leeg om Jééke te straffen. Zoals ik al schreef hield Toine de slachter café tegenover Vaes. Daar moest de wagen stoppen. “Ho, juu” riep Jééke, en de paardjes kwamen zwetend tot staan. Jééke kwam naar de achterzijde der wagen, stak de sleutel op de deur en draaide open. De twee gevangenen zaten nu vlak achter de deuren. Jééke wilde hen terug duwen, maar zij schopten naar hem. Josee Pels en ik wierpen ons op Jééke en drumden hem terzijde. Van die kans maakten de zusjes gebruik om eruit te springen en gevieren liepen wij het kerksteegje in. Josee Pels en ik, hijgend en zwetend. Yvonne en Juliette snikkend en dreigend. “Dat die maar wacht,” snikte Yvonne, “dat zetten wij hem wel betaald”. Ik vroeg me af hoe ? Maar enkele jaren later, we zaten toen op ’t zevende leerjaar bij zuster Germaine, toen ze wraak namen. Daarover later.

Polle bestolen

Het gebeurde zeer zelden, maar als Emma Degraef mij eens vergezelde, dan was ik niet bij mijn vriendinnen van d’Oye. Die hadden Emma niet graag in hun gezelschap en bleef ik er ook maar weg tot Emma weer ander gezelschap had. Op een middag om twaalf uur was ik vergezeld van Emma op weg naar huis. Die van d’ Oye, nu met hun drieën liepen op ’t kerkveld een stukje voor ons uit. Toen zij aan “Siet ni wor”, Felix Jammaers, waren kwamen ik en Emma aan Sil van Dominneke van ’t baantje af. De legumenkar van Polle Jennard uit Ordingen stond voor het huis van “Siet ni wor”. Polle ging daar iedere donderdag binnen om zijn boterhammen op te eten. ’t Paard van Polle at intussen rustig zijn haver die in een zak om zijn hals hing. De kar was zo zwaar geladen dat de berries wat omhoog staken  en ’t achterste naar de grond wees. Bakken met patatten, bussels radijzen, porei, vijgen, pekelharing, bokking, kortom al dat lekkers lag op de kar en algelang het seizoen bovenop mooi fruit. Emma en ik zagen hoe die van d’ Oye aan ’t wiel der kar opklommen en op een oogwenk waren ze weg met elk een dikke tros blauwe druiven. Maar terzelfdertijd ging de deur van “Siet ni wor” open en kwam Polle woedend naar buiten stormen, de zweep opgeheven. De dieven waren intussen al de Smisstraat uit, richting Raets. Polle hield mij en Emma staande : “Wie waren dat ?” riep hij, zijn rosse snor van woede krullend. Wij echter allebei tegelijk : “Ik weet het niet”. Daarop snelde Polle de straat uit op achtervolging. De deugnieten waren in de straat aan Raets verdwenen en door mij en Emma te ondervragen had Polle teveel achterstand om te kunnen zien of de drie aan Louise Wanten rechts of links waren gelopen. Op goed geluk af stormde Polle rechts en daar stond Maria Knapen buiten, een tante van Yvonne, die ook een dochter had genaamd Josee Van Eylen. Polle schreeuwde tot Maria : “Hebt gij de dieven in huis verborgen, ze hebben mij bestolen.” Maria was niemand die ge ongestraft kon beledigen, ze schreeuwde Polle toe : “Zijt ge zot geworden, ik ben geen dief en mijn kinderen ook niet, let maar goed op uw woorden, en verkopen zult ge mij niets meer, als ge dat maar weet”. Emma en ik stonden er stil bij te luisteren en toen Polle terug afdroop, richting Smisstraat, begaven wij ons huiswaarts langs het wegeltje over ’t brugje aan Mil Pulinx. “Langs achter” noemden de mensen dat veldwegje, dat aan Stina van Stoffels door de mesthof in de Plankstraat uitkwam. Ter hoogte van Mil Pulinx’s huis hoorden wij achter de haag stilletjes : “Psst, psst, is hij weg ?”. Na wat kijken zagen Emma en ik de drie gezichten door een gat in de haag. Daar waren ze dus. Wij zegden dat Polle terug naar zijn kar was en toen kropen ze door de haag terug op straat. Hadden die drie daar niet bij Mil Pulinx op ’t huiske of wc de gestolen druiven opgegeten, terwijl Polle in de verkeerde richting zocht. Bij Mil Pulinx had niemand iets gemerkt. De vensters van dat huis waren aan de andere zijde en omdat de poort van de mesthof openstond waren zij zonder lawaai te maken op hun schuilplaats geraakt. Of in deze omstandigheid het gestolen goed gesmaakt had heb ik hun nooit gevraagd, verraden hebben Emma of ik hun ook niet. Nu ik dit schrijf is alles al meer dan 45 jaren verjaard en Polle al van in 1971 overleden.

Een andere geschiedenis, aan Mil Pulinx’s huis, gebeurde op een zondagnamiddag in de tijd dat de noten rijp waren. Zelfs ’s zondags was ik meer op d’ Oye te vinden dan in de Plankstraat. Zo ook dien zondag. Ik was naar Yvonne gegaan, we slenterden wat rond en wisten niet goed wat doen. Zo kwamen we aan het beekje dat tegen de stallen van Mil Pulinx vloeide. We keken wat naar kikkers en salamanders, die zwommen in het kristalheldere water. Plots zei Yvonne : “Weet ge wat ? We gaan eens aan Sel Rikus zijn noten. Sel Rikus heette Marcel Jammaers en is langen tijd hulpkoster geweest in onze kerk. Sel zag zeer slecht en zijn zuster Stina hoorde niet. Die oude mensen woonden waar nu “Wai van den Hik” woont en hun tuin was gelegen achter die van Mil Pulinx. “Kom gerust,” zei Yvonne, “die twee horen of zien niet en zijn zeker noen slapen en die zeggen er niets van als ge aan de noten gaat. Die kunnen zonder tanden toch geen noten meer kapot bijten”. Dus wij dwars door het groesje of grasland van Antonieke Poelmans. Op dat groesje stond de hoge stromijt van ongedorsen schoven tot de dorsmachine zou komen, om het graan te dorsen. In afwachting echter krioelde het in die mijt van muizen die zich te goed deden aan het graan. Achter die mijt lag een bietenland en daardoor bereikten wij de tuin van Sel en Stina. De omrastering was helemaal stuk, dus geen belet. Midden in de tuin stond een struik rode hazelnoten. Ongestoord plukten wij onze zakken vol en begaven ons terug naar de stromijt. Met de rug tegen de mijt, de benen tussen twee rijen koele bietenbladeren, kraakten wij nootjes en lieten het ons smaken. Ineens hoorde ik iets : “Piep, piep”. ’t Was net of het boven ons was. Ik legde mijn hoofd achterover tegen de mijt gedrukt en met open mond, nog vol noten, keek ik omhoog. Er viel iets naar beneden, maar eer ik mij kon verplaatsen, viel er al iets warms en zacht precies in mijn mond. Ik spuwde het uit en weet u ’t al : twee piepkleine muisjes, nog volledig kaal met toe‘ oogjes. Yvonne schaterde van het lachen, maar ik was zo vies er van. Ik heb aan de bron wel tien keer mijn mond gespoeld en uitgespuwd. En stel je voor dat het oude muizen waren geweest, of ratten. Om te griezelen.

Dit was rond 1940 de héle wereld van de kleine Josee: Roosbeek, Plankstraat, d’Oye, Kerkveld, kerkplein met zustersschool en Zwartweide

De noten bij Sel

Bij “Sel van Djang de kuimester”, waar nu Julie van de Scheper woont op ’t kerkveld, stond een grote boom met okkernoten. In de herfst was daar als het ware begankenis van de schoolkinderen om maar noten te vinden. Sel en zijn vrouw Sofieke wilden dat niet, maar daarmee werd geen rekening gehouden. Achter Sel zijn hofke, waar nu die hoge dennen staan, liep een klein padje, alleen door Sel gebruikt om op zijn akker te geraken. Rond de hof was toen een haag, zo dik dat ge er niet doorheen kon kijken. Ge had dus nooit zekerheid of Sel niet in die hof was. Hij kon zich immers verstoppen achter de dikke palmstruik die in ’t midden van de hof stond. Daar noten zoeken hield altijd een zeker risico in. Op een middag bij ’t naar school gaan hadden Yvonne en ik besloten toch maar te riskeren om er noten te gaan zoeken. Paul, het broertje van Yvonne, zou tot bij de boom meegaan. We hadden Paul liever niet bij ons, maar die kapoen liet zich niet afschepen. Dat was een kleine grappenmaker. Ge lachte u ziek in zijn gezelschap. We slopen dus achter de haag door en maar zoeken onder de boom, onderwijl het hekje, dat naar de mesthof leidde in ’t oog houdend waarlangs Sel of Sofieke bij de boom kwamen. Na wel tien minuten zoeken hadden wij nog geen enkele noot gevonden. We werden steeds stouter en daar we nog niets van de mensen gehoord of gezien hadden, veronderstelden wij dat er geen van beiden thuis was, zo stil bleef alles. Toen zochten wij stenen, brokken hout enz. en begonnen uit alle macht door de takken te werpen. We wierpen soms ver naast de boom en alzo kwamen soms dikke stenen op het woonhuis terecht.

Maar Sel en Sofieke waren wel thuis toen zij dit hoorden. Plots dook Sofieke op aan ’t hekje, klapte in de handen alsof ze kippen wegjoeg en zegde zoals gewoonlijk : “Maak dat ge wegkomt !”. Dat hadden we al zo dikwijls van haar gehoord, dat we ons niet eens haastten en op ons dooie gemak begaven wij ons naar het paadje langs de tuinhaag. Op den omdraai van den hof achter de dikke haag had Sel zich in hinderlaag gelegd. Hij was langs de straatzijde geslopen en zich daar verschanst om ons in de vlucht te grijpen. Yvonne had geluk, die had de bocht groter genomen en Sel greep naast haar. Toen kwam ik, nam de draai zeer kort en liep Sel recht in de handen. Hij greep me bij mijn mouw en scheurde die uit mijn golf, met de andere hand krabde hij mij in ’t gezicht. Ik worstelde en vocht tegen, en Sel die al wat ouder was, wankelde en viel op zijn rug. Ik viel eveneens en kwam in een hoop kaf terecht, zodat ik niet direct zag waar ik was. Ik scharrelde mij overeind en helemaal vol kaf kwam ik bij Yvonne terecht, die wat verder stond te schudden van het lachen. Sel lag nog steeds op zijn rug te spartelen om recht te geraken. Ik moest ondanks mijn schrik toch ook luid lachen. Zolang Sel niet recht kon, kon ons immers niets gebeuren, en daarbij waar bleef Paul toch ? Paul was zo weinig bevreesd geweest van Sofieke, dat hij nog wat voort zocht onder de boom en niets gezien had van wat achter de haag gebeurd was. Tot Sofieke een stok nam en Paul wilde aftroeven. Toen nam Paul de … korte draai bij de haag en viel boven op Sel zijn buik. “Oei, oei” schreeuwde Paul, gleed van Sel af en kwam naar Yvonne en mij toegelopen. Toen Sel eindelijk recht geraakte wilde hij ons nog achtervolgen, maar dat was natuurlijk onbegonnen werk voor een ouder wordend mens, achter die jeugdige hardlopers. Sel moest zichzelve tevreden stellen met van verre de vuist op te steken tegen ons en van uit de verte deden wij hetzelfde tegen Sel. Wat waren wij stout !

De aardbeien op d’ Oye

Op de Kleine d’ Oyestraat woonde in die jaren een man die Amelius Knapen heette (waar nu Geneviève, dochter van apotheker Bex gebouwd heeft). Die naam was blijkbaar te lang, want meestal noemde men hem Melius, dus zonder A. Maar ook dit werd door sommige verkort tot “Muk”. Dit werd alleen gezegd als hij ’t niet hoorde, want Muk hoorde hij niet graag. Het liefst hoorde hij dat ge Melius zegde. Langs zijn huis had Melius een weike met fruitbomen allerlei. Een notenboom, kersen, pruimen, peren appels, kortom een paradijsje. Op die plaats staat thans het huis van Jos Put. Achter dat weike lag een paadje langswaar ge door Tine Vandenbosch haar weide op de kattesteeg kon geraken. Bezijden dat wegeltje had Melius nog een veldje met patatten en, o heerlijk, aardbeien ! Melius’ omgeving was een lust om te zien… en te proeven als het even kon. In het weike geraakten wij niet dikwijls, dan moesten wij door een gat in de haag kruipen. Er was maar één gat in de dikke haag en Melius had al eens eerder Firmin, de broer van Yvonne, en diens vriend Georges van Trees, de weg afgesloten door stilletjes van de buitenkant het gat af te spannen eens zij zich in ’t weike bevonden. Een woeste ontsnapping over het hoge ijzeren hek was hun enige kans tot vluchten geweest. Daar durfden wij ons niet aan wagen, dan moest ge heel zeker zijn dat Melius weg was. Melius’ vrouw Maria was zeer zelden weg en lette niet zo nauw, maar wie wel zeer goed oplette was de overbuurvrouw Mathilde Bex. We hoefden slechts omhoog te kijken naar de bomen en dan riep Mathilde al : “Melius, Maria, ze zijn er hoor !”. Het aardbeienveld lag achter een hoge haag, dat kon Melius noch Mathilde Bex goed zien van huis uit en de ontsnappingskansen lagen veel hoger. Ge had daar het veld en de weien als ontsnappingsroute als Melius toch zou opduiken. Die aardbeien waren door gaans al halfgroen afgegeten als Melius ze wou plukken. Daar de vroege kersen en de aardbeien tegelijkertijd rijp zijn stond Melius eens hoog op de ladder in de kersenboom. Yvonne, ik en Paul kwamen door het steegje gegaan. Yvonne en ik hadden al van verre Melius gezien in de hoge boom. Paul had hem echter niet opgemerkt. Net ter hoogte van de boom zegde Paul : “Willen wij eens aan Muk zijn aardbeien gaan ?”. Op ’t zelfde ogenblik zag Paul de man in de kersenboom en Paul vroeg vriendelijk : “Melius, krijg ik een kers ?” Maar Melius had alles gehoord. Hij daalde de ladder af zo vlug hij kon en riep : “Zojuist was ik Muk, nu Melius, en ge wilde mij nog bestelen ook. Wacht even ik zal u leren !”. Maar wachten, dat was te veel gevraagd. Yvonne en ik hadden wel niet geantwoord op het voorstel van Paul maar we achtten het toch het beste ook maar de plaat te poetsen.

De vader van dokter Jammaers heette Felix, maar de meeste noemden hem “Siet ni wor”. Dat betekende in goed Nederlands “Ziet, niet waar”. Deze bijnaam had de man zichzelve bezorgd, door alsmaar achter elke zin die hij sprak “Siet ni wor” te zeggen. Dat was zo zijn manier van spreken. Deze man woonde in de smis. Zijn zoon dokter Urbain Jammaers kwam iedere dag bij zijn vader om te vragen of er soms zieken waren in de buurt. Een telefoon was iets zeldzaams en wie een zieke had, ging het bij Siet ni wor zeggen. Deze schreef dan de naam van de zieke op een oude lei, die recht op de schouw gezet werd, zodat zijn zoon, de dokter, te zien kreeg van bij ’t binnenkomen naar wie hij zich moest begeven. De andere kant van Zepperen liet bij Victoire van ’t Woeke de boodschap voor dokter Jammaers opschrijven. Dat was veel goedkoper dan de telefoon en ge mocht zeker zijn dat de dokter kwam, want Felix zei telkens : “Ik zal het zonder fout aan Urbain zeggen, siet ni wor”. Yvonnes moeder Celestine had veel last van rugpijn, en ze stuurde Yvonne en mij naar de smis om Siet ni wor te vragen haar naam op de lei te schrijven voor als Urbain zou komen. Wij er naar toe, geklopt, niemand kwam opendoen. Wij langs de poort, naar de achterdeur denkend dat Siet ni wor in de stallen of de wei was en ons niet hoorde, maar ook daar was geen mens te vinden. Yvonne die wist waar de oude man zijn fiets bewaarde, trok die staldeur open en ook de fiets was er niet. We mochten nu zeker zijn dat Felix nogal ver weg was, want anders ging hij te voet. Toen was de kust vrij. Yvonne die daar bekend was, nam mij mee naar de tuin van Felix. Daar waren broeikassen met glas erop en daarin vroege aardbeien. Yvonne deed er of ze thuis was, zocht een stuk hout en spande daarmee het deksel van de broeikassen om beurten omhoog en op onze knieën gezeten plukten wij alles af wat rijp was. We hadden elk ons schortje vol aardbeien. De deksels er terug op gelegd en al etende gingen we terug naar Yvonnes huis. Aan Celestine vertelden wij dat Felix niet thuis was, maar dat we toch niet voor niets geweest waren. De zieke vrouw at ook nog wat aardbeien met fijne suiker erop. Een paar uren nadien gingen wij terug om de dokter te laten verwittigen. Nu was Felix wel thuis, maar hij wist natuurlijk niet wie zijn aardbeien geplukt had. “Ja, ja siet ni wor, ik zal het op de lei schrijven siet ni wor, en straks zal Urbain komen siet ni wor”. Zo sprak Felix, één en al gedienstigheid.

Overstroming

Naast het huis van Domien Leunen op het kerkveld, waar nu de garage van diens zoon Liddie staat, stond in die jaren een betonnen regenwaterbak, waarin de regen van het dak langs een buis met een oude kous ingetrokken vloeide. Onderaan de bak was een rond gat met een houten stop erin. Rond dien stop een stuk vod gewikkeld om alles goed te doen spannen. Op een zeer regenachtige middag kwamen ik en Yvonne daar voorbij. De bak was tot op de rand vol. Ik zei tot Yvonne : “Willen wij eens voor een overstroming zorgen ?”. Zij durfde niet goed. Zij kinde Sil van Dominneke beter als ik en wist dat Sil een zeer kwade vrouw was. Daarenboven was Yvonne bijna gebuur van Sil en vreesde Yvonne dat Sil wel eens een bezoek kon brengen aan Yvonne’s ouders. “Dan komt zij thuis van haar neus maken, en dan doet pa zijn broeksriem uit,” zegde Yvonne, “maar als gij het doet zal ik u wachten van bij Siet ni wor achter de dikke boom. Sil kent u immers niet en eer ze goed buiten is, zijn wij al ver weg”. Dus zo gedaan. Op de knieën gezeten begon ik met alle kracht aan die stop te trekken, maar er kwam geen beweging in. Ik wrong en trok nogmaals. Daar hoorde ik boven een raam open trekken. Ik keek omhoog en zag Sil aan ’t venster. Net begon de stop los te komen. Sil bemerkte wat er gaande was en riep : “Wacht, ik zal u helpen komen.” Ik antwoordde aan de kwade vrouw : “’t Gaat wel alleen en wachten doe ik niet”. Sil sprong bijna naar beneden van boosheid, maar rende toch maar langs de trap naar beneden. Pas was zij uit het raam verdwenen of de stop vloog met een plof uit het gat en ’t water stroomde over de straat. Ik lopen natuurlijk met de stop in de hand. Een eind verder wierp ik de stop in Sil haar wei en van achter de boom bij Siet ni wor keken Yvonne en ik toe, wat Sil ging doen om die waterval te stoppen. Vloekend en tierend drukte zij haar hand tegen het gat, onderwijl rondkijkend of de stop niet in haar bereik lag om hem zo gauw mogelijk weer in ’t gat te kunnen stoppen. Maar de vrouw kwam bedrogen uit. Ze kon uit een blokje hout een nieuwe stop snijden en het water liep uit de bak tot de laatste druppel. Alhoewel Sil mij niet kende en ze mij maar heel even van uit het venster had gezien achtte ik het toch raadzaam de eerste maanden langs een andere weg naar huis te gaan. Ze moest mij maar eens herkennen. Ik voelde mij toch wat schuldig.

Kattengebak

In die jaren hadden de bakkers een kar met langs achter twee ijzeren deuren, ’t zelfde maaksel als de brouwerskar van Jééke uit Kerkom. Zo’n kar had Camille Renotte van d’ Oye ook. ’t Was de vrijdag voor Zepperen kermis en dan hadden de bakkers het bijzonder druk. Alles ging zeer traag met kar en paard. Nu is er dagelijks taart te eten, maar toen alleen op kermis. Camille had het dus zeer druk. Voor de deur op straat stond de wagen, de beide ijzeren deuren wijd open, en Camille liep maar in en uit het huis met op elke hand een taart. Zo vulde hij de wagen. Ik was dien dag toevallig samen met Emma Degraef. Van verre zagen wij Camille druk doende, en we overlegden. “Als we net bij de kar zijn en Camille is dan net in huis, snappen we ons een taart en weg ermee”. Maar de wagen was gevuld en Camille sloot de deuren, de sleutel er af trekkend. Hij terug in huis, de kar was immers veilig gesloten. Maar in de beide deuren was in elk een ronde opening ter grootte van een teljoor. In één der gaten stond een ruitje, in het andere gat ontbrak het ruitje. Net twee ogen waarvan de ene toe was. Langs de opening verspreidde zich de fijne geur van vers gebak. Dat deed ons watertanden. Maar we konden er nu eenmaal niet bij. Maar we zouden Camille eens leren, omdat hij vlak voor onze neus de wagen sloot. Had hij de deuren nog even open gelaten, zou hij slechts één taart armer zijn geweest, maar spijtig voor hem zou het nu méér schade zijn. Bij Tuur Boonen zat een dikke rosse kater op den drempel. Deze zou een rol spelen in onze wraak op de bakker. Emma erop af, maar de kater vluchtte en wilde door Raets zijn haag kruipen. Ik greep hem nog net bij de staart en trok hem achterwaarts terug uit de haag. Hij krabde en beet, maar Emma had een dikke sjaal bij, die ze rond de poten en muil van ’t beest rolde. Vlug tot bij de bakkerswagen, de kater vlug door ’t venster zonder glas geduwd. We hoorden een smak binnen in de wagen en toen waren we weg natuurlijk. Als die kater er niet gauw weer uitgesprongen is, dan is Camille nadien zeker vertrokken met zo’n ongewenste passagier aan boord. Als Camille hem gevonden moet hebben, zal buurmans kater wel iets vlugger moeten zijn geweest dan toen wij hem konden vangen in de haag. Deze katergeschiedenis zal nog wel olie op het vuur geweest zijn in de heersende geburenruzie, die daar al was, al konden Tuur of Lenor aan de hele zaak niets doen. De ware schuldigen woonden in de Plankstraat, de liefhebbers van taart, die er geen hadden thuis !

Te hoog geklommen

Voorbij Mil Pulinx, was de wei van Toon van Rikus, toen leefde Rikus zelf nog. In deze wei stond een schuil voor de koeien als ’t regende. Vier hoge houten palen van zeker twee en een halve meter hoog, daarop een zinken golfdak zo goed als plat en aan de regenzijde was één kant toegenageld met planken. Deze planken sloten niet zeer goed tegen elkaar, er waren hier en daar reten van vier, vijf centimeter. ’t Was als een ladder, die planken, ge kon eraan op gaan. Op een middag rond half één waren Yvonne en ik naar Toon zijn wei gegaan om beeksalade te gaan zoeken in het zeer zuivere beekje dat vlak langs die schuil liep. Maar door de schuil van dicht bij te zien was de beeksalade vergeten en klommen wij op het zinken dak van de schuil. Van daarboven konden wij ver zien. Over de poort van Mil Pulinx, ja zelfs tot in de Plankstraat. Met klimmen en rondkijken was er gauw wat tijd verstreken en we wilden er weer af op dezelfde wijze zoals we het dak beklommen hadden. Maar dat ging minder gemakkelijk. We konden geen spleet bereiken met onze voet en kregen daarbij hoogtevrees. Bibberend en wenend van schrik zaten wij op dat dak. Er verstreek zeker weer een kwartier. De tijd begon te dringen. We moesten immers naar school. Ik zegde : “We springen er gewoon af, dat is toch ’t gemakkelijkst.” Ik sprong en viel in de netels, maar ik was toch beneden, geneteld zijn was ik gewend, dat was bijna elke dag het geval. Yvonne durfde niet springen, “Dan breek ik mijn been en dan lig ik hier” zegde zij. Soms deed zij een poging om te springen, maar bedacht zich telkens. En de tijd verstreek intussen maar. ’t Was zeker al half twee en dan begon de school. Zij had de handen voor het gezicht geslagen en zat op het dak te wenen. “Josee haal thuis de ladder, maar kunt ge die alleen dragen ? En pa die slaapt !”. Yvonnes vader werkte met de nachtpost in de koolmijn en had zijn rust zeer nodig. “Ge zult pa moeten wakker maken” hernam Yvonne. Ik was wat bang van Berke en stribbelde een tijdje tegen. “Spring eraf, spring op mijn rug”, drong ik aan. Maar niets gekort zeggen ze in de Kempen. Met lood in de klompen ging ik naar Yvonnes huis. De voordeur was op slot. De moeder was niet thuis, en Berke sliep op de kelderkamer aan de achterkant van ’t huis. Ik moest dus over het hek klimmen en belandde in de mesthof. De achterdeur was niet op slot en ik geraakte in huis. Van aan de trap riep ik op Berke, maar hij ronkte voort en hoorde mij niet. Ik zag mij gedwongen de kelderkamer op te gaan en Berke wakker te schudden. “Wat is er gaande” vroeg hij verschrikt toen hij mij naast zijn bed zag staan. Ik kon bijna niet gezegd krijgen dat Yvonne op een dak zat. “Wat doet die op het dak ?” zei Berke. Ik legde hem toen wat kalmer uit dat Yvonne in Toon van Rikus zijn wei op het dak van de schuil zat. Kwaad en slaapdronken trok Berke zijn broek aan, sukkelde de ladder van de zolder en met de zware ladder op de schouder stapte de man naar Toon zijn weide. Ik liep op enkele passen achter Yvonnes vader aan, en voor alle zekerheid bleef ik van buiten de omheining toekijken. De man plaatste de ladder tegen de schuil en Yvonne begon de afdaling. Maar ze had pas één voet op de ladder of Berke begon reeds de gesp van zijn broeksriem los te maken. Yvonne zag dat en toen kon ze plots springen. De laatste vier treden nam ze ineens en viel ook eens flink in de brandnetels. Ze wipte recht, dook onder de draad door, waar ik wachtte en we lieten de geplaagde vader met zijn ladder in de wei achter. Zo snel als de wind naar school toe, maar ’t was toch al half drie toen we er toekwamen. Na de lesuren moesten wij een half uur straf blijven schrijven. Daarna trokken wij schoorvoetend naar huis. Berke had wel vergeefs zijn broeksriem losgeknoopt dien namiddag, maar Yvonne wist bij ondervinding dat de straf die bij haar thuiskomst zou toegepast worden, harder zou doorwegen dan een half uur schrijven. De broeksriem had zij immers nog te goed.

Een eend op bezoek

Op een avond na de schooluren kwamen Emma Degraef en ik naar huis langs de Kriekelbrug. ’t Regende al de hele dag en de eenden van Louis “van Leines” America liepen luid snaterend langs de beek. Vanwege de regen was er nergens geen mens buiten. Plots zegde Emma : “Priemen, durft gij een eend vangen ?” “Waarom niet, ’t is maar of ik ze kan krijgen” antwoordde ik. Maar ik was snel en zou ’t proberen Al sluipend naderde ik de eenden zo dicht mogelijk en plots dook ik in de troep. Ik had een luidruchtige witte eend te pakken. “Houdt haar bek toe, seffens komt er iemand buiten” zei Emma. Ik sloot mijn hand om de bek van de verschrikte eend. Emma deed haar jas open van voren en zei : “Stop ze hierachter, maar houdt goed haar luidspreker dicht”. Eens zo ver knoopte Emma de jas weer dicht, stak er langs boven haar hand achter en hield toen zelf de snater van het beest toe. Behalve een lichte verdikking kon ge niet merken wat achter Emma’s jas zat. Ik vroeg wat ze ermee ging doen en Emma zei : “Sè Priemen, dat zult ge wel zien, we zullen eens lachen”. Ondertussen waren we al aan Louise Vanbergen gekomen, waar de kelderkamervenster open stond. Terzelfdertijd kregen wij dezelfde gedachten. Emma sloop tot dicht bij de muur onder ’t venster, trok de nu weer wild taterende eend van achter haar jas en wierp ze ’t venster binnen. Ter hoogte van de vensterdorpel liet de eend een zwarte straal vliegen, net platte modder. De helft buitenkant en de helft binnenkant het venster. “Voilà,” zei Emma, “die zit op het bed, nu zal tant Louise, als ze straks gaat slapen denken dat nonke Djang het bed vuil gemaakt heeft” want die eend kwam al terug buiten gevlogen. Hoe ’t afgelopen was hebben we nooit horen zeggen.

Nog noten…

In het steegje dicht bij de Dikke Linde, men noemde het “het strontsteegje”, waar nu die garage van Hiemeleers staat, stonden in mijn kinderjaren, twee grote notenbomen. Ze waren eigendom van Maria van Goris Smets, een oude jonge dochter, die aan de Dorpsstraat woonde, waar nu die dennen staan van Fernand Leemans, de fietsenmaker. Vandaar lette ze de hele dag naar de schoolkinderen, die het waagden naar noten te zoeken onder haar bomen. Deze bomen waren zo breed van takken dat ze voor de helft boven de straat hingen, wat kinderen én volwassenen steeds aanzette om even in ’t gras te kijken om noten te zoeken. Maar als ge even in ’t gras keek kwam Maria, meer vallend dan lopend door de wei op halfhoge hakken, door dat hoge gras met veel molshopen, waarin ze dan wegzakte. In ’t midden was de wei in twee gedeeld door drie rijen prikkeldraad. Daar kroop Maria dan tussen door en bleef steeds in de prikkeldraad haperen. Dan met de rug van haar bloes, dan met de voorkant van haar lange zwarte kleed, dan met de zwarte wollen kousen, kortom Maria hing soms tussen de draden als een spin in haar web. Van verre stonden wij, de straatbengels, dan de dikke vrouw uit te lachen. Geraakte Maria dan los en kwam ze nader, dan sloegen wij op de vlucht want Maria dreigde steeds dat zij de gendarmen zou telefoneren. Daar waren wij bang voor met al die streken op ons geweten. Waarom Maria de kinderen weg joeg wist niemand, want zelf raapte zij nooit één noot op. Die moesten gewoon rotten in het hoge gras. Maar ja, als iets niet mag dan doet men dat liever, en wij lieten geen dag van de herfst voorbij gaan zonder naar noten te gaan zoeken onder Maria ‘s bomen. Op den duur als ’t goed weder was ging Maria niet eens in huis, voordat alle kinderen voorbij waren. Dan zat ze in ’t midden der wei, op een stoel te breien, en durfde geen enkel kind naar noten zoeken. Op een dag na vier uur, ’t regende hard. We liepen om ter vlugst om bij de bomen te zijn. Ik zegde terloops nog : “Nu het zo regent, zal ze wel niet buiten komen” en zonder rondzien begonnen wij te zoeken. Opeens echter sprong Maria van achter de haag op ons toe in oude lange regenjas, paraplu boven zich, al roepen : “Jawel, ze is wèl hier !”. Ze had gehoord wat ik zo even gezegd had. Bij ’t plotse verschijnen van Maria, schreeuwde Martha Leemans : “Oei, oei, een spook” en we maakten ons allen uit de voeten. We waren Maria al weer vergeten toen wij bij Yvonne aan tafel ons huiswerk maakten. Na een poosje werd er aan de deur geklopt, dadelijk werd de deur geopend, en een arm met brede zwarte mouw werd zichtbaar. Wij herkenden deze mouw maar al te goed. ’t Was Maria, die zich van haar spookkledij had ontdaan, en Yvonne aan huis kwam rekenschap vragen. Daar wij achter de deur zaten zag Maria eerst Yvonnes moeder zitten en door de kier van de deur vroeg zij overluid : “Ben ik hier bij Berke Knapen ?”. Van deze korte gelegenheid maakten Yvonne, Josee Pels en ik gebruik om te vluchten. In vliegende vaart naar achter toe, de konijnenstal in. Van daar hoorden wij Maria in huis te keer gaan. “Ze waren net hier, en ik zal ze vinden,” tierde Maria. Maar Yvonnes moeder liet niet toe, dat Maria van Goris huiszoeking deed. Ten slotte keerde Maria’s woede zich tegen Yvonnes moeder, terwijl deze niet eens wist, waarover het ging. Van in de stal hoorden wij het gekijf van de twee vrouwen, en uit schrik dat Maria ons toch zou zoeken, kropen wij in een konijnenhok met ons drieën, tussen enkele konijnen die van schrik de muur op liepen. “Dat ze wacht,” schreide Yvonne “ik met mijn nieuwe voorschoot in dat stalmest, dat zetten wij haar betaald”. Josee Pels en ik stemden er mee in, met de betaaldzetting. Toen eindelijk het lawaai verstomde, waagden wij ons tot aan de kier der staldeur. We zaten Maria vertrekken rood van woede. Toen ze ver genoeg was riepen wij :”Kwezel” achter haar aan. Gelukkig hoorde zij dat niet, anders was zij voorzeker terug gekomen. Ze deed echter iets anders. Van op d’ Oye stapte zij naar de statiestraat, naar Duchamps toe. Daar was telefoon en ze belde vandaar naar de gendarmen om ons te doen gevangen nemen. Toen men haar bij de rijkswacht vroeg wat bij haar gestolen was, en zij vertelde van de noten, gaven ze Maria de raad om al de takken af te zagen die boven de straat hingen, en dat ze voor zo’n bagatel niet meer hoefde te bellen. Wist Maria dan niet dat kinderen graag noten lusten ? Van dat telefoongesprek werden wij de dag nadien in de school op de hoogte gebracht. Maria was nadien haar beklag gaan maken bij de zusters. In school kregen wij verschillende overuren om straf te schrijven, wat onze wraak op Maria alleen maar deed toenemen.

Enkele dagen na dit gebeuren stonden er zigeuners aan “’t strontsteegje”. Deze bruine mensen zaten buiten tegen hun woonwagens en wij bleven er ongemanierd staan gapen. Sommige kinderen schreeuwden, anderen sliepen, de vrouwen hingen was te drogen op de omheining van de “hoge wei”, waar nu de dennen staan rond het huis van Dony Leunen. De mannen slepen scharen en messen, en één hunner trachtte uit twee lege appelsienkisten een kinderwagen te maken. Deze man zong zo’n mooi lied, wat wij nog nooit gehoord hadden. Ik weet er nog enkele zinnen uit :

“En morgen is het donderdag,

Ik denk aan jou,

Terwijl mijn ogen turen,

Als ‘k op de heide,

Eenzaam schildwacht sta.”

Hoe is ’t toch mogelijk zoiets te onthouden tot nu, méér dan veertig jaren later ? We luisterden en keken als naar een mooi toneelspel. Yvonne zegde plots aan de zanger : “Mijnheer, waarom zoekt ge onder die bomen daar niet wat noten voor uw kinderen. Die bomen zijn van niemand, daar mag iedereen rapen.” Dat liet de zigeuner zich geen tweede maal zeggen. Als een kat klauterde hij in de bomen en knuppelde een hele vracht noten af. Maria keek van in haar huisdeur toe en durfde niet naderbij te komen. De zigeuners, dat was een zeer gevreesd volkje in dien tijd. Dat was al één poets die we Maria gebakken hadden.

Zoete wraak

De volgende zomer in de grote vakantie volgde de tweede poets. Ik was bij Yvonne en we begaven ons naar de Honsberg om te gaan oogsten of aren zoeken. Bijna aan de Dikke Linde kwam Maria aangestapt in de richting van d’ Oye. Yvonne had nog schrik van Maria, en ging plat op de buik in de diepe gracht liggen. Ik stapte traag verder om Yvonne nadien te wachten. Mij kende Maria niet zo goed, en ik ontmoette haar dus terwijl Yvonne luisterde. Toen ze mij voorbijging zei ik : “Dag Maria”. Ze wendde zich om en vroeg : “Hebt gij nieverans Jef Treunen niet gezien, deze zou voor mij een konijn moeten komen slachten, en ’t is zo ver, met zo’n warmte. Wilt ge hem gaan zeggen of hij soms bij Maria Smets een konijn wil komen slachten”. Terwijl ze sprak had ik al iets bedacht : “Jef Treunen is niet thuis die heb ik zo even zien binnengaan, daar bij Fabry in de Kogelstraat”. “Ah, dan zal ik hem wel vinden,” zei Maria en zij keerde zich om en recht naar Fabry toe, waar Jef Treunen natuurlijk niet was. Yvonne kwam uit de gracht en op afstand volgden wij Maria, om haar gezicht te kunnen zien als ze bij Fabry zou buitenkomen. Toen zij daar aanklopte, zaten wij al achter de electriekkabine. Fabry en zijn vrouw waren toen al zeer bejaarde mensen, en die sliepen na de middag. Maria moest zeker een kwartier kloppen, toen trok de oude man een venstertje open en vroeg : “Waar brandt het ergens ?”. Maria zei : “Zeg aan Jef Treunen dat hij seffens naar mij toe komt om een konijn te slachten”. Dat gezicht van Fabry moest ge zien ! “Dat ziet ge van hier , dat ik in uw plaats zal d’Oye op gaan om dat te zeggen”, zegde de oude man. “Maar Jef Treunen is toch bij u in huis, ze hebben hem hier net zien binnengaan” sprak Maria. Toen scheen Fabry te snappen dat men Maria had beetgenomen en zei lachend : “Ik heb Jef Treunen in zeker al een jaar niet meer gezien, dus is hij hier zeker niet, en in die tijd dat gij mij wakker klopte waart ge op d’ Oye geweest”. Zonder nog één woord te spreken ging Maria op weg, terug richting d’ Oye. Nu moest ze de lange weg nogmaals gaan, die ze de eerste keer te lang vond en vanwaar zij halverwege teruggekeerd was. Achter de kabien lachten wij ons ziek, en trokken toen de Honsberg op om te gaan oogsten. Wij moesten ons verdienstelijk maken, anders mochten wij niet weg van onze ouders.

De stenen soldaatjes

Velen zullen zich nog het oude huis van “Djeun” of Eugène van Peter Mommen herinneren. ’t Is pas in de jaren tachtig afgebroken. In de plaats staat nu het nieuwe huis van Jos van Gaston Bex. Langs het huisje van Djeun stonden aan de zuidkant stallen met een duiventil op het dak en aan de noordkant langs het fietspad lag het tuintje van Djeun. Achteraan in dat tuintje stond heel vroeger een oud afdak met bijenkorven eronder. Aan weerszijden van dat afdak stond aan elke kant een stenen soldaatje, van ongeveer één meter groot. Echt schone tuinbeeldjes, voor dien tijd toch, want niemand had toen zoiets in zijn tuin. Wij, de bende van d’ Oye, waren eens bij Nieke geweest. Nieke “Peut” noemde men dat sukkeltje, dat zeer moeilijk kon gaan, ze liep op twee stokken en is reeds gestorven in 1945. Met Nieke liepen wij de tuin in en wij trachtten toen tevergeefs die beeldjes op te heffen. Ze waren loodzwaar. “Van mij zoudt ge ze wel krijgen”, zei Nieke, “maar nonkel Djeun wil ze niet weg doen”. Ik had achteraf aan die beeldjes niet meer gedacht, tot ik eens bij Josee Pels binnen ging op een morgen, en … weerszijden de voordeur stonden net dezelfde soldaatjes als bij Djeun in de tuin. “O, wie heeft ze nu kunnen dragen van bij Djeun” riep ik uit. Jeanne, de moeder van Josee, hoorde dit en vroeg “Van wààr komen die beeldjes precies, de kinderen zegden hier dat zij ze op de Kattensteeg in ’t hool gevonden hebben.” Aan het verschrikte gezicht van Josee zag ik, dat er iets verkeerds liep. De moeder van Josee was zeer kwaad. “Als dat ergens gestolen is, dan brengt ge dat direkt na school terug” zei Jeanne. “Ja maar, dat heb ik niet gestolen, dat is veel te zwaar om te dragen, dan kan ik niet terug dragen” schreide Josee. “Hoe is die rommel dan hier geraakt,” herhaalde Jeanne. “Dat is gisterenavond in het donker gebeurd”, zegde Josee. “We hadden Firmin en Georges van Trees gevraagd, en ook die van Raets hebben geholpen.” “Wel dan brengen diezelfde het ook weer maar weg”, zei Jeanne. Zo gebeurde het ook. Na schooltijd moesten de kwajongens met hun zelfgemaakt vervoer, een fruitkist op het onderstel van een kinderkoets, de beeldjes terugbrengen. Yvonne had ze liever gehouden, maar haar vader kende de beeldjes. “Rap ermee terug naar waar gij ze gehaald hebt,” riep Berke. Langs dezelfde weg terug dus, dat was eerst het steegje in aan Melius, op het kruispuntje van het steegje rechts, daar onder de pikdraad doorgekropen, door de ramaker zijn weide, tegries naar het hofke van Djeun toen. De zware stukken over de draad getild en weg door de brandnetels. Op hun oude plaatsen kon Djeun ze zelf zetten. Als we enkele dagen later op de steenweg voorbij het tuintje van Djeun kwamen, stonden beide soldaatjes op hun vorige plaatsen, net of ze nooit per voituur op reis waren geweest.

Droevig nieuws

Yvonnes moeder Celestine had een lange tijd last van rugpijn, en dat verergerde maar steeds. Begin maart 1943 stuurde dokter Jammaers haar voor een grondig onderzoek naar Leuven. Vol goede moed maakte Celestine zich klaar en de morgen van het vertrek ging de vrouw ’s morgens naar de mis, ging biechten en communiceren, en vol ijver, in de hoop op een spoedige genezing, vertrok Celestine. Wij verwachtten allen dat ze lang weg zou zijn, maar reeds de volgende dag tegen de avond was Celestine weer thuis. Allen beschouwden dit als zeer goed. Als ge zo gauw weer thuis waart, dan kon er toch niet veel schelen ! De vrouw moest veel rusten, goed eten en medicijnen innemen. Maar in plaats van te beteren verergerde haar toestand. De vrouw werd zo mager en zo bleek. Als ze soms eens het tuinpad afging, zich daarbij aan de wasdraad vasthoudend, dan zag ge bij zonlicht bijna dwars door haar magere hand heen. Maar zij hield zich zo kranig dat ge niet zou geloofd hebben dat deze vrouw doodziek was. Van in haar zetel heeft ze genaaid en gebreid en regelde haar huishouden van vijf kinderen tot daags voor haar dood. Ze is aan ruggenmergkanker gestorven op 17 september 1944. Yvonne was toen elf jaar oud.

Op het einde van diezelfde maand maart 1943 verliep het bij ons thuis eveneens zo gelijk bij Yvonne thuis. Ik was eens aan ’t zagen aan mam om geld voor een nieuwe gom. Zo’n gom met een uiteinde wit als potloodgom en het andere met blauw als inktgom kostte toen reeds drie en een halve frank. Bij den Dikke Louis op de Dorpstraat was het winkel. Daar was alles te koop, van schoolgerief, namaakjuwelen, fietsen tot stoven toe. Dit was de voorloper van de huidige shoppings. Hoe dikwijls zullen we daar niet staan kijken hebben, met onze neus platgedrukt tegen de winkelruit ? Achter deze ruit lagen de begeerde tweekleurige gommen. Toen in nu thuis aandrong om geld zegde mam : “Ge moet mij dat klein beetje geld dat ik nog bezit, niet willen afluizen, want we zullen ze in kort groot nodig hebben, als uwe pa niet meer zal kunnen werken”. “Waarom zou pa niet meer kunnen werken ?” vroeg ik als tienjarige. “Ziet en hoort ge niet hoe fel hij dag en nacht moet hoesten”, zei mam. “Hij zou zich moeten kunnen rusten en warm houden.” In plaats daarvan, moest hij elke middag te voet op een paar platte klompen naar Kortenbos-Statie, dan de Kempen in, de koolput van Zwartberg in, waar hij van twee tot tien uur ’s avonds tot aan zijn middel in ’t water moest staan, hard werken en dit terwijl hij zo erg verkouden was. Dan ’s nachts nog eens door de koude terug thuis, weer te voet van Kortenbos naar de Plankstraat in Zepperen.  Soms als de trein vertraging had door het oorlogsgebeuren kwam vader pas tegen de morgen thuis. Doodmoe en ziek naar bed voor een paar korte uurtjes, dan weer op om tuinwerk enzoverder te doen. “Hoe hij dat zal volhouden weet ik niet”, zei mam. “Maar nu weet ge wel denk ik dat ge zult met minder leren tevreden zijn”. Ik had aandachtig geluisterd, en inderdaad ik leerde van toen af nog zuiniger zijn, was tevreden zonder gom, en was toen ineens bezorgd om pa en om alles. Als ik thuis was, was ik een zwaarmoedige denker. Thuis weg, bij mijn vriendinnen deed ik nog mee met allerlei kattekwaad, maar echt plezier erin heb ik nooit meer gehad.

Eer maart 1943 ten einde was, moest pa noodgedwongen thuisblijven. Hij woog nog 49 kilo en dokter Jammaers stuurde hem naar ’t dispensarium in de Abdijstraat te Sint-Truiden om X-stralen-foto’s te laten maken van zijn longen. De dag nadien moest pa bij dokter Jammaers gaan om de uitslag. De dokter zei meteen de wrede waarheid : “Leander, jong, ge hebt de tering.” Het woord tering klonk toen zoals het woord kanker klinkt. Daar zat mijn arme vader, 38 jaar jong nog, een huis dat nog niet voor de helft was afbetaald en twee kleine kinderen. Ik was tien jaar, mijn broer René vier jaar. Na deze uitslag kwam pa terug thuis, iets vroeger dan ik uit de school kwam. Hij had aan mam net alles verteld, en lag toen met het hoofd op de arm op de leuning van de Leuvense stoof. Mam had mij net een gebakken eitje voorgezet met een halve boterham. Ik nam een hapje in de mond en toen volgde de ergste verschrikking die ik ooit te verwerken kreeg. Mam zegde plots luid : “Josee, onze pa heeft een tering”. De slag die mij die woorden toebrachten kan ik mij vandaag, 47 jaren later, nog levendig voorstellen. Ik voelde een rilling door mijn hele lichaam lopen, een krop drukte in mijn keel, en even werd het mij zwart voor de ogen. Het hapje brood dat ik in de mond had, spuwde ik in mijn hand. Ik zou het voor gelijk wat niet hebben kunnen doorslikken. Zo jong ik ook was, ik had al enkele keren van grote mensen horen vertellen dat wie de tering kreeg, héél zeker moest dood gaan. Ik keek naar mijn arme pa, die daar al hoestend bij de stoof zat, en vroeg hem na lange minuten : “Geneest dat nog, pa ?”. Hij hief het hoofd op en met betraande ogen sprak hij : Ge kunt er nog lang mee leven, als ge goed en krachtig kunt eten en in een sanatorium kunt rusten in zeer goede lucht, de dokter sprak over Marcinelle”. Ik schrok opnieuw : krachtig en goed eten , in volle oorlog, en we hadden nu al zoveel tekort ! En dan naar Marcinelle, zo ver weg van ons ! Daar konden wij vader niet eens gaan bezoeken ! Pa zag hoe ik er bij zat en wilde mij troosten. “Het zal wel allemaal zo erg niet zijn, als we nu denken”, zegde hij, “als ik wat kan rusten en uit de koude blijven, zal het nog wel wat beteren. In onze familie heeft nooit iemand dit gehad. Dus is het geen familiekwaal, zoals het op de meeste plaatsen wel geweest is”. Zo trachtte mijn arme pa, mij, mam en zichzelve wat te troosten. René speelde met knikkers op de vloer. Alles ging over hem heen. Hij was nog veel te jong om de ernst van ’t leven te begrijpen.

Weldra moest ik terug weg voor de namiddaglessen en met totaal lege maag en toegeknepen keel ging ik d’ Oye op, om Yvonne te gaan uitroepen.  Toen ik voor mijn beste vriendin stond viel het haar aanstonds op dat ik dezelfde vrolijke guit niet meer was als voorheen. “Wat hebt ge toch, Josee,” vroeg ze. Ik zei : “Mijne pa is ook fel ziek, hij heeft een tering en zal daarvan sterven”. Yvonne sprak : “Ons mam zal ook sterven want die heeft iedere dag feller pijn in haar rug”. Ja dat zal wel, maar van rugpijn gaat ge toch niet dood, maar onze pa van zijn tering wel”, wou ik verstandig doen. En pratend, gelijk twee volwassen vrouwen, over ziekte en dood begaven wij ons naar Josee Pels. Ook daar vertelden wij wat er thuis te gebeuren stond. Toen begreep ik niet waarom Djang Pels, Josees vader, zo bleek werd. Hij was een goede vriend van mijn vader en werkte samen met hem in de koolmijn. Ook Djang Pels was getroffen door het droevige nieuws over zijn werkmakker Leander. In de school zat ik later als een afwezige, als ik plots moest voorlezen, wist ik niet waar de vorige gebleven was. Yvonne zei : “Juffrouw, Josee weent omdat haar vader gaat sterven, mijn moeder gaat ook sterven, maar ik ben niet zo week als Josee, en ik ween daarom niet”; Juffrouw Mieke Hechtermans was een verstandige vrouw en troostte mij.  Ik spoedde mij naar huis na de schooluren. Eerder kon ik lange omzwervingen maken, maar nu wilde ik mij zoveel het ging nuttig maken om pa te helpen. Ik wilde hem zijn zorgen helpen dragen maar wist niet goed hoe.

Rond dezelfde tijd zaagde ik ook voor een nieuwe houten pennendoos. Ik moest mijn potlood en griffel namelijk bewaren in een stoffen zakje dat mam voor mij genaaid had. Ik durfde dat zakje nauwelijks uit mijn lessenaar halen, zo erg werd ik erom uitgelachen door de andere kinderen. Die hadden allen een normale pennendoos. Op een zondag als de jongste zuster van mam eens bij ons, met haar zoon Lucien. Deze neef, zo oud als ik, had ook gezien dat bij de Dikke Lowie twee mooie pennendozen te koop lagen aan vijf frank per stuk. Hij wilde er graag eentje hebben. Toen ik dat hoorde van mijn neefje was ik terstond bereid om mee te gaan met hem en zijn moeder, met de stille hoop dat mijn tante ook voor mij een pennendoos zou kopen. Ik had haar immers even tevoren aan mam horen zeggen : “Roos, ik heb zoveel geld, dat het onderste in de doos stinkt en ik geregeld alles moet omkeren”.  Dus tante Hermine was wel de geschikte vrouw om haar arme nichtje ook een pennendoos te kopen. Gedrieën liepen we door de Kattensteeg naar de winkel. We keken eerst door de winkelruit en gingen dan binnen. Lucien koos een pennendoos met een zeezicht geschilderd op het deksel. De andere, met rode rozen en vergeetmenietjes op het deksel had ik het liefst. Maar tante gaf vijf frank aan de Dikke Louis en zei aan haar zoon : “Nu hebt ge uw doos en nu voort.” Ik stond daar als uit de lucht gevallen en bedroefd tot in de ziel stapte ik met beiden buiten. Toen tante en neef vertrokken heb ik zo erg geweend, dat mam beloofde elk kwartje dat ze kon sparen opzij zou leggen om de zo vurig verlangde pennendoos te kunnen kopen. Na een paar maanden was de vijf frank er, en dol van blijdschap trof ik de pennendoos nog steeds in de uitstalling aan. In mijn valiesje van zakkenstof uit de school van zuster Marie nam ik mijn dure doos mee naar school. Ik moest ze wel elke dag mee thuis brengen ’s avonds en er zeer goed zorg voor dragen, want ’t was maar een éénmalige aankoop. Ik deed wat mam zei en elke avond kwam ik ermee naar huis. Niet lang echter… Op een avond kwamen Emma Degraef en ik naar huis uit de school. Aan Raets op d’Oye kwam René Claes, de latere burgemeester, net uit de Kleine d’Oyestraat met een grote wagen met paard. Emma was vlak achter mij, greep ineens mijn valiesje met pennendoos uit mijn hand en wierp ermee naar René. Die greep het vast en wierp het terug naar Emma. Met een doffe slag sloeg het tegen het beton en het pennendoosje was in de ganse lengte gebarsten. Wenend kwam ik thuis. Mam en pa verstonden wel dat ik er niets aan kon doen. Ze troostten mij zo goed ze konden, en pa probeerde met kleine nageltjes en een stukje koperdraad de schade te herstellen, maar dat lukte maar matig. Toen werd ik in de klas ook nog bespot over die opgelapte pennendoos. Als ge maar tegenslag had !

Juffrouw Mieke

In 1943 moesten wij in de school eens een opstel maken over wat wij aan Sinterklaas gevraagd hadden en hoopten te krijgen van de goede Sint. Ik zat thuis aan tafel en wist niet wat ik daarover moest schrijven. Daarom vroeg ik het aan mam. Ze zei : “Schrijf maar dat Sinterklaas niet komt bij zulke arme mensen als wij.” En ik schreef dat in mijn opstel. Een paar dagen nadien keek Juffrouw Mieke Hechtermans de opstellen na, en plots riep zij : “Josee Priemen, kom eens hier !”. Ze vroeg mij waarom ik Sinterklaas niet verwachtte. Ik legde haar uit dat mam zei dat Sinterklaas zijn waren ook moest betalen in de winkels, en dat de ouders hem moesten terugbetalen, en dat wij dat niet konden van dat weinige geld van de Openbare Onderstand. De brave juffrouw kreeg tranen in de ogen en zei : “Wel Josee, dan zal ik Sinterklaas schrijven of hij bij mij thuis iets wil brengen voor U, en ik zal ook aan zuster Overste vragen of zij de Sint wil aanspreken”. Ik kende de Sint al wel, maar durfde dat niet te zeggen. Op de vooravond van Sinterklaas moest ik wat langer blijven, toen de andere kinderen naar huis waren, en daar opende Juffrouw Mieke de kast en gaf mij de geschenken “die er voor mij gebracht waren “: een nieuwe lei, schrijfboeken, pennen, potloden, en o wonder, een tweekleurige gom, en daarbovenop twee speculaaskoeken en een hele dikke appel. Van zuster Overste was er voor mij een prent van het kindje Jezus, Sint-Janneke met een schaapje, een witte rozenkrans en een zakje nic-nacjes. Zoveel moois had ik nog nooit gezien. Ik stond ernaar te kijken en de Juffrouw moest mij aanmanen het op te nemen en mij overtuigen dat dit alles inderdaad voor mij was. Ik kon het niet geloven ! Thuis deelde ik alle snoep met mijn broer. Zo had die ook wat lekkers. Vele jaren later, in 1974, trof ik onze vroegere schooljuffrouw Mieke eens aan de kerkdeur. Ik heb haar toen nogmaals bedankt voor de geschenken van dertig jaren geleden. Zij nam mij liefdevol in haar armen toen ik haar zei dat mijn leven als volwassene er niet beter op was geworden. Een vrouw uit de duizend.

De pensioenaanvraag

De eerste dagen van pa’s ziekte moest ook het inkomen geregeld worden. Ziekenkasvergoeding was er toen nog niet en voor pensioen was pa nog veel te jong. In ’t begin werden wij aangewezen op het budget van vijftig frank per week, ons toegekend door de Commissie va Openbaren Onderstand. Elke derde zondag moest mam 150 frank gaan halen op het gemeentehuis. Maar dit was niet de geschikte bron van inkomsten en trouwens veel te weinig. Dit was nog niet voldoende om pa’s medicamenten te betalen. Daar drong men aan dat een zo zwaar zieke toch pensioen moest trekken langs de koolmijn om. Daar immers had pa zich die ziekte op de hals gehaald. Nu noemt men deze ziekte “stoflong”. Dokter Jammaers onze huisdokter was de aangewezen persoon om de papieren in te vullen om pa’s pensioen aan te vragen. Jammaers kwam tweemaal per week bij pa, maar liep vlug buiten als over dat pensioen gepraat werd. Dien dokter was van de partij “een vet varken weet niet waarom een mager varken schreeuwt”. Die deed dan ook niets voor de arme.

Weer had mam bericht gekregen over dat pensioen voor pa en de dag daarvoren was de dokter weer weggelopen met de handen op zijn oren. Nu maakte mam zich eens goed kwaad : “Morgenvroeg ga ik naar hem toe, in zijn huis te Sint-Truiden, en daar heeft hij de papieren bij de hand, en ik ga niet meer buiten daar, zolang ik ze niet ingevuld in mijn handen heb.” Dat was volledig mam ! Eerst had zij lang geduld met iets, maar als ze zich kwaad maakte liet ze niet meer af. Mam kon uiterst slecht per fiets rijden, ze waggelde dan als een dronkaard. Ze was steeds bang geweest per fiets te rijden, maar nu had ze dit besluit genomen, en ze ging verder : “Morgenvroeg om acht uren gaat zijn deur open en dan zijn wij er al, daarvan ben ik overtuigd.” Wij, dat waren mam zelf dus en ikzelve erbij gerekend. We hadden slechts één oude fiets op tuben. Dit waren harde repen buis uit zwarte caoutchou uit de koolmijn, ieder koolmijnersgezin had dit op zijn fietswielen ter vervanging van fietsbanden. Dat was alsof men thans zou van die grijze afloopbuis nemen, en die rond de wielen plooien. Dat gaf niet de minste vering en hield een geratel op de stenen, net of ge per kruiwagen reed. Op zulke fiets hijste mam zich en ik ernaast met de zware fiets op dikke banden van Maria van Lowieke Bex. De zadel stond te hoog voor mij, en ik dus rechtstaande op de trappers mee met mam naar Sint-Truiden. “Rij schoon voor mij op,” zei mam, “als ik dan naar u kijk, kan ik de baan beter houden”. Ongelooflijk en zo’n vrouw moest per fiets rijden.

Even voor acht uur stonden wij heelhuids voor Jammaers zijn huis. Zijn deur stond al op een kier. ’t Was toen midden in de oorlog, een oude fiets stond toen gelijk met nu een auto, en dus oppassen voor stelen. Wij sleurden de fietsen drie trappen op, en plaatsen ze tegeneen op het bordesje voor het doktershuis. Aan de straatzijde is er een zwart smeedijzeren traliewerk. Hieraan werden de fietsen met een stuk ketting en paddenslot vastgemaakt. We waren de eersten en weldra zaten wij voor Jammaers zijn schrijftafel. “Dag madame Rosalie en de juffer, wat kan ik voor  doen ?” sprak Jammaers met zijn luide stem. “Wel ge kunt die papieren invullen voor Leander zijn pensioen, ik ben daarom speciaal naar hier gesukkeld, “zei mam, en het kind hier heb ik daarom uit de school moeten houden”. “Gij moest niks,” schreeuwde Jammaers, “uwe man is nog veel te jong en wie weet knapt hij binnen enkele jaren nog wat op, dan kan hij misschien nog wat licht werk verrichten”. Ik bekeek mam van terzijde, en zag dat ze beefde van woede. Ze sprong recht op haar stoel en sloeg met de vuist tussen de papieren op de schrijftafel. Ik wipte van mijn stoel en ook Jammaers wipte recht uit zijn zetel. “Hola, madame Rosalie, ge moet alle redenen plaats geven, want we doen alles voor uwe man om hem nog ooit zover te kunnen opknappen dat hij later nog wat zal kunnen werken.” En mam weer : “En dan ? Tussen nu en later, waarvan moet ik mijn huis afbetalen, mijn kinderen te eten geven, u betalen tweemaal per week, de remedie bij Kevers op de grote markt ? Gij praat alsof ge geen vel op uw neus hebt.” “Ik herhaal dat ik ze niet invul,” schreeuwde Jammaers. “En ik herhaal dat ik niet vertrek van hier zonder die papieren, ingevuld en gereed om op te zenden,” riep mam. Zij ging plots langs de schrijftafel, de dokter langs de andere zijde, en opeens stond mam aan de zetel van Jammaers en hijzelve stond aan de stoel waar mam had gezeten. De plaatsen waren thans omgekeerd. Ik stond aan de deur, de klink in mijn hand om te kunnen vluchten als het tijd werd Een luid geruzie vulde de kamer. Intussen waren nog andere patiënten in de wachtkamer gekomen. Jammaers zal daar zeker aan gedacht hebben en uit schaamte voor zijn geschreeuw de strijd gestaakt hebben. “Goed, ik zal ze invullen,” zei hij. “Dat is u ook geraden”, zei mam. Hij schreef wat, drukte wat stempels en de papieren naar mam toeschuivend zegde hij nog : “Hier hebt u uwe papieren, maar pensioen trekken, dat zal een ander paar mouwen zijn.” “Dank u, als ik niets trek ermee, dan hebt gij toch uw plicht gedaan, dokter,” zei mam. “Jaja madame Rosalie, dat is graag gedaan, ge moet mij veertig frank”. Ik stond erbij te kijken en begreep toen nog niet waarom de grote mensen het elkaar moeilijk maakten en daarna deden alsof er niets gebeurd was.

Na dezelfde sukkelrit naar huis, kwamen wij tegen de middag terug thuis. “Ziet ge wel Leander, dat ik de papieren heb,” zei mam, “’t werd tijd, want ik sloeg hem in zijn eigen huis op zijn snuit als hij niet toegaf.” Ik deed teken naar pa dat ’t er gestoven had. Pa moest lachen ondanks alles. Nu moesten die bewuste papieren naar de post gebracht worden en per aangetekende brief naar de pensioenkas gestuurd worden. Maar tussen dit opsturen en pensioen trekken verliep een lange wachttijd. Hoelang weet ik niet, maar Fred Bertrand was ingeschakeld geworden om er spoed achter te zetten. Ten lange laatste kwam dan dat beruchte pensioen : 693 frank per maand. Pa had slechts vijftien jaar put. Alsof hij er iets aan doen kon dat hij niet langer kon werken ! Van die som moest toen alles af, zoals terugbetalen aan de openbare onderstand. Mam had daar getrokken toen ze er geen recht op had lieten ze weten, maar het mocht wel per maand terugbetaald worden ! Mam heeft toen jarenlang per twintig frank maandelijks aan “den arme” zoals ze toen zegden, terugbetaald. Nu waren ze immers niet arm meer, ze trokken toch pensioen. Een brood kostte 55 frank en een ei tot 10 frank.

Armoede

Dat ik zo leren sparen heb en niets weg wierp, en zo kwaad ben op verkwisters en dronkaards, dat heb ik onder de oorlogsjaren grondig geleerd. Ik heb de harde leerschool des levens in mijn kinder- en jeugdtijd zo van dichtbij meegemaakt, dat ik nog vrij ouderwets leef. Ik herstel alles zelf, kweek bijna al onze voeding, hetzij groenten, hetzij vlees. Alles wordt met hard werken zelf gewonnen. Dat alles leert men wel als ge in de oorlog met vier personen, waaronder een zwaar zieke, moet leven van zulk pensioen : zeshonderd drie en negentig frank per maand. Ongelooflijk maar echt gebeurd ! Hoeveel keer zijn mijn broer en ik ’s morgens met lege maag naar school gegaan ? Als er nog een beetje te eten was, zeiden wij kinderen : “Laat dat maar voor pa, hij is de zieke;” En het moet hier gezegd, door de aanhoudende strijd om het bestaan, raakte het denken aan pa’s zekere dood wat op de achtergrond. Door wat rust en medicijnen ging hij er inderdaad beter uitzien. Hij hoestte nog maar zelden en begon hier en daar iets te doen. Pa was een nuttig en werkzaam mens, die niet kon stilzitten.

Zijn vermeende verbetering was in felle tegenstrijd met de raad van dokter Jammaers. Die zei toen eens : “Wat ik wou zeggen, Leander, uwe ziekte is nogal besmettelijk, gij zoudt een aparte slaapkamer moeten hebben, anders gaat ge uw vrouw en kinderen ook ziek maken;” Tot dan toe sliepen wij allen op de kelderkamer. Mam en pa samen, in een ander bed mijn broer en ik samen. Zoiets gebeurt nu niet meer, en al lang niet meer. De wereld is er toch op vooruitgegaan om sommige punten in de goede richting. “En Leander zou zijn kamer aan de zonzijde moeten behouden, zoals nu, maar dan voor hem alleen. En slapen met open raam, ’t is maar dat ge het weet madame Rosalie, dan kunt ge naar en oplossing zoeken, ” aldus dokter Jammaers. De oplossing zoeken, dat was wat anders. Behalve de kelderkamer en de woonplaats was er nog slechts een klein kamertje van twee meter op twee meter groot waar de fiets stond. Van dit plaatske moest nu een slaapkamer voor drie mensen ingericht worden. Eerst het bed van René en mij erin geplaatst. Bovenstuk en voeteinde pasten juist tussen de muren. Voor het opmaken van het bed kon ge er enkel aan de voorkant bij. Er moest wel niet veel opgemaakt worden : een versleten strozak en twee dunne dekens, dat was de volledige bekleding. Nu moest mam daarin ook nog plaats vinden en ’t was niet eens breed genoeg voor twee mensen. René werd tegen de muur geïnstalleerd en dan mam naast hem, want die moest erg hard werken. Met hun tweeën was het bed gevuld. Er was een oude rieten zetel, maar die moest naast vaders bed staan om hem te laten rusten als zijn bed werd gezuiverd. Ik had dus geen bed meer, maar mam wist er wat op. Achter de deur van ’t kamertje, die binnenwaarts opendraaide, was er nog een goede halve meter doorgang naast het bed. Tegen de achtermuur onder ’t kleine venster plaatste mam nog een stoel, een andere stoel bijna tegen de deur als die dicht was, een broodplank gekregen bij Lis Bex en ik had een bed. Twee zakken haverstro erop, een versleten deken en ik kon slapen. Alsof men kon slapen op iets van dertig centimeter breed en net zo lang dat ik boven met mijn hoofd tegen de leuning van de stoel drukte en langs onder met mijn voeten tegen de andere stoelleuning aan lag. Met deze stelling achter de deur ging die nu iets minder dan half open. Mam had elke dag knopen terug te naaien aan haar voorschoot. Telkens zij zich door de opening wrong hing zij aan de klink vast met haar voorschoot. Tegen de muur achter de deur waren enkele spijkers geklopt waaraan de kleren van hel hele gezin ophingen. Van een kleerkast kenden we toen het bestaan niet eens.

Op mijn strozakken boven op de broodplank heb ik geslapen van in de zomer 1943 tot december 1946. Toen ik groeide moest ik de benen maar optrekken en van omdraaien was geen sprake, dan lag ik eraf. Ik moest de hele nacht blijven liggen hoe ik mij ’s avonds neerlegde. De afwerking van ons slaapkamertje was niet van die aard dat wij er een dokter of gelijk wie in konden laten komen. Het plafond was één keer gepleisterd, overal zag men de latjes erdoor. De muren waren eenmaal met grijs gepleisterd en zo hobbelig : als ge er met de arm tegen stiet was uw vel eraf. En de vloer dan ? IJskoude blote beton en een grote stroopdoos onder ’t bed die als nachtemmer dienst deed. De enige nachtemmer stond bij pa’s bed op de kelderkamer. Verlichting was er nergens. In de woonkamer stond een petrollamp op tafel, die diende om de drie plaatsen te verlichten. Als de dokter bij pa moest zijn bij avond of nacht, dan stond mam erbij met de petrollamp in de hand om de dokter bij te lichten. Dan zaten wij in huis of kamertje in een volledig donker. Van armoede gesproken !

Mollen vangen

Ondanks alles hoopte pa, tegen beter weten in toch nog op het wonder van zijn genezing. Volgens hem konden de dokters zich toch ook vergissen. Hij voelde zich immers beter en wou persé werken, gelijk wat om maar iets bij te verdienen. Ik leerde spinnen en elke avond tot laat in de nacht, bij het licht van de petrollamp, spon ik de wol die de mensen uit de buurt en familie mij brachten. Ik leerde in de tuin werken en voeder halen voor de konijnen. Pa zei dan : “Kind, ge moet dat begrijpen, gij zijt de oudste. Als ge wat mee werkt gaat alles beter en zodra ik genezen ben doe ik dat allemaal terug alleen dan kunt ge terug gaan spelen”. Ik hield veel van pa en had zo’n medelijden met hem omdat ik wist dat hij jong zou moeten sterven. Mam moest tweemaal per week te voet naar Sint-Truiden gaan om medicijnen voor pa. Met de fiets waagde zij het niet meer, en de dichtsbijzijnde apotheker was Henri Kevers, Grote Markt 23 in Sint-Truiden. Op honderden doosjes heb ik dat destijds gelezen. Dan vertrok mam rond half een ’s middags als pa was gaan slapen. Ze stapte dan door Vallekenstraat, aan de Witte Lieven Heer, de steenweg op en zo de lange heen- en terugweg. Soms liep het tegen half zes ’s avonds eer zij terug thuis was.  De ganse lange weg, heen en terug, bad zij. Ook thuis, gelijk bij welk werk, altijd zag ik mam met prevelende lippen. Ik vroeg haar eens wat zij toch altijd fluisterde. “Ik bid dag en nacht voor de genezing van uw vader,” zei ze mij, “ge moet dat ook maar doen”. Van toen af bad ik iedere avond als ik op de broodplank lag “Vader in de hemel, laat mijn arme pa toch genezen”. Tot op heden bid ik nog iedere avond, maar nu voor de zielenrust  van mijn ouders. Soms leek het alsof ons gebed verhoord werd. Dan was pa net genezen. Hij hoestte niet meer, en dan was hij niet stil te houden. De winter van 1944 trok hij bijna iedere morgen de weiden in om mollen te vangen. Dat kon hij zeer goed en meestal had hij er tientallen in een oude zak bij. Thuis vilde pa dan die mollen en nagelde de velletjes op planken om rechtstaande onder de stoof te drogen. Die velletjes kwam Staaf de voddenman van Sint-Truiden dan bij ons kopen, hij gaf pa vier frank per stuk. Een mooie bijverdienste voor mensen die zo weinig gewend waren. Maar te veel moeite voor pa, want dan moest hij ook nog elke dag een gat graven in de tuin om de ontvelde rompjes te begraven. Met al die kleinigheden had pa het veel te druk voor zijn gezondheid en langzaamaan werd hij hees. Op den duur kon hij nog alleen fluisterend spreken. “Dat is een keelontsteking, zoals iedereen wel eens krijgt”, sprak pa zichzelf weer moed in en zeker drie maanden werkte hij voort. Dokter Jammaers hoorde en zag wel de echte situatie. Hij wenkte mam naar buiten. “Uw man zijn toestand verslechtert sterk,” zei hij, “nu heeft de tering zijn keel al bereikt en zal het niet meer lang duren.” Dat zei de dokter in de vroege lente van 1945.

Mijn plechtige communie

Ik zou dat jaar op Passiezondag 18 maart mijn plechtige communie doen. Een zorg bij voor thuis. Toen meenden die arme mensen nog dat ze verplicht waren nieuwe kleren te kopen en een feest te geven. Het vormsel viel toen nog in lange tijd niet samen met de plechtige communie. Waarom zou men dan ook zo’n onkosten moeten maken, om die ene communie. Terwijl men buiten die dag al zo dikwijls de communie had ontvangen. Ik zei dat thuis, maar mam antwoordde : “Ik ben uw moeder en lijdt daar teveel onder dat gij niet kunt hebben wat de anderen ook hebben.” Mij kon dat al lang niet meer schelen. Als ik een oud kleedje had, van de kinderen van Achiel Vanvuchelen, of een afdankertje van Paula of Alma Neven, dan was ik al lang tevreden. “Maar met zo’n kleedje kunt ge uw Pasen niet houden,” zei mam dan. “Wel, dan blijf ik maar thuis” vond ik, maar er kwam hulp. Van Marieke Gilissen kreeg mam een lang blauw kleed, dat werd losgetornd en Irma van de Meester Creten maakte er voor mij een passend kleed uit. De andere meisjes hadden toen hun eerste permanente met pijpenkrullen maar dat kostte honderd frank. Dus liep ik drie dagen en nachten met mijn haar op platte krulspelden gedraaid. Zondagmorgen had ik kroezelhaar als een neger.

Mijn paat Christine Priemen kocht voor mij witte kousjes en zelfs een koperen kruisje met dezelfde oorknopjes, die ik zo vaak bewonderd had door het winkelraam bij den Dikke Lowie. Van oudtante Gerardine kreeg ik een zilveren kettingske. Dat het kruisje er niet bij paste, dat gaf niets. Het sluiertje met kroontje kreeg ik in leen van Louise Driesen, een buurmeisje. Kruisje en oorbellen heb ik nog steeds. De witte linnen schoentjes die we kregen van de gemeente, daar had ik ei zo na zonder kunnen gaan. Al de zeer arme kinderen kregen toen een bon per post thuis gestuurd door het gemeentebestuur. In school hoorde ik vertellen wie en wie niet haar schoenbon al had thuis gekregen. Op den duur was ik de enige die nog geen bon had. Met die bon moest ge dan bij Martha van de meester gaan, schoenen passen en meenemen. De bon diende ter betaling. Vele kinderen hadden hun schoenen al, en ik had nog geen bon. Begin maart zou mam eens naar de secretaris gaan vragen zei ze, maar op een dag kwam Eduard “van ’t molderke”, de uurwerkmaker, thuis af met een nat vuil stukje papier. “Kijk eens, Roos, als ik mij niet vergis dan staat op dat papier de naam Josee Priemen, en ik dacht zo, dat moet het kind van Leander zijn, ik zal daar eens gaan vragen wat dat zou kunnen zijn” sprak de zeer gedienstige man. “Dat zal de schoenbon zijn !”, en mam ermee naar ’t gemeentehuis. De bon was inderdaad meer dan een maand vroeger verstuurd, maar de facteur had hem verloren. Eduard had het document gevonden in dat vuile grachtje naast de mesthoop van Loereborg. Mam kreeg een nieuwe bon en zo had ik op het nippertje na toch ook witte linnen schoenen.

Josee als communicant 18 maart 1945

Op de dag van onze Plechtige Communie was ik de enige die een blauw kleed droeg, al de andere waren in ’t wit gekleed. Ik was ook de enige zonder polsuurwerk. Zelfs Yvonne had een horloge, al was het maar geleend voor één dag. Ik had die morgen keelpijn en pijn in mijn schouder. Mam knoopte mij een wit sjaaltje om de hals, om warm te hebben. Ik moest alleen gaan tot bij mijn paat Christine wat verderop. Mam kon pa immers niet alleen laten. Ik keek buiten, ’t was mistig weder, wat een mooie dag beloofde als de mist wegtrok. Maar door die vrij dikke mist ’s morgens kon ik niet juist zien wat ter hoogte van het huis van Felix van Bert Til op straat stond. “Een grote hond” dacht ik. “Neen, daarvoor staat het te stil,” zei mam. Ze ging met mij mee totdat ik er voorbij zou zijn. Toen we dichtbij genoeg waren, zagen wij een stoel, een koterhaak, braadpan en een dikke kasseisteen. Later bleek dat Felix en zijn zonen hadden gevochten en de “wapens” gewoon in ’t midden van de straat hadden achtergelaten.

Bij paat gekomen vergezelde zij mij naar de vroegere boekerij in ’t dorp. Van daaruit gingen wij in rij naar de kerk. Toen ging de plaatszetting nog met punten en ik was de eerste. Ik had al mijn catechismusvragen zonder één fout kunnen beantwoorden. Bij de jongens zat Emile Degraef de eerste. Emiles moeder, Louise Vanbergen, zei : “Gij en Mil de eersten, dus moet ge later ook maar samen trouwen”. Na de mis ging het vlug naar huis want daarna moesten we ook nog in de hoogmis zijn. Na de hoogmis hadden we meer tijd. Yvonne en ik bleven toen samen en we gingen langs de grote weg naar huis. Vele mensen riepen naar ons : “Kom U eens laten zien,” en dan stopten zij ons wat geld toe. Bij Irma van Jef Quarème kregen we elk 50 frank. Thuis legde ik pa al dat geld voor. “Om melk en vlees voor u te kopen, pa”. Pa wilde antwoorden, maar kon geen woord meer spreken, zo hees was hij. Hij zat bij de stoof met een pak watten om de hals en daar rond mijn gespikkelde tipsjaal. Pa weende stilletjes, mam eveneens, en zo aten wij met ons vieren een stukje schapenvlees, dat Jef Degraef twee dagen tevoren gebracht had en een eitje met brood. Sommige mensen begrepen onze benarde toestand. Na het lof speelden wij op straat en Jef van Lowieke Bex kwam ook buiten, hij had spijskaarten bij zich, die hij ons gaf. Jef had ook zijn communie gedaan. Op de kaarten lazen wij een hele reeks mooie namen van gerechten. Ik weet er nog twee van : Koninklijke feestsoep en Kotelet op zijn Haspengouws. Welk verschil toch, van het éne huis tot het andere !

Naar het sanatorium

De tweede dag, waarop anderen nog een tweede nieuw kleed droegen, stopte Fille “van de Boer” Vanvuchelen voor onze deur om pa naar ’t sanatorium te voeren. Niet naar Marcinelle, alleen maar naar Sint-Truiden, om uit onze buurt weg te zijn, vanwege de besmetting. Boven het latere moederhuis lagen twee grote zalen. Ene was slaapkamer, de andere dagverblijf. Op deze laatste stonden vier ligstoelen met veel kussens, een lange tafel en stoelen in ’t midden. Er verbleven behalve pa nog drie alleenstaande mannen : Leon Philips, Camille Lowette en Jozef Vanrutten. Alleen pa had de bijkomende zorg over zij huisgezin waaruit hij weg was. ’s Avonds kwam mam terug thuis, met de koets van Fille, en we dachten dat we pa van toen al kwijt waren. Mam moest nu geen medicijnen meer halen, maar zij bleef de tocht van twee maal per week gaan, ditmaal om pa te gaan bezoeken. Na een week of zo zei mam : “Pa kan terug spreken, hij is niet hees meer en ziet er zeer goed uit”. Een golf van blijdschap overspoelde mijn gemoed. Ik ging iedere dag weer naar school en had ik niet steeds die vervelende pijn in keel en schouder, dan zou ik vrij gelukkig zijn geweest. Pa was immers zoveel beter en ik was terug veel bij mijn vriendinnen.

Op 3 april 1945 mocht ik met paat Christine mee naar pa toe, te voet, maar erg blij hem weer te zien. We gingen langs het poortje van ’t oud gasthuis binnen, rechts achterom, voorbij een grot en eer we bij de deur waren zagen we pa, buiten wandelend tussen de rozenperkjes. “Zijt ge zo goed, pa ?” riep ik. “Ja kind, ik voel helemaal niets meer, ik moest veel eerder naar hier gekomen zijn”. Ik kon mijn oren niet geloven. Was dit pa ? Die flinke goed uitziende man, die een paar weken tevoren, omhangen met een deken, met moeite in de koets van Fille was gekropen. In mijn gemoed dankte ik God uitbundig. Ook paat was erg blij haar broer zoveel beter te zien. Pa zat met ons aan tafel alsof hij ook een bezoeker was en geen patiënt. Wat later begonnen wij met gelukkige lach de terugweg. Wat een goed nieuws toch. Vader was genezen… meende ik.

Limonadedieven

Terwijl vader zo goed was en ik dagelijks naar school kon, kwamen de oude guitestreken weer boven. Soms waren er dagen dat mijn pijn minder hevig was en kwam de oude speelzin er bovenop. Meestal waren wij gedrieën, Yvonne, Josee Pels en ik, overal samen bij betrokken, maar op die dag moest ik alleen na school nog wat straf schrijven. Ze hadden het te lang gevonden die tijd op mij te wachten, al had ik beloofd vlug te zullen schrijven. Ze gingen dus alvast vooruit. Maar daar, voor de café van Steukers, nu taverne Haspengouw, stond… de brouwerskar van Kerkom met wijdopen deuren. De limonade lag bij de deuren, dus in handbereik. Zonder aarzelen pakten ze ieder in elke hand een fles limonade en rende vliegensvlug achter de kerk ermee. Daar werden de flessen op de rand van de regenwaterbuis ontstopt en leeggedronken. Nog niet tevreden gingen ze opnieuw kijken en de bierkar stond er nog. Nogmaals elk twee flessen gesnapt. Weer achter de kerk ermee, opengedaan en gedronken. Ze kregen de limonade niet meer uit en waren verplicht de kostbare inhoud met flessen en al weg te gooien. Als geschikte plaats voor de flessen kozen zij die oude hoge grafsteen uit die tegen de tuinmuur van Vaes staat, tussen die beide hoge coniferen. Terwijl zij zich “bedronken” achter de kerk, was ik langs de steenweg naar huis gegaan. Zo hadden wij elkaar ontlopen zonder het te weten. Toen ze mij dat ’s anderendaags vertelden, wilde ik het eerst niet geloven, maar trots troonden zij mij mee naar het kerkhof en toonden mij de acht flessen, waarvan vier nog bijna vol. Ik had wat spijt dat ik er niet bij was geweest, vanwege de gemiste limonade, en zei dat ook. “Heb maar geen spijt, ” zeiden ze “want gij hebt tenminste kunnen slapen vannacht, terwijl wij er steeds uit moesten om de nachtpot te gebruiken. Hun ouders hadden gevraagd waarvan dat toch wel allemaal bleef komen, ze hadden toch ’s avonds niet meer gedronken dan gewoonlijk.

Het dikste ei

Naast de school bij Steukers hadden ze een kat die jongskes had. Leonie, de vrouw van Steukers vreesde dat zij overbevolkt zou raken van katten en was achter het huis aan ’t lopen om de katjes te pakken te krijgen, om ze tijdig te kunnen wegdoen. Wij, de drie van altijd, gingen bij Leonie aan de pomp water drinken. we zagen de al wat oudere vrouw tevergeefs achter de katjes vangen en gingen haar helpen. Maar de katjes waren veel sneller en gevieren klauterden ze aan een stijl op en verdwenen op de schuur. Leonie durfde de ladder niet op, wij natuurlijk wel. Maar daar rinkelde de schoolbel en we beloofden de vrouw na vier uur terug te komen. Zo geschiedde, maar de vrouw had toen klanten in het café “De oude drie koningen”. Wij wisten de schuur en de ladder stond er nog dus vonden wij het niet nodig Leonie te gaan roepen. Achter elkaar kropen wij de ladder op en duikelden in het hooi op zoek naar de katjes. Die vonden wij nergens, maar ik vond wel een ganse nest met eieren. Ik riep mijn vriendinnen. Yvonne vroeg : “Waarop wachten we, grijp er enkele van en we zijn weg ermee, voor de vrouw ons hoort. Met zeven eieren in onze voorschoot vluchtten wij de lader af, de straat over, richting kerk, tot aan het huisje waar pa Wanten woonde. Daar voelden wij ons veilig en werd de buit bekeken. Josee Pels bedacht toen wat ze thuis moest zeggen over de herkomst van de eieren. We vonden niet vlug een oplossing en Josee besloot haar eieren grootmoedig aan ons te verdelen. Yvonne had er al drie en ik maar twee, dus deelde Josee zo eerlijk als ze dat toen kon bedenken. “Yvonne, gij hebt het meeste, dus krijgt gij het kleinste ei, Josee Priemen krijgt het dikste ei”. Ze legde het dikke ei in mijn voorschoot en meteen zag ik dat ik feitelijk het minste had gekregen. Josee had namelijk het porseleinen nestei mee opgepakt en had dat niet eens bemerkt. Of er gelachen werd. Thuis vertelden we dat we die eieren op de kant van een beek gevonden hadden, waarschijnlijk van een hen die verloren legde. Lange tijd later moesten we nog lachen om die stomme streek van Josee Pels.

Verrast in het Zwartveld

In juni 1945 kwamen wij ’s middags uit de school naar huis. Ditmaal maakte Emma Degraef deel uit van onze kleine groep. Toen Yvonne en Josee Pels op d’ Oye hun huis binnen waren, en Emma en ik nog een stuk alleen hadden af te leggen, zei Emma : “Zeg, Priemen, waarom zijt gij toch altijd bij die van d’ Oye, en mij ontloopt ge, en wij wonen nog wel op dezelfde straat !” Ik sprak over mijn jarenlange vriendschap met die van d’ Oye en dat we samen al zoveel plezier hadden gemaakt. “Wel,” zei Emma, “deze namiddag gaan wij hen eens niet wachten, we gaan samen eens ergens wat fruit eten.” Ik liet mij ompraten en mijn vriendinnen van d’ Oye wachtten die namiddag tevergeefs op mij. Langs de Mot, kwestie van niet op d’ Oye gezien te worden, spoedden Emma en ik ons al om half één richting school. Ik zeg wel richting, want het zou nog wel een tijdje duren eer we daar toekwamen. Snel aan de school voorbij dus, de weg van ’t Zwartveld in, tot bijna aan de plaats van het huidige nieuwe kerkhof. Daar loopt een oud wegje rechts achter de tuinen van de Statiestraat. Op goed geluk drentelden wij dat wegje in. Daar waren we nog nooit eerder geweest. Langs de achterkant gezien, kenden wij de huizen van de Statiestraat niet. Van op straat aan de voorkant gezien wisten we van vele huizen wie erin woonde, maar hier van op de veldweg was alles ons vreemd. In een tuin zagen wij broeibakken. Dat betekende zo goed als zeker aardbeien. ’t Was goed geraden. Emma hield het deksel omhoog en ik plukte gauw mijn schoot vol. Niemand had ons gezien en wij stormden den tuin uit. Achter een haag gezeten smulden wij lekker alles op. Toen zag ik dat mijn voorschoot danig verkleurd was van het sap van de kapot gedrukte aardbeien. Voorlopig hield ik het vuile schort nog aan. Hier in ’t veld zag toch niemand ons. Omdat alles zo vlug was gegaan gingen we nog niet naar school en wandelden verder. We kwamen aan een wei met hoge haag errond, zonder één gat erin zo te zien. Wel een hoog ijzeren hek, maar dat was gesloten. We zagen twee varkens in de wei lopen maar vooral veel bomen met rijpe kersen. Zonder aan een eventuele vlucht te denken, klommen wij over het hoge hek en sprongen in de wei. Aan de laaghangende takken plukten wij de mooiste kersen af, net alsof de hele wei van ons was. Ik had een bloes aan die mij veel te groot was, maar aan de onderkant een spannende ceintuur en met een wijde halsopening. Ik liet de kersen door die halsopening achter mijn bloes glijden. Weldra had ik een pak kersen op de borst steken, zo dik als een brood. Emma plukte in haar schort. Nu vonden wij dat we genoeg kersen hadden en wandelden al etend naar het hoge hek terug. We zouden er gewoon terug over klimmen. Maar daar was het liedje uit. Jef Billen en zijn zoon Guillaume sloten het hek open, ze kwamen de varkens halen. Ieder had een zweep in de hand. Ze sloten vlug het hek achter zich en waren meteen bij ons in de wei. Wij zetten het op een lopen en wisten niet welke richting uit. We liepen maar in ’t ronde achternagezeten door de twee kijvende mannen met hun knallende zwepen. “Priemen, blijf dicht bij mij, ” riep Emma mij toe. “Ik ga op de haag springen en gij moet volgen”. Emma nam een flinke aanloop en sprong boven op de dikke haag. Ik volgde haar voorbeeld, maar sprong iets lager. Gelukkig kon Emma mij grijpen en trok mij op. De twee mannen waren op enkele schreden achter ons, dus moesten wij snel handelen. Tegelijk sprongen wij van de haag en vielen in een aardappelveld. Ik viel op mijn hoofd zodat ik niet direkt wist wat er gaande was. Emma trok mij overeind en lopen. ’t Was niet te vroeg want de twee mannen kwamen ook al over de haag geklauterd. De zoon moest echter zijn vader met zijn dikke buik over de haag duwen. Dat schonk ons wat voorsprong. De oudere man kon ook niet hard lopen. Toen zij dan ook in ’t aardappelveld belandden hadden Emma en ik dat veld reeds verlaten aan het andere eind. Maar onze achtervolgers gaven niet op. Ze volgden ons tot op straat aan Pieter Vrancken. Wij vluchtten achter de kerk. Toen waren zij ons spoor kwijt.

We bleven wel een half uur achter de kerk alvorens ons op weg naar school te durven wagen. Alles was verdacht stil op het kerkplein : de school was al begonnen en wij kwamen een flink stuk te laat. Maar toch moesten we naar school toe ! Onze kersen hadden we nog, ondanks de wilde vlucht. Het sap droop op de grond. Op de speelplaats deed ik mijn vuile voorschoot uit en stopte hem in mijn schooltas aan de kapstok. Emma pakte haar voorschoot met de kersen samen en dit verdween in haar schooltas. Een deel van mijn buit volgde, maar ik liet nog een flinke portie kersen achter mijn bloes zitten om Yvonne haar deel te kunnen geven. Als ik in de schoolbank naast haar zou plaatsnemen kon Yvonne immers lastige vragen stellen over ons laatkomen en haar niet te komen roepen enzoverder. We gingen de school van zuster Germaine binnen, ik rechtop, Emma steunend op mijn schouder en hinkend op één been. Vlug had ik op de klok gezien : ’t was kwart na twee. Met rood gezicht kwam de zuster toegelopen en Emma trok een meelijwekkend gezicht en zei half wenend : “O, zuster, ik heb zo’n pijn, mijn voet verstuikt, ik ben gevallen, ik kon niet meer gaan, ik heb heel wat moeten rusten, en Josee is bij mij gebleven”. Ik knikte van ja, en moest er aan denken dat we allesbehalve gerust hadden. “Ga maar voorzichtig in uw bank zitten, en als ’t met speeltijd seffens nog zo veel pijn doet, zal zuster Marie koude kompressen op uwe voet leggen,” zei zuster Germaine. Emma hinkte naar haar plaats en ik schoof naast Yvonne in de bank. Dadelijk begon de ondervraging op fluistertoon en ook … de verdenking. Mijn handen waren plakkerig en vuil, terwijl het vruchtensap van onder mijn bloes drupte. “Dat van die voet, dat is groene,” zei Yvonne, “gij zijt ergens aan ’t fruit geweest en gij hebt mij niet laten meegaan”. Ik zei haar dat ze mocht blij zijn en vertelde haar fluisterend het hele verhaal. Als bewijs moest Yvonne zien hoe vuil mijn haar was door de val van de haag. Ik gaf haar flink haar deel van de kersen en alles was vergeten en vergeven. Yvonne at met smaak van de kersen en knipte telkens de kersensteen van tussen haar vingers weg, meestal vielen de steentjes achter de houten trede waarop de zuster haar stoel en lessenaar stonden. Die trede stond enkele centimeters van de muur verwijderd en daarachter wierpen de kinderen allerlei vuil en afval van fruit. Dat dit verre van proper was kon ons deugnieten niet schelen. Yvonne knipte dus kersenstenen in die richting. Vele geraakten niet zo ver en vielen in het midden van de trede. Toen de zuster even niet op de trede was sloop Yvonne gebogen achter de banken naar voren om de kersenstenen verder te duwen achter de trede. Maar op de trede gleed zij uit en viel naar voor. Met een vuile hand sloeg zij plat op de wit gekalkt muur. Haar hele hand, mooi in ’t rood, stond op de witte muur afgedrukt. De zuster kwam kwaad naderbij en vroeg wat dat allemaal te betekenen had. Yvonne zweeg als vermoord. Verraden deden wij mekaar nooit. ’s Avonds moest Yvonne straf schrijven na schooltijd “Ik mag geen kersen eten in de klas en ook de muur niet bevuilen. Straf was gewoonlijk 25 keer dezelfde zin schrijven. Jaren later stond Yvonnes hand nog steeds op de muur afgedrukt en een nieuwe laag kalk had die vlek niet volledig kunnen bedekken.

De dahlia

Op een zaterdagnamiddag, geen school. Ik was bij Yvonne gaan spelen of werken, zoals het uitkwam. Yvonnes moeder was het jaar tevoren gestorven en omdat Yvonne toen toch al twaalf jaar was, begon de huishouding steeds meer op haar schouders terecht te komen. Die zaterdag hadden zij en ik samen een ruiker dahlia’s gebracht aan het graf van Yvonnes moeder. We gingen met de bloemen over ’t kerkveld en waren in druk gesprek. Bij de twaalfjarigen zoals wij beiden werd in school al gesproken over hun lief. Bijna iedereen had een jongen, naar zijn zeggen. Wij, Yvonne en ik, hadden nog geen kennis, stel U voor. Op de weg naar het kerkhof zei Yvonne : “Gij hebt wel een lief, in ken hem”. “Wie dan ?” wilde ik weten. “Sel van Djang de koemeester, dat is uwe jong, want hij pakte u nogal vast onder de notenboom,” schudde Yvonne van het lachen. Ik werd oprecht kwaad en wilde naar huis lopen. Met moeite kon Yvonne mij ervan overtuigen dat het maar voor de grap was. Zij zou tegen niemand in school zoiets zeggen over mij. Om dit te bewijzen moest ik haar ook maar bedenken met de ene of de andere jong, al was er eveneens niets van waar.  Dat vond ik nogal aannemelijk en overdacht wie ik haar als lief zou toedenken.

Intussen verloor Yvonne uit de ruiker dahlia’s één bloem. Die viel op de grond en meteen wilden wij ze terug bij de ruiker steken, maar het steeltje was half gebroken. Ze gooide de mooie gele bloem terug op de baan en we spoedden ons naar ’t kerkhof. We legden de bloemen op het graf van Celestine en keerden terug. Aan de draai van de haag gekomen, waar thans de koster woont, zagen wij van ver een oudere man aankomen. hij droeg in het knoopsgat een … gele dahlia. Het was Jan Knapen, de man van Lisa Maris. Toen wij hem passeerden op het smalle wegje moesten wij ons alle geweld aandoen om niet luid te lachen. Maar tegelijkertijd kreeg ik een ingeving. “Gij hebt ook een lief, hij draagt wel een bloem van U !” zei ik aan Yvonne. Ze werd rood van woede en reageerde net zoals ik op de heenweg. Toen herinnerde ik haar eraan dat zij mij toch ook zo’n lief had toebedacht en hebben wij elkaar van harte uitgelachen. We beloofden er slechts om te lachen als er niemand in de buurt was en er met niemand over te spreken, zelfs niet als we een échte ruzie zouden hebben. We hebben beiden woord gehouden.

De opstandige dochter

Toen we terug bij Yvonne waren diezelfde dag, meenden we dat het huishoudelijk werk gedaan was en wilden we naar de wei van Tine Vandenbosch gaan om naar de kikkers te kijken in de oude poel. We wilden vertrekken toen Yvonnes vader zei : “Zeg eens ’t is morgen zondag en er is nog geen enkele schoen geblonken”. Yvonne zei dat ze die morgenvroeg wel gauw zou blinken. Maar Berke dacht er anders over : “De schoenen blinken !” schreeuwde hij. “Blink ze zelf, ” riep Yvonne terwijl ze de voordeur uitrenden. Niets te vroeg want gewoontegetrouw greep Berke al naar zijn broeksriem. Juliette en ik stonden ervan te kijken. Wat durfde Yvonne toch wel ? Maar we maakten ons ook uit de voeten, Yvonne achterna. In de wei kwaakten de kikkers met bolle kaken, al hadden we weinig lust om ernaar te kijken. Yvonne zat met droevig gezicht in het gras. “Nu durf ik niet meer naar huis gaan,” zei ze, “wist ik maar hoe ik dat kon goedmaken.”

Plots wist zij de oplossing. “Weet ge wat, Julietje, gaat gij stilletjes naar huis, klim over de barrier en haal in de stal de voedermand, dan trekken wij een dikke mand gras voor de konijnen, en dan zal hij wel wat tammer worden, hoop ik”. Juliette wilde eerst niet gaan, dat “Julietje” zat haar dwars. “Anders zegt ge niet Julietje, dan ben ik wijnsnuit of trats. Maar als ge schrik hebt dan is het Julietje, ” zei ze. Op den duur liet de goedhartige zus van Yvonne zich toch ompraten en toog weg om de voedermand te halen. Yvonne en ik lagen plat op onze buik in het gras en hielden de ingangsstichel van de wei goed in ’t oog. Yvonne betrouwde haar zuster niet goed. Die kon immers aan hun vader vertellen waar Yvonne was. Maar na een tijdje kwam Juliette aangesleurd met een erg grote linnenmand. “Gij kon zeker geen grotere vinden” merkte Yvonne op. We begonnen naarstig gras en witte klaver af te trekken en we vulden de mand boordevol. Nu was het moed verzamelen. Yvonne en ik droegen de zware mand tussen ons beiden, en Juliette stapte er achter om met beide handen het gras onder te houden en niets te verliezen. In gedachten zie ik ons nog sleuren met die mand over d’ Oye. Voor de huisdeur zetten wij de mand neer en wachtten af tot Berke ons zou zien. Daar, de deur ging open en hij kwam buiten. Verbaasd keek hij naar de grote mand met konijnenvoeder en vroeg : “Wat heeft dat te betekenen ? Vanwaar komt dat voeder en waarom ging ge lopen als ge de schoenen moest blinken ?” “Pa, ge weet toch dat de konijnen moeten eten en dat er ’s zondags geen voeder gehaald wordt, en dat ik zei “blink ze zelf” om te lachen. Ik zal ze dadelijk blinken, dan zijn er twéé werken gedaan”. Dat moest zelfs Berke toegeven.

Een grote teleurstelling

Terwijl pa van 19 maart in ’t sanatorium verbleef en er zo goed verbeterde de eerste maand, waren wij thuis wat getroost. Half mei ’45 ging mam op een zondagnamiddag samen met René en mij weer eens te voet op weg om pa te gaan bezoeken. Ik was er geweest op 3 april, maar René was nog niet bij pa geweest. De zusters die er voor de zieken zorgden, hadden liever niet dat er kinderen kwamen. Vanwege de besmetting. De andere zieke mannen hadden geen gezin, maar pa mochten ze toch niet langer beletten om zijn kinderen te zien. En omdat pa op donderdag, bij mams laatste bezoek, toch redelijk goed was kreeg mam van zuster Isabelle de toestemming om zondag de kinderen eens mee te brengen. Om pa weer te zien gingen we nog veel verder te voet als het moest, maar mij viel de weg weer erg lang. Ik liep voorover door de pijn in mijn schouder. Ik woog op mijn twaalfde maar 22,5 kilo. Als ik thuis kloeg zei mam : “Jaag mij toch zoveel schrik niet aan, we hebben geen geld om nog met één meer te dokteren. Dat zal wel vanzelf overgaan”. Maar ’t ging niet vanzelf over en werd alleen maar erger. Soms voelde ik dagenlang niets meer en dan plots was die pijn er weer. Ik zag erg bleek en was graatmager. Zo gebukt onder de pijn geraakte ik samen met man en René in Sint-Truiden. Eens de poort binnen keek ik naar de rozenstruiken of ik pa daar nergens zag. Niets echter. Eenmaal in de gang kwam zuster Isabelle ons al tegemoet : “’t Is spijtig madame, dat ge nu net de kinderen bij U hebt, uw man is vandaag niet goed. Hij is te bed gebleven, maar nu ze er toch zijn, enfin laat ze maar mee gaan, maar laat de kinderen voortaan liever thuis. Niet te dicht bij hun vader, geen kussen of handdrukken of zo” Daar stonden wij als aan de grond genageld. En pa was zo goed de laatste tijd. “’t Is een inzinking van zijn ziekte, dat betert wel weer, maar dat gaat steeds op en af” zei de zuster-verpleegster.

Sanatorium Sint-Truiden in 1945 met Leander Priemen, 40 jaar
Pa Leander met z’n lotgenoten Jozef Vanrutten 23 jaar, Leon Philips 61 jaar en Camille Lowette 30 jaar. Allen overleden in 1946

Wij gingen de trap op, eerst de zaal door waar de andere drie op hun ligstoelen lagen. De oudste, Leon Philips, deed teken met zijn hoofd naar de deur van de slaapzaal. Mam deed voorzichtig de deur open en daar stonden wij bij pa’s bed. Wat een verschil met de vorige weken. In het smalle witte bedje lag mijn arme pa, kronkelend van pijn. Toen hij ons, zijn kinderen, zag barstte hij in een onbedaarlijk wenen uit. Mam probeerde hem te troosten zoveel ze kon, maar niets hielp. Hij weende maar voort, geraakte aan ’t hoesten en fluimen. Hij werd zo kortademig dat we vreesden dat hij direct zou sterven. Mam riep de zuster erbij. Die gaf pa een pilletje en liet hem drinken. Als een klein kind lag mijn vader met het hoofd op de arm van de zuster die hem ondersteunde bij het drinken. Was dat mijn flinke vader ? Die doodzieke magere man in het hospitaalbedje, waar hij alleen lag op die grote zaal. Ik kon het leed van pa niet langer aanzien, en ging met de rug naar vader toe naast de deurpost staan. Om mij een houding te geven keek ik onafgebroken naar het wijwatervaatje dat daar ophing. Het stelde twee engeltjes voor in het blauw, die tussen hen beiden een oesterschelp droegen met daarin het gewijde water. Nu nog zou ik dit wijwatervaatje herkennen tussen honderden, zo spannend heb ik er toen naar gekeken om mijn gezicht en mijn gehoor te kunnen losrukken aan het droevige tafereel daar achter mijn rug. Ik hoorde Isabelle aan mam zeggen : “Niet te lang blijven en kom voortaan alleen”. Toen de zuster weg was hoorde ik mijn broertje rollen over de vloer met een medicijndoos die op pa’s nachtkastje gestaan had. Mam besloot dan maar te gaan en ik hoorde hoe René pa een handje moest geven. De zesjarige René deed dat zonder bezwaar, maar toen mam naar mij riep, draaide ik mij niet om. Ik kon niet, ik durfde mijn lijdende pa niet meer aankijken. Ik zou geschreeuwd hebben en gehuild zonder ophouden als ik pa zo nog eens zou zien. Ik wilde ook van pa geen afscheid nemen. Ik stelde mij voor dat als ik hem een hand gaf dat dit dan een afscheid voor altijd zou zijn. Zonder afscheid zou pa wel niet voorgoed heengaan. “Laat haar maar gerust,” zei pa nog steeds snikkend. Daarop moesten wij de zaal verlaten, de deur achter ons dicht en daar moest die arme pa alleen achter blijven, zo ver van ons en zo in pijn. René stapte voor mam en mij op met de doos onder de arm. Bij de keukendeur stond zuster Isabelle ons op te wachten. Ze nam René die doos af en gaf hem en andere. Alweer vanwege het besmettingsgevaar. De zuster keek ons na met een blik die ik nooit meer vergat. We geraakten buiten als drie van iedereen verlaten. Aan niemand konden wij onze nood klagen en ik had zulke brok in de keel dat ik voor geen enkele prijs zou hebben kunnen spreken.

Welke trieste zondag toch op die meidag 1945. ’t Was voor ons zo somber en duister, al scheen de zon heerlijk. Zo’n dag vergeet men nooit meer. Na een lange tocht waarbij de vermoeide René soms door mam moest gedragen worden, kwamen wij thuis in ons armoedige huis, waar elk geluk ontbrak en de broodwinner in Sint-Truiden op zijn dood lag te wachten. En mam bad maar, hele dagen lang. Ik ging nog wat buiten op straat. Daar speelden de kinderen touwtje springen. Simone Souwens zei me : “Gij staat daar als een zuurpruim en ge zijt nochtans de hele dag mogen weggaan”. Ook zulke woorden troffen een kinderhart. Voor de huizen zaten de buurmannen in zondags kostuum, kerngezond, lachend en pratend, of met de kinderen spelend. Toen liep ik binnen het kamertje in en op de broodplank met strozak heb ik een halve nacht geschreid, ontroostbaar door moeder. Na zo’n nacht moest ik ’s morgens niet naar school. dan mocht ik thuis blijven en in de tuin werken om andere gedachten te krijgen.

Het moederschaap

Enkele dagen later ging mam weer naar pa toe. Vanaf die zondag hadden wij niets meer over hem gehoord. Hoe wreed toch : zelfs per telefoon konden we geen nieuws uit  Sint-Truiden krijgen. Eer ge er te voet waart wist ge van niets. Mam ging er dus half week naar toe, tussen hoop en vrees. Ze nam hem eitjes mee van onze vier hennen. Een van deze hennen was “’t fijn”, een licht beestje. Ik had op een eitje geschreven “dat eitje is van ’t fijn”, om mijn raar gedrag op de bezoekdag wat te verschonen. Wat duurden die uren toch eer mam terug thuis kwam. Soms liep ik tot in d’ Oye-beemd waarlangs zij terugkeerde om eerder iets te vernemen. Zo ook in die week. “Ge kunt het niet geloven, pa zat bij de anderen in de eetkamer te kaarten” zei mam. Dus was pa weer beter en troostten wij ons weer. Als pa dan af en toe enkele dagen erg ziek was maar weer beter werd dan mochten we hem toch behouden. Het kon nooit zo erg zijn, anders leefde hij al lang niet meer. Als hij maar veel en krachtig eten zou hebben, vooral dikke melk drinken, dan hielden wij pa wel bij ons. Ongelooflijk hoe hoop doet leven !

Van melk gesproken : we zouden een schaap kopen voor als pa terug thuis zou komen, dan had hij veel melk te drinken Alle melk zou voor hem alleen zijn. Wij moesten niets hebben. Wij waren niet ziek. De pijn die ik had, dat was niets, die ging wel over. Mam ging dus op stap om een schaap te kopen bij Armand Vanbergen op de Dries, daar liepen veel schapen buiten. Het beest kostte tweeduizend drank. Hoe moeder dat vele geld had kunnen sparen, dat weet ik nog steeds niet. Het schaap liep er met een lammetje bij. Als mam vijfhonderd frank meer gaf was ook het lam voor ons, maar dat ging helemaal niet. ’t Was zo al de uiterste grens met het geld. Dus het schaap moest gescheiden worden van het jong, dat zijn moeder achterna liep tot bij het hek aan de straatkant. Met veel trekken en sleuren kregen mam en ik het schaap tot in de baan tegenover Clabots. Daar legde het schaap zich neer en blaatte maar. Er was geen beweging in te krijgen. Het beest wilde niet verder zonder haar jongske. Van daar uit stuurde mam mij naar d’ Oye. Daar woonde Trees, mams oudste zuster. Daar moest ik gaan vragen of één van de zonen wilde komen helpen met de kruiwagen. Niemand van de jongens was thuis, dus kwam schoonzoon Harie Coenen met mij mee. Hij had de kruiwagen en een lange koord meegenomen. Harie knoopte de poten van ’t schaap tesamen en bond het beest vast op de kruiwagen. Een braakliggend stuk gras in de tuin bij ons in de Plankstraat werd het nieuwe thuis van het beest. Het arme schaap blaatte echter veel meer dan dat het graasde. Verscheidene dagen lang duurde dit voor het beest over het verlies van zijn jong heen was. Dit zou een voorbeeld zijn geweest voor vele jonge moeders van thans, die zomaar hun kinderen achterlaten. Het schaap dat gekocht was om véél melk te geven, gaf wel veel wol maar het loonde de moeite van het melken niet. “Ge moest het jong erbij hebben, Roos,” dat werd van overal aan mam gezegd, “dat beest treurt en is daarom zijn melk kwijt”. Dat zal wel, maar ja, ’t was nu eenmaal niet anders. Dus geen melk voor pa en het schaap terug verkocht voor 1.700 frank. Driehonderd frank verlies. Wat een tegenslag !

Het geitje Ikkeltje

Toen hadden ze mam ergens gezegd dat zij een jong beest moest kopen, dat was veel goedkoper en dat kon beter gewennen aan een andere stal. Toen werd het een geitje. Dat werd gekocht bij Stina van Mandus Poei. Ik mocht het mee gaan halen. De kleinzoon van Stina weende hartverscheurend toen ik het geitje naar buiten leidde. ’t Was het mooiste beestje dat men zich kon in denken : zwart, wit en ros gevlekt, zonder horens en met twee belletjes aan de keel. Dat beest kostte vele tranen, al heeft het zo’n kort leventje gehad. Eerst werd het zo beweend door Stina’s kleinzoon Romain en een half jaar later was ik aan de beurt om te wenen. We kochten het beestje voor negenhonderd frank en het kreeg van mij de naam “Ikkeltje Kramikkeltje”, naar een versje uit de school. Ikkeltje groeide dat het een lust was en stond in de tuin, toen moeder bericht had dat pa redelijk goed was, maar verlangde om terug bij ons te zijn. Hij had zijn kinderen al lang niet meer gezien en zuster Isabelle had mam laten verstaan dat pa zieker werd van al dat denken aan zijn thuis. En op een dinsdag was het zover. Mam stiet de oude fiets naast zich naar Sint-Truiden om pa’s koffer met kleren op te laden als ze terug zouden komen. En laat op de middag kwamen ze thuis. Pa was vermoeid van die lange voettocht, maar hij ging toch dadelijk de tuin in om naar ’t geitje te kijken. En om te zien hoeveel werk er was blijven liggen dat hij, nu hij toch beter was, zou te doen hebben. Plannen makend voor ’s anderendaags al, en voor de volgende lente, ging hij vroeg naar bed. ’t Was toen juli 1945. ’s Anderendaags was het Zepperen kermis en pa wilde zelfs met ons tot op de foor gaan. Hij dronk een pint met een vroegere vriend uit de koolmijn. Maar daar brak een onweer los en Augusta Hansoul riep ons binnen om te schuilen.

In de tuin spitten kon pa echt niet, daarvan werd hij te kortademig. Het lichte werk zoals wieden, verplanten, voeder halen voor de konijnen en het geitje langs de grachten laten grazen, dat deed hij allemaal zelf. Zelfs in die oogsttijd ging pa nog mee om aren te zoeken, die hij nog uitdorste met de vlegel. Het graan ging hij door de wanmolen draaien bij Harieke Honing. Als mam brood bakte droeg pa het naar de oven bij Daniëls. Kortom : hij werkte weer te veel, maar hij wilde van geen rusten weten. En had hij wel gerust, ’t zou ook niets gekort hebben, zegt men in de Kempen. Ondanks onze armoede had moeder toch een abonnement op “Het Belang van Limburg” kunnen verzorgen. Wij werkten allen om ter hardst en ’t gaf toch moed om pa zo bezig te zien. Kon het zo maar blijven !

Pa wordt zieker

September 1945. Ik was terug naar school en mam moest nog steeds elke week naar Sint-Truiden om medicijnen te halen. Ik bleef op deze namiddagen thuis om pa toch niet alleen te laten. Ge kon immers niet weten of hij geen hulp zou nodig hebben. ’t Was de achtste september. Mam was weg en pa had zich in zijn zetel gezet en rustte van in de voordeur gezeten. Opeens hoestte hij, nog eens en toen riep hij : “Josee, kom vlug !”. Ik was in huis en was dadelijk bij pa. Hij zat daar, het gezicht vol bloed, zijn jas en broek bevlekt en een plasje voor hem op de grond. “Wat zal het nu weer worden”, sprak hij. Ik nam pa bij de arm en leidde hem in huis, rap liep ik om een kom water. Zo goed en kwaad ik kon waste ik zijn gezicht en handen, hielp hem uitkleden en bracht hem naar zijn bed op de kelderkamer. Nauwelijks lag hij te bed of een nieuwe bloedgolf stroomde uit zijn mond. Ik pakte vlug de nachtpot, hield hem die voor en een volgende golf bloed vloog in de pot, zo hard dat het mij bespatte. Pa raakte zodanig uitgeput en was zo bleek, dat ik dacht dat hij sterven ging. Ik als kind van twaalf jaar was toch zo bang, maar ik verliet pa geen minuut. Ik riep : “Pake toch, pake toch !”. Met mijn gezicht vol bloed keek ik uit het venster of ik niemand zag die ik om de dokter kon sturen. Niemand op straat natuurlijk. Ik waste pa weeral zo goed ik kon en ook mijn eigen gezicht en handen. De stoel naast zijn bed hing ook vol bloedspatten zodat ik duchtig werk had om alles te reinigen. Het vuile bloedwater moest ik in de wc gaan gieten, maar vlug dat het ging. Alles lopende om maar weer bij pa te zijn. Hij lag stil, met lijkbleek gezicht en gesloten ogen. Ik luisterde of ik zijn adem nog hoorde, en ja, zwakjes ademde hij. Wat later kwam René uit school, toen had ik wat hulp. René moest naar grootvader Priemen lopen om deze te vragen bij Clem de dokter te gaan telefoneren. Alles verliep vlot en toen mam rond half vijf aangestapt kwam stond de auto van dokter Jammaers al voor onze deur. Die had pa een bloedstelpend middel gegeven en verklaarde dat er bij pa een longblaasje was gesprongen. Dat was niet dodelijk zei hij, maar ’t mocht toch niet te dikwijls gebeuren. Aan mam zei dokter Jammaers : “Maar madame Rosalie toch, gij moogt dat kind niet alleen laten met haar zieke pa, dat is te besmettelijk voor kinderen. Gij moet zelf bij uw man blijven in zo’n geval, en ge moogt hem toch niet zolang alleen laten, anders ook niet”. “Dat weet ik wel,” antwoordde mam, maar wie zal de medicijnen gaan halen als ik het niet zelf kan doen ?” Ik was inderdaad nog te klein om alleen naar Sint-Truiden te gaan en niemand anders deed dat. De meesten konden niet per fiets rijden en grootvader Priemen was al 67 toen. Nu zou grootvader voortaan bij pa komen als mam weg moest. Dan kon ik naar school en was meteen uit het besmettingsgevaar weg.

Broertje René Priemen, 6 jaar in 1945

De volgende nacht was pa zo ziek en zo verzwakt, dat hij de ganse nacht ijlde. Pa’s zuster Christine was bij ons gekomen en zat in huis samen met mam. Ik lag op mijn slaapplank en luisterde de hele nacht. Slapen kon hier niemand. Zelfs de zesjarige René hoorde alles. ’s Nachts meende pa dat hij uit een vlieger was gevallen en daarvan zo’n pijn op de borst had. Hij kende mam niet meer en vroeg wiens kinderen dat waren, daar in huis. Hij herkende zijn eigen thuis niet en vroeg hoe hij wel terechtgekomen was in zo’n klein armzalig kamertje met kale muren. Hij wist niet meer dat het altijd zo armzalig geweest was. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik iemand hoorde wartaal spreken en was toch zo bevreesd dat ik luid klappertandde. Om twee uur ’s nachts was de dokter nogmaals gekomen en met de petrollamp in de hand stond mam bij pa’s bed toen de dokter langdurig naar het hart en longen luisterde. Mams hand schudde en beefde met de lamp, ik verwachtte dat ze de lamp alle minuten zou laten vallen. Maar ook die nacht van leed en verdriet liep ten einde en ’s morgens leefde pa nog. Hij was zelfs terug bij zinnen. Toen mam ’s morgens René wilde klaarmaken om naar school te gaan, wierp hij zich luid snikkend onder de dekens en stamelde : “Als pa zoveel moet lijden, dan ga ik nooit meer naar de school”. Hij was zes jaar, ging pas een week naar de grote school en had alles begrepen. Nu is René een en vijftig en herinnert zich dit alles nog. Van een kindertijd gesproken.

De dood van Ikkeltje

Vader moet een ijzersterk gestel hebben gehad, want o wonder, hij geraakte er weer bovenop en in oktober was hij terug op en buiten. Al woog hij nog hoogstens 35 kilo. Op een zondag had hij gezien dat ons geitje krols was en naar de bok moest om gedekt te worden. Dit was immers het begin van alles : jongskes en vooral melk. Leontine van Genan had ook een geit en zij wist waar een springbok was. In Beurs, bij een familie Renaerts Zondagnamiddag zou Leontine met onze geit gaan en ik moest mee. Leontine hoestte zo erg dat ik elk moment keek of ze geen bloed spuwde gelijk pa. Maar we geraakten heelhuids terug thuis en ’t geitje was gedekt, zeiden die mensen toch. Binnen vijf maanden zou er dus melk zijn. Maar ’t werd weer niets.

Nauwelijks twee weken later was ik ’s morgensvroeg al op de speelplaats van de school. Yvonne had even op straat gaan kijken en kwam mij zeggen :”Josee, uw mam ging daar juist bij ’t Meesterke binnen”. Ik was verbaasd : er was thuis toch niemand ziek behalve pa dan. Voor wie of wat was mam bij ’t Meesterke. Ik was thuis nog maar een half uur weg ! ’s Middags in volle galop naar huis en aan mam gevraagd waarom ze bij ’t Meesterke was. “Voor een zaak die dood en begraven is”. Pa antwoordde niet. “Zeg het toch dat ik het versta” vroeg ik weer. “Het geitje is dood” zei mam. Ik vloog naar de stal toe. Daar : de lege stal, het mest er nog in, de ketting hing aan de muur, maar Ikkeltje was weg. Pa kwam mij achterna en toonde mij de plaats waar zij beiden het geitje begraven hadden. Vers omgewoelde aarde, dat was alles. Wat ik toen geschreid heb. Nu ik dit schrijf zie ik nog dit lieve beestje voor mij, en voel ik nog het verdriet dat mijn kinderhart zo pijnigde. Zonder één brok te eten vluchtte ik als het ware d’ Oye op om Yvonne te vertellen wat de reden geweest was van mams bezoek aan ’t Meesterke. Mam had het geitje ’s morgens gevonden met opgezwollen buikje, schuim aan het bekje en het at niet. ’t Meesterke had haar “Engels zout” gegeven, dat ze in water moest doen. Met een fles had mam geprobeerd het beestje dit op te gieten omdat het niet drinken wilde. Dat opgieten was de dood van het diertje geweest. Een beest iets opgieten mag nooit. Het beest slikt dan niet, het vocht wordt op de longen gegoten en de dood volgt dadelijk. Zo was het gegaan met Ikkeltje. Hadden ze gewacht tot het beestje uit zich zelve dronk, of hadden ze het gewoon een dag zonder eten laten staan, dan was het waarschijnlijk niet dood geweest. Maar toen waren de mensen nog veel te dom om beesten te verzorgen en niemand had krant of boek om door lezen iets wijzer te worden. Ikkeltje was dus tweemaal de oorzaak van veel kinderverdriet geweest. Eerst bij Romain Vanbergen, en nu bij mij. Nu staat op het vroegere grafje van ons geitje een stal met mooie konijnen erin, maar telkens als ik ergens een geit zie, denk ik nog aan Ikkeltje. Al hebben wij nu ook Frieda onze geit en Gerard onze bok. Die kunnen Ikkeltje niet doen vergeten.

Een nieuw geitje en een wilde bok

Met Ikkeltje verdween de hoop op melk weer eens, telkens met een jaar vertraging. Onze geburen Lowieke Bex en zijn vrouw Maria hadden medelijden met ons. Elk van hen bracht pa honderd frank, dus tweehonderd, en nog verscheidene mensen die wisten hoe het thuis gesteld was brachten ons geld. Louis Hendrix deed een omhaling op de koolmijn, het vroegere werk van pa. Zo kreeg mam weer wat geld in huis en viel het geldelijk verlies van ons beestje iets minder zwaar. Maria en Lowieke Bex deden nog meer voor ons : zij hadden een zeer goede geit en hadden daarom een ooike willen ophouden. Dat ooike was al halfwas en op een morgen leidde Maria het zwartwitte beestje bij ons binnen. “Hier een nieuw geitje voor u”. Pa wilde het hen betalen, maar zij weigerden halsstarrig er één frank voor aan te nemen. Zij wensten ons van harte veel geluk ermee, en dat meenden die mensen ook zo. Ten gepaste tijd werd het beestje, dat we “Mink” doopten, gedekt. Wij hadden intussen bij Fresine een bokje gekregen en dit werd de toekomstige vader. Naar Beurs moesten we dus niet meer en Leontine van Genan kon nu met haar geit ook bij onze bok terecht. ’t Is de laatste keer dat ik Leontine toen gezien heb. In december van datzelfde jaar is de vrouw gestorven. Ze was 45 jaar oud, net zo oud als mam. Onze bok had die herfst veel werk. Van overal kwamen de mensen met geiten af en ze gaven ons veertig frank voor de diensten van de bok, die “Bertus” heette. Van deze bok was ik bang, die stiet u soms heimelijk met de kop zodat ge ervan omver tuimelde. Meestal stond hij op het gras, achteraan in de tuin, en als er dan iemand kwam met een geit dan moest één van ons de bok gaan halen tot in de mesthof. Op een namiddag lag pa te bed, terwijl mam naar Sint-Truiden was. Ik moest Irèneke Vandenbosch zaliger helpen, die met haar geit op de mesthof stond. Ik knoopte Bertus los en hield zijn halsband stevig vast, terwijl ik hem over het tuinpad geleidde. Dichter bij gelopen zag hij de geit, zette het op een draf en ik loste niet tijdig. Tussen de mestkuil en de stalmuur was een tuinhek van een goede meter breed. In die smalle doorgang vloog ik met mijn hoofd tegen de muur en ik moest even blijven liggen. Intussen had de bok de geit al bereikt.  Door zijn woest gedrag moest Irèneke haar geit loslaten en achter de waterput vluchten. Toen Bertus wat uitgeraasd was hebben wij getweeën de bok toen naar de stal gelokt met de geit voorop. Eens in de stal met hem deden we de deur dicht. Toen bonkte hij met de kop tegen de staldeur aan, om schrik van te hebben. Irèneke is nadien ook gauw gestorven en haar heb ik nooit meer teruggezien. Waar is de tijd toch ? Zoveel mensen die ik allen zo goed gekend heb, gingen reeds. Ik ben er nog, ongelooflijk, na alles wat ik al geleden heb. Het werk dat ik als kind te doen had, was niet geschikt voor een zwak, ziek kind maar zo was mijn jeugd nu éénmaal.

In de zusterschool aan het kerkplein, 1945. Josee zit vooraan helemaal rechts

Pa gaat verder achteruit

’t Werd lente 1946. De hele winter had pa te bed gelegen. Omdat het met de melk maar niet lukte kregen wij elke dag één liter aan halve prijs bij boer Vanvuchelen. Zo had pa dan toch nog iets versterkend. Af en toe bracht Lieke van Harieke Honing enkele eitjes voor pa. Hij hoestte en fluimde, en niemand begreep dat die graatmagere man maar bleef leven. Pa zelf putte daaruit weer nieuwe levensmoed. Hij zei altijd : “Ik denk niet dat ik er kwaad van kan, want anders was ik er al lang niet meer”. Hij was al tevreden als hij zo mocht blijven afzien, als hij maar bleef leven. In februari ’46 kreeg die al zo lijdende man nog een niersteen. Van ’s morgens vroeg begon de crisis en pas om vier uur in de namiddag kwam de dokter dan toch af. Hij had het niet nodig gevonden aanstonds te komen omdat hij dacht dat dit het einde van pa zou zijn, en hij had niet eens geluisterd toen we over de nieren spraken. Voor hem waren het de longen van pa, en daar hielp toch niets aan, terwijl met één spuitje de hevige niercrisis verdwenen was. Die dokter was een eigenzinnig mens, die liet u gewoon niet uitpraten. Wie pa die dag zag kon zich niet voorstellen dat één mens in staat was om zoveel te verdragen. Kortademig, hoestend, fluimend, wenend en zich kronkelend van de onuitstaanbare pijn, daarbij nog brakend en overgevend, en intussen maar wachtend op de dokter die eerst al zijn andere cliënten af deed. En pa tot de laatste liet wachten omdat er toch niets meer hielp. ’t Zou niet meer gebeuren nu. Wat heb ik toen dikwijls gedacht : “Dat ze wachten tot dat ik groot ben!”

Weldoeners

Pa was ijzersterk, want in maart kwam hij terug op tot in de huiskamer en hij kon zichzelf terug scheren. Op 18 maart moest het geitje, dat we van Lowieke Bex gekregen hadden, lammeren. Ik had al de hele dag erbij gewaakt. Veel kende ik niet van die zaken, maar op de duur zag ik toch iets verdacht, iets dat het geitje verloor. Ik werd bang en holde in huis om mam te roepen. Pa zat bij de stoof, en deze man die van geen ophouden wilde weten, greep zijn jas en ging naar de stal toe. Maar zover geraakte hij niet. Net buiten de achterdeur hoestte hij en daar vloeide het bloed weer met stromen uit zijn mond. “Nu dat weer !”, was alles wat pa zei. Mam en ik brachten hem naar zijn bed, de dokter werd geroepen, alles opgekuist en het vele geloop en de schrik om pa, deed ons het geitje vergeten. Enkele uren later liepen twee geitjes rond hun moeder in de stal, maar de moeder zelf had de vruchtvliezen opgegeten en was ziek. Met veel medicijnen van ’t Meesterke bleef het beest in leven, maar ze gaf geen druppel melk. De jonge geitjes hebben we moeten weggeven, omdat er geen eten voor was. De grote geit hebben we een tijdje later voor vijftig frank moeten verkopen aan Staaf de voddenman.

Gelukkig heeft pa toen melk en voedsel gekregen van brave mensen zoals boer Vanvuchelen en zijn schoondochter Gerardine Massonet, die mij ook kleedde en zelfs een fiets en een bed gaf. Deze vrouw, dat was nu eens een mens met een hart. Dan was er nog de familie Gilissen en Marieke van Thijskes. Deze mensen hebben ons van de algehele hongerdood gespaard. Ondanks al die miserie die pa te lijden had, kwam hij in april weer buiten. In zijn rieten zetel gezeten op het tuinpad leerde hij mij spitten. Maar als ik met beide voeten op de schup stond, geraakte ik nog niet door de grond. Pa zou mij eens tonen hoe het moest. Hij nam de schup, stak ze in de grond, en draaide een schup aarde om. Toen dacht ik dat hij ter plaatse zou sterven. Snel terug naar zijn zetel en daar zat hij naar adem te snakken. Hij weende daarbij omdat hij moest aanzien dat een zo zwak kind van dertien moest spitten. Mam vroeg toen haar beide broers Frans en Jef Ruysen. Die kwamen om te spitten, maar ik moest helpen om het goed te leren, zeiden ze, want ook zij waren allebei gepensioneerd en ziek aan de longen. Toen werd een graafgreppel gemaakt over de hele breedte van het pand. Frans zou tegen de hof van de gebuur graven, daar was de hof het vuilste, daar groeide akkerwinde tegen de draad die goed moest weggestoken worden. Jef nam het midden van het pand, daar was de grond het malste. En ik moest het pand ’t dichtst tegen de hofbaan voor mijn part nemen, dat was het hardste. Dat kon Jef niet aan zei hij. Ik moest dat wel kunnen. “Als ge al voor niks werkt, dan moet dat niet het zwaarst zijn”, zeiden de gebroeders Ruysen. Ik leerde intussen wel spitten en ik moest de tanden opeen bijten om het niet uit te schreeuwen van de pijn in mijn schouder. Later bleek het de top van mijn long te zijn.

Op reis naar tante nonneke

Pa sukkelde die zomer 1946 van bed naar zetel en omgekeerd, maar het veranderde niet meer tot de derde oktober. Die dag zou ik mogen meegaan naar Kerniel. Daar had grootvader Priemen een zuster Marie Priemen, die in Kolen al meer dan vijftig jaar kloosterzuster was. Ik had deze oudtante nog nooit gezien. Ik was nog nergens geweest dan te voet naar Sint-Truiden en toen zou ik mogen meegaan, en nog wel met de trein. Dat was gewoon een groot feest voor mij. Zeker een maand eerder was de reis gepland voor drie oktober. Mijn paat Christine Priemen, oudtantes Gerardine en Johanna Priemen, en Maria Vrancken van “Kep”, dochter van Isabelle Priemen zouden naar Kerniel gaan en ik mocht met de vier vrouwen mee. Ik had de dagen en nachten afgeteld en eindelijk was het drie oktober. ’s Morgens was ik al erg vroeg van mijn slaapplank en ik zag mam net met een heel bedrukt gezicht van de kelderkamer komen. “Josee, zoudt ge niet thuisblijven, pa is niet goed, hij heeft dikke voeten gekregen,” zei ze. De moed zonk mij in de schoenen, maar ik hoorde pa zeggen : “Neen, ze moet niet thuisblijven, ik ben al zo lang ziek en ik heb al zo dikwijls aan een zijden draadje gehangen, ook dat zal wel weer voorbijgaan. Ga maar gerust mee, kind”.

Met een gemoed als lood zo zwaar ging ik naar paat Christine. Daar kwamen allen samen en van daar te voet naar Ordingen-statie. Ik had voortdurend pa in mijn gedachten en ik heb nauwelijks gezien dat ik in de trein zat. De zon scheen en we stopten in Hoepertingen, Borgloon en in Kerniel. We kwamen in Kerniel aan en dat was zo’n mooie streek dat ik toch zag dat we door weiden gingen met diepe dalen en dan weer opwaarts. Tot we aan de grote poort kwamen, een boerenerf met mesthoop en hennen. Wondermooi was dat, een oord van vrede en rust, waar men zich gelukkig had kunnen voelen als niet steeds die pijn om pa in mijn hart binnensloop. Enkele trapjes op leidden naar een zware deur. Op ons bellen kwam een jonge zuster binnen. Zuster Gerardine heette zij en ze was toen vierentwintig jaar oud. Door een paar prachtige kamers bracht ze ons bij de oude en zieke zuster Julienne. Dat was de kloosternaam van ons tante nonneke. Ik zag aanstonds dat zij een van onze familie was : net grootvader Gustaaf met dat brede rode gezicht, met de vele rode adertjes in de wangen en zelfs een bloedoog. Net haar broer. Ze was nog gekleed in de zwarte dracht van héél vroeger. Dat gezicht omkranst door een witte kap met een stijve band rond wangen en kin. Ik vroeg mij af hoe ze het verdroeg bij warm weer. Toen zij ons alle vijf zag weende zij luidop. Ze kuste ons allemaal en zei dadelijk dat het de laatste keer was dat zij ons zag, “Want zie hier eens,” zei ze. Zij stiet haar dikke zwarte kousen af en toonde haar knieën en voeten. “Als ge zo’n gezwollen voeten hebt, dan is het hart versleten en zal ik gauw naar de hemel mogen gaan.” Toen de zuster die woorden zei dacht ik weer aan pa. Hij had immers ook dikke voeten. Tante Gerardine zei toen : “Leander zijn voeten waren deze morgen ook erg gezwollen, ’t loopt op ’t einde met hem.” “Wel,” zei tante nonneke, “dan zal ik niet alleen hoeven te gaan, dan zal ik de zoon van mijn broer wel in de hemel ontmoeten”. Ik durfde niet te zeggen dat zij 76 jaar was en onze pa pas 41, dat was voor hem veel te vroeg. Ik was halvelinge boos op haar dat ze het zo normaal vond dat pa naar de hemel zou gaan. Ik had hem zo graag nog lang bij ons gehouden. Tante nonneke moet niet meer bij haar verstand geweest zijn, want tenslotte zei ze nog dat ze al lang spijt had daar een nutteloos leven te hebben gesleten, terwijl zij de oudste van elf kinderen was geweest. Haar moeder was jong gestorven en ze had haar vader Johannes Priemen met de kleine kinderen alleen gelaten. “Ik was 24 jaar, toen ik met een zotte kop mij hier levend kwam begraven”. “Foei, tante Marie, dat moogt ge niet zeggen,” zei haar zuster Johanna, “gij zijt hier toch gelukkig geweest.” “Noemt gij dat gelukkig, gij hebt allen een man en kinderen gehad, en ik zit hier in een cel de muren te bekijken” sprak ze. “Met een man en kinderen hebt ge ook last, ge moet die zien sterven, ge weet wel hoe jong ik Jefke heb moeten afstaan, en tante Gerardine heeft al drie kinderen moeten zien gaan, zoveel gelukkiger zijn wij ook niet geweest.” “Ja, maar ik lijd onder de wroeging dat ik pa met de kinderen alleen liet, toen ik er zo nodig was.” Zo verliep dat gesprek in het klooster, en ik vroeg mij af wat ge wel moest doen om goed te doen. Zelfs tante nonneke meende verkeerd te hebben gedaan.

Een zuster, genaamd Fernanda, redde mij uit deze zwaarmoedige gesprekken. Deze zuster nam mij mee doorheen het klooster, de tuin, de kapel en de sacristie. Deze kapel, daar herinner ik mij vandaag nog alles van. Vanuit het klooster was er een deur die rechtstreeks in de kapel uit kwam. De drempel in blauwe steen was in ’t midden uitgesleten, zo dikwijls waren er voeten over deze steen gegaan. Dan was er een oude koorstoel van de heilige Lutgardis. In deze stoel mocht men niet meer zitten, dan zou de stoel ineen zijn gevallen. En dan de houder voor het evangelieboek. Een standaard, een arend voorstellend met gespreide vleugels, en op diens rug paste het dikke boek precies. Deze vogel was prachtig verguld. In de sacristie, midden op een tafel stond een kistje met het gebeente van doodgemartelde maagden. Zuster Fernanda vertelde mij dat de rode versierselen op dit kistje geschilderd waren met verf gemaakt uit ganzenlever. ’t Was daar zo vredig en stil, het licht viel binnen door de gekleurde glasramen. Ik kon als het ware dieper ademhalen. Ik zei : “Zuster, wat is het mooi hier, geen ziekte, geen angst, zelfs aan pa denken doet minder pijn in deze omgeving”. Ik vertelde zuster Fernanda over thuis. Zij vroeg mij : “Hebt ge geen zin om hier bij ons te komen later, dan kunt ge hier ongestoord voor uw vader bidden”. En in een impuls zei ik “Ja, hier kom ik naar toe !”. Vele jaren later toen ik een mislukt huwelijk, een echtscheiding die mij geknakt heeft, en een tweede noodhuwelijk was aangegaan, heb ik dikwijls gedacht. “Zou dit alles mijn straf niet zijn, dat ik toen “Ja, ik kom,” gezegd heb en niet naar ’t klooster ben gegaan. Want ’t leven heeft mij tot in het diepst van mijn ziel gekwetst. Nu ik in mijn 57ste jaar ben is alles nutteloos geweest, en zal het einde wel eens de oplossing brengen. Maar terug naar Kerniel…

Na de rondgang met zuster Fernanda kwamen wij terug in de kamer van tante zuster Julienne. De tafel was gedekt met brood en taart en allerlei vruchten. Smaken dat het deed. Zo geraakte mijn bezoektijd ten einde. Voor mijn zieke vader kreeg ik een grote doos met allerlei fruit mee. Tante nonneke knoopte haar paarlemoeren rozenkrans los aan haar gordel en gaf mij deze. Ik moest beloven deze rozenkrans voor altijd te bewaren en dat heb ik ook gedaan. Ik kreeg ook een schapulier mee, die we pa om de hals moesten hangen wanneer hij zou gestorven zijn. Zo kwam dat sterven van pa maar steeds terug ter sprake. Na een ontroerende afscheid, met veel tranen vanwege ons nonnetje, stapten wij op, terug naar de statie.

Groottante Marie ‘zuster Julienne’ Priemen in het klooster van Coolen

Laat in de namiddag kwamen wij thuis. Ik was zo blij dat ik pa al dat lekker fruit kon geven. Hij zat in zijn zetel in huis, ineengedoken en bleek, zoals gewoonlijk. Zijn klompen stonden voor hem, hij kreeg zijn gezwollen voeten er niet meer in. Ik zette de doos met fruit op zijn knieën en riep : “Kijk eens pa, wat tante Marie voor U heeft meegegeven. Noten, druiven, peren, perziken, alle lekkers uit die mooie kloostertuin; Pa keek eens naar het fruit, dan bekeek hij mij en toen begon hij zo hartverscheurend te wenen. Ik zette vlug de doos op tafel, net op tijd, want er volgde een hoestbui zoals hij er nog niet veel gehad had. Zo hevig dat hij weer bloed overgaf en al wenende, brakende en hoestende vertelde mijn arme vader met horten en stoten wat er die dag gebeurd was.

Het einde

s’ Morgens had pa dikke voeten, waarvoor ik bijna thuis was gebleven. Overdag toen ik weg was, verslechterde zijn toestand nog en had mam dokter Jammaers laten komen. Pa had gevraagd wat er nu weer met hem scheelde. Toen had de dokter pa de volle waarheid gezegd : “Ja, Leander, gij zijt toch een grote mens en moet begrijpen dat als uw longen totaal op zijn, dat uw hart niet kan blijven volhouden. Uw leven loopt ten einde, ge ziet maar als ge iets te regelen hebt, en dan de sacramenten en zo. Ge zult u moeten klaarmaken op het einde, want ge hebt het heel lang getrokken. Ge zijt ijzersterk geweest, want anderen die hetzelfde mankeerden zijn er al lang niet meer.” Toen stond ik sprakeloos, en al het mooie van de reis naar Kerniel viel langs mij af, net als iets dat niet geweest was. Nu, vandaag, kan ik mij zo goed indenken in pa’s toestand. Alles te moeten achterlaten en dat op 41-jarige leeftijd. Wat voor mij een vrij mooie dag was geweest, eindigde weeral in één van de droevigste dagen uit mijn kinderleven. Mam en ik hielpen pa de kelderkamer op, en eens te bed, is hij er na die derde oktober 1946 niet meer uit geweest.

De zondag die daarop volgde kreeg pa in de vroege avond zo’n aanval van ademnood, dat de mensen op straat bleven staan luisteren naar het gekreun en gehijg. Ik weet nog hoe François Bex zaliger zei : “Hoor toch ocharme eens, wat Leander meemaakt “. Zonder iets te zeggen vloog ik de straat op. Roger Thijs was juist buiten en ik riep hem toe : “Wilt gij gauw naar mijnheer Pastoor lopen, om pa de laatste sacramenten te brengen, want nu gaat hij sterven”. Roger pakte een fiets en reed naar pastoor Herckens. Intussen liep ik om grootvader Priemen, die kwam dadelijk. Toen vroeg pa om zijn jongste broer Louis nog eens te zien. Pa’ s broer Jozef kwam elke zondag van Brustem en Louis, die in dezelfde straat woonde, is pa nooit komen bezoeken. Pa had zijn broer Louis in twee jaren niet meer gezien, en is moeten sterven zonder hem gezien te hebben. Toen ik nonkel Louis zei dat pa hem wilde zien, trok hij de schouders op, en grommelde zo iets van : “Wat kan ik daar doen ?”. Terug thuis zei grootvader : “Hij komt niet, hè ?”. “Neen”, zei ik stil opdat pa het niet kon horen. Intussen was het donker en van thuis uit zagen wij het lampje naderen op de veldweg aan Miel Pulinx. ’t Was toen nog het lampje dat de misdienaar Gustaaf Vaes droeg en voorop stapte, met de priester achter zich die Ons Heer droeg. Toen werden de mensen nog berecht. Nu gebeurt dat allemaal heel anders, als het nog gebeurt, daar is nu geen tijd meer voor, men sterft tegen hoeveel kilometers per uur. 

Pa was weer wat beter en hij ontving de laatste sacramenten bij volle bewustzijn, terwijl wij allen op de knieën in huis lagen. Pa was er net beter op geworden, want de dag nadien zei hij :”Als ge bediend zijt, daarom zijt ge nog niet dood, want ik heb mij in lang niet meer zo goed gevoeld.” Hij was kalmer en zat halfrecht te bed, zodat hij ons altijd kon zien door de openstaande kamerdeur. Merkwaardig was dat hij geen enkele hevige aanval van ademnood meer gehad heeft. Hij had zelfs de kracht om zijn hele leven te vertellen. Over zijn eerste werk als kind-bijna bij een boer in Neerrepen. Daarna drie jaren lang in Dilbeek bij een herenboer waar pa eerste paardenknecht geweest was. Daarna vertelde hij over het werk dat hem zo ziek gemaakt had. Eerst zes jaren op de Belle-Vue te Luik, waar hij aan een afvoerbuis stond waar de poederdroge kolen doorheen liepen. Die buis was met een luik afgesloten en telkens een wagentje passeerde moest pa dat opentrekken, totdat het wagentje gevuld was met kolen. Dan telkens het luik sluiten tot het volgende wagentje. Bij iedere kooluitstorting stegen wolken koolstof op, en die kreeg pa allemaal in te ademen. Deze zes jaren hadden de doorslag gegeven. Daarna de koude in de mijnen der Kempen, waar hij tot aan de heupen in ’t water stond. En dan de vele ontberingen van de oorlog. Pa vertelde dit alles net of hij zijn leven overdeed. Elke dag een stukje, meer dan een week lang. Dan mochten wij niet werken, wij moesten op een stoel zitten en luisteren. Pa vertelde de hele inhoud van zijn korte leven, want wat zijn 41 jaren miserie ?

Zo werd het november, ik geloof dat het de vijfde november was, een dinsdag. Pa was weer aan ’t vertellen en ineens zei hij tot mam. “Roos, ge zijt toch niet kwaad, dat ik u ga verlaten, u en de kinderen, maar hoe zult ge alles kunnen betalen en u er doorheen slaan, maar ge vraagt maar wat hulp aan brave mensen.” “Ge moet ons niet verlaten, blijf maar bij ons, waar zoudt ge wel heen gaan ?” “Ik ga naar mam zaliger, zij staat daar aan het venster en wenkt op mij, ze ziet er zo gelukkig uit, ik ga met haar mee naar de hemel toe, ik kan hier niet blijven. “Ik zie haar toch niet”. “Neen, gij ziet haar niet, Roos, voor uw ogen is alles nog duister, maar voor mij schuiven wolken opzij en ik zie mam zaliger die mij tegemoet komt.” Ik was toen dertien en geen enkel woord daarvan ben ik vergeten. Als pa dat zo gezien heeft gelijk hij dat zegde, waarom zou men dan wel bang moeten zijn ? Alleen uit bezorgdheid om degenen die ge onverzorgd moet achter laten ! Pa was tevreden te mogen sterven. Hij heeft toen nog geleefd tot vrijdag 8 november 1946 tot twintig voor vijf ’s avonds. Die laatste paar dagen lag hij meestal stil naar ons te kijken, hoesten moest hij niet meer. De morgen van zijn sterfdag bracht pastoor Herckens pa nog eens de communie en tegelijk was dokter Jammaers er ook. Pastoor en dokter praatten nog even in huis en toen zei de dokter : “Wat ik wou zeggen, madame Rosalie, ge moet mij veertig frank.” Mam zocht in potjes en doosjes om het geld bijeen te krijgen, en pastoor Herckens haalde plots geld uit zijn zak en gaf het de rijke dokter Jammaers, en die nam het gretig aan. En zeggen dat hij ook, de rijkaard, alles heeft moeten achterlaten en met een kleed zonder zakken de grond in is gegaan. Wat een geluk dat de rijken hierop niets voor hebben op de arme mens.

De namiddag van Pa’s sterfdag vroeg hij om een glas tafelbier met een eitje in geklopt. Dat eitje ging ik kopen bij Lieke Honing. Toen ik het wou betalen zei Lieke : “Dat is het laatste eike dat hij nog neemt, dat krijgt hij van mij”. Lieke had hem ’s morgens gezien en het levenswijze vrouwtje had precies gezien hoever het me pa gevorderd was. Toen pa dan het eitje met bier op had ging hij wat slapen, zei hij. Mam stuurde mij en René spelen. Wij moesten maar wat met de kinderen van Lis Bex gaan spelen, dan was het stil en kon pa slapen. Had ik het maar geweten, dan bleef ik zeker thuis. Maar als ge al zoveel gewend zijt, dan ziet ge niet direct het ergste. Wij bleven meer dan een uur bij Lis Bex en speelden daar met prentjes en boeken. Ten laatste gingen wij toch naar huis. Ik stapte op de onderste trede van de trap en zag dat grootvader Priemen daar stond met de hand op pa zijn gezicht. Ik wist toen niet dat hij zijn zoon de ogen toedrukte. Ik zag mam dragen met pa zijn zwart trouwkostuum, wit hemd en sokken. “Wat gaat ge nu doen met pa zijn goed kostuum ?” vroeg ik. Ik kreeg geen antwoord en René lette er niet op. Die was pas zeven jaar. Toen kwam Maria van Lowieke Bex binnen en nam René en mij met zich mee naar haar huis. “Wat gaat mam doen met pa zijn goed kostuum ?” Toen bleef Maria staan, keek ons om beurten aan en sprak de woorden die ik thans nog even helder in mijn oren hoor klinken en nu nog op mijn gemoed drukken : “Kinderen, uwe pa is zojuist naar de hemel gegaan en uw mam en petere gaan hem mooi aankleden”. Zonder nog één woord te zeggen heb ik toen tot zeker tien uren bij Maria gezeten, steeds die woorden in gedachten : pa is naar de hemel gegaan en de hemel is zo ver weg en pa komt nooit meer terug.

Wij hadden pa niet meer gezien. Hij was in vijf weken niet meer geschoren, en mam zegde dat hij met dat witte gezicht en zwarte baard net Christus op het kruis was. Mam of gelijk wie, niemand heeft pa nog gezien, behalve Armand de ramaker en een helper, die hem ’s zondags de tiende november in de kist gelegd hebben.  Die twee mannen zagen wij van verre komen, alles was toen te voet. Ze kwamen over de Kattesteeg af met de kist hoog op hun schouders. Mam durfde daar niet naar kijken en weeral zaten wij gedrieën bij Maria van Lowieke Bex. Alles was thuis klaargezet om die mannen hun handen te wassen en de deur moesten ze nadien maar toetrekken. Toen ze weggingen, kon mam weer terug naar huis met ons. Ik had zo graag eens op de kelderkamer gekeken, maar mocht niet van mam. “Dan droomt ge daarvan,” zei ze altijd. Mam was een heel bange vrouw, kinderlijk gelovig en eenvoudig. Dan kwam de maandag elf november. Om tien uur de lijkdienst voor pa en om elf uur voor de gesneuvelden. Wij hadden heel weinig volk verwacht en kwamen vele beeldekens tekort, en ten andere… het geld, hè. Ik stapte als eerste van de vrouwen achter de doodskoets, getrokken door het paard van Eduard Hendrix zaliger. Ik was krom van de pijn, die ik in mijn rechterlong had. Nog iemand anders had pijn en was lijkbleek. Die andere was Theresia Thijs van Antwerpen, de dochter van Gerardine. Deze vrouw was toen 38 jaar en had borstkanker, ik was 13 jaar en had tuberculose. De twee ergste ziekten van die tijd en nu nog. Theresia trok mij aan mijn oor en zegde : “Wel Priemoor, nu is Leander op zijn plaats, de volgende ben ik,” en inderdaad in mei 1948 was het haar beurt. Ik liep al jaren met tuberculose rond en wonder boven wonder, ik die nooit geluk gekend heb, ik had daar zelfs geen medicijnen voor, en liep maar rond of ik niets mankeerde, de pijn trok mij krom, maar pijn heb ik zoveel geleden, dat ik dat toen al zowat gewend was. Pa kwam in hetzelfde graf terecht waar zijn grootvader Johannes in 1919 was begraven. Thuis gekomen van pa’s begrafenis vond ik mam en René nog steeds bij Lowieke Bex. Gedrieën gingen wij toen naar ons huis. Daar stonden wij in ons koude, lege huis. Pa was weg en ditmaal voorgoed en mam ging maar steeds in ’t kamertje op de rand van het bed zitten en deed de deur steeds dicht. Ik besefte toen nog niet dat zij daar ging schreien, en dat voor ons wou verbergen. Trieste donkere dagen en lange nachten volgden in die meest donkere novembermaand van mijn hele leven.

Nog slecht nieuws

De week die daarop volgde, op 18 november, daags na mijn dertiende verjaardag, moesten wij ons alle drie aanbieden in het sanatorium te Sint-Truiden om doorgelicht te worden, of we wel gezond waren. Bovendien zou de gezondheidsdienst van Hasselt komen om ons huis te ontsmetten. We verwachtten die mensen al de hele week, maar net als we naar Sint-Truiden waren, zijn ze gekomen. We hadden de huissleutel bij tante Stine gelegd, en zo kon zij die mensen binnen laten. Zoals altijd was het weer te voet naar Sint-Truiden, ik zo mager en bleek dat ge zo kon zien hoe ziek ik wel was. Bij de dokters aangekomen werden eerst de longen van mam doorgelicht en de dokter sprak : “De moeder is gezond !”. “Toen volgde René, waarop de dokter zei : “De kleine is ook gezond !”. Toen nam ik plaats achter de koude plaat De dokter trok mij dichter tegen de plaat, keek langdurig toe en sprak tenslotte : De grote is niet gezond, ze heeft een droge plek op de long van drie op vier centimeters groot”. Als enig antwoord klonk mijn geschreeuw van achter de glaswand : “Ziet ge wel, pa is pas één week begraven en nu moet ik al sterven. Ik ben pas dertien jaar van gisteren, nu weet ik van waar die pijn, die ik al zo lang voel”. De dokter plaatste mij nogmaals terug tegen de koude plaat en mam mocht mee kijken, terwijl de dokter haar de vlek toonde. Ze konden niet geloven dat ik als zwak kind zoveel pijn had verdragen zonder erbij neer te vallen, en zo lang al ziek, al zeker drie jaren. Ik zag wel dat het personeel en de dokter niet veel geloof hechtten aan een genezing voor mij.

Ik heb toen de hele lange terugweg geweend, deels om het verlies van pa en deels van pijn en schrik om toen al dood te gaan. Want tuberculose was toen nog zo ongeneeslijk en schrikwekkend als nu kanker is. En bovendien, we hadden thuis toch gezien hoe het met pa verlopen was. En met zo velen voor pa, die we allen gekend en weten sterven hadden. Doodvermoeid kwamen we toen ’t reeds donker was bij tante Stine toe om de sleutel te halen. “Ge zult niet binnen kunnen, want het hele huis is gevuld met giftige damp,” zei tante Sine. Die mensen van de gezondheidsdienst waren thuis geweest terwijl wij weg waren. Ze hadden alle voegen en reten dichtgeplakt en toen met een darm van buiten uit door het sleutelgat het gehele huis vol met giftige dampen geblazen. Toen nog een plakband op het sleutelgat geplakt en zo moest alles 24 uren potdicht blijven. Dus daar stonden wij, drie arme verlatenen, in de koude novemberavond op straat, vervuld van leed en verdriet, en ik dan nog doodziek. Tante Stine had geen andere plaats voor ons dan zittend op een keukenstoel. Toen kwam vaders tante Gerardine Priemen buiten. Deze vrouw die zoveel goeds deed in haar leven, riep ons binnen en bracht ons op een zolderkamerke waar twee bedden stonden. Mam en René sliepen die nacht samen in een groot houten bed. En ik, die in jàren geen bed meer had, mocht onder het met het dak afhellend plafond slapen in een echt bed en nog wel op een matras van flocon. Hoe heerlijk zacht en warm was dat, zoveel beter dan op een plank met harde strozak. Nooit meer heb ik een beter en warmer bed gehad, dan die nacht op dat zolderkamertje. Ik vergat er mijn droeve gedachten bij en na de lange voettocht van de voorbije dag sliep ik heerlijk. De volgende morgen bracht tante Gerardine mij een tas warme melk met honing en twee dikke mikkeboterhammen. Als deze vrouw de hemel niet verdiend heeft, heeft niemand er een plaatsje ! Mam en René kregen beneden in de keuken te eten, maar omdat ik aan mijn verplichte bedrust voor drie maanden was begonnen, in de hoop op genezing, mocht ik de gehele dag in dat zachte bed blijven liggen. Dat was zo zalig, dat ik er niet aan dacht om op te staan. Onze goede weldoenster bracht mij lekker eten, en o wonder, een leesboek. Nooit vergeet ik dat boek, dat ik daar mocht lezen. Het was getiteld “Kiki”, geschreven door Ernest Claes. Het eerste boek, buiten mijn schoolboeken het eerste boek voor grote mensen, dat heb ik gelezen op dat zolderkamerke. Ondanks alles wat ik te lijden had, was ik even een gelukkig kind. Ik las zo graag, maar thuis was geen enkel boek, en dan in een bed te mogen liggen. Twee nachten sliepen we daar, toen moest ons huis geopend en gelucht worden, en moesten wij terug naar het huis, waar de kilte, leegte en armoede ons tegemoet kwamen.

Langer rust

Omdat ik nu dag en nacht moest rusten, drie maanden lang om te beginnen, en het achter de deur in het kleine kamertje te koud en te eenzaam voor mij was, stelde mam in een hoek van de huiskamer, de twee stoelen met broodplank en strozakken op, om daar mijn lange rusttijd te beginnen. Als medicijn moest ik veel en krachtig eten, calcium Sandoz in nemen en moest de waterketel steeds koken, om door de stoom de harde vlek op mijn long te doen zacht worden. Maar waar zou mam veel en krachtig eten van kopen ? Met pa’s dood hield zijn pensioen op en mam kreeg nog 218 frank per drie maanden. Zij was 46 jaar en niet oud genoeg om pensioen te trekken. Wel kregen René en ik wat meer kindergeld, “wezensteun” werd dat toen genoemd. Hoe mam het klaargespeeld heeft, begrijp ik nu niet, maar sparen hadden wij thuis wel geleerd. Die eigenschap heb ik mijn later leven steeds goed kunnen gebruiken, in de harde strijd om het bestaan toen ik getrouwd was. Maar dat is een ander verhaal en ik vertel verder over mijn jeugd. Ik lag dus na twee nachten een echt bed gehad te hebben weeral op de harde plank en dit voor dag en nacht.

Toen werd weeral ons gebed om hulp verhoord en God hielp ons in de personen van Louise Vanvuchelen en haar schoonzuster Gerardine Massonet, de weduwe van Achiel Vanvuchelen. Louise bezorgde ons melk en soms wat brood of vlees. Gerardine kleedde ons en bezorgde mij een bed en een fiets, alhoewel ik die fiets pas veel later nodig had. Zo kwam mam eens thuis met een kruiwagen met daarop een toe geplooid ijzeren bed met koperen bollen op de vier uiteinden. Dat was het kinderbed geweest van de zo vroeg gestorven José Vanvuchelen, frater André, de zoon van Gerardine. Mam kruide met dat bed door onze straat en Irma Vanbrabant, beter gekend als Irma Kanon, riep mam na : “Zeg, Roos, waar gaat ge met onze Maurice zijn bed naar toe, geef dat eens terug hier, dat hebt ge zeker van Bert zijn mam gekregen, dat stond nog bij haar op zolder”. Toen moest mam tekst en uitleg verschaffen over de herkomst van dit bed, want Irma wilde het bed persé hebben. Zij dacht dat haar schoonmoeder Gerardine Priemen ons het bed gegeven had, waarin ik twee nachten had geslapen. Kon niemand mij dan een bed gunnen ? Na de nodige uitleg kon mam het bed toch houden en werd het thuis in de hoek naast de Leuvense stoof gezet en konden de twee stoelen weer dienen om op te zitten. De broodplank en de strozakken werden weggedaan en die brave tante Gerardine gaf mij een oude flocon-matras, zodat ik tenminste zacht en met gestrekte benen kon rusten. Ik vraag me af of zulke weldoeners nog bestaan, als ik daaraan terugdenk. Die goede tante Gerardine heeft mij boeken bezorgd zolang ik daar bij de stoof gerust heb. Uit de kranten van vaders abonnement knipte ik dagelijks het vervolgverhaal en naaide die bladeren aaneen tot een boek. Het boek “Mulder Lens” van Hubert Leynen bezit ik nu, vierenveertig jaar later, nog steeds. Ik las zoveel dat ik wel niet veel verloren heb van dat jaar gedwongen schoolverzuim. Tekenen en schrijven deed ik ook veel en talrijke brieven van mijn kinderhand gingen in die tijd naar ministers en volksvertegenwoordigers om hen attent te maken op onze benarde toestand. Maar meestal bleef alles zonder gevolg en kwam er al eens een antwoord dan was het meestal met de vermelding dat mam te jong was om pensioen te krijgen of dat pa met zijn vijftien jaren mijnwerk niet genoeg gewerkt had om mam een overlevingspensioen toe te kennen. Net alsof pa gevraagd had om zo jong te moeten sterven.

Genezen !

Zo verliep de winter 1946-1947 en begin maart voerde Fille Vanvuchelen mam en mij met de koets naar Sint-Truiden. Net als pa zat ik in een dunne deken gehuld tussen mam en Fille. Maar mijn uitslag was beter dan pa die ooit had gekregen. De dokter van de x-stralen wenste mij geluk omdat ik zo nauwgezet had gedaan wat mij gezegd was. Hij verzekerde mij dat ik zo goed als genezen was. Ik moest hem wel geloven, want de pijn was verdwenen. “Nu moogt ge elke namiddag twee uren wandelen, ” zei de dokter, maar ik deed dat niet en lag nog twee maanden dag en nacht, in de lente met open venster. Intussen had ik het begin 1947 van meisje tot vrouw gebracht. In mei 1947 moest ik nog eens doorgelicht worden en toen kreeg ik te horen dat ik helemaal genezen was. Ik hoefde niet meer te rusten overdag. Toen ik dat goede nieuws hoorde heb ik daar bij die dokters geweend, deels van blijdschap en deels om mijn arme vader, die dat geluk niet had mogen kennen en al een half jaar in zijn graf lag. Toen ik dat zegde zag ik dat iedereen op zijn lip beet om niet mee te schreien. Ik nam me voor nog iedere namiddag een paar uren te rusten, zo bang was ik voor hervallen. Toen werd echter mijn bed uit de huiskamer verwijderd en sliep ik voortaan op de kelderkamer waar pa gestorven was. Ons huis was immers ontsmet en nergens dreigde de ziekte nog. Nu had ik de zonnigste slaapplaats van ons huis en een zacht bed én genezen… O wonder toch !

Uitgestoten

Wij waren voortaan alle drie gezond, maar maak dat de geburen en kennissen maar eens wijs ! Toen ik terug buiten kwam en met iemand wou praten, merkte ik dat ik seffens alleen was. De mensen vermeden mij en sommige kinderen riepen mij achterna “teringlijder”. Emma Degraef, zo oud als ik, was eens thuis aan de deur wat blijven praten met mij, buiten in de open lucht. Haar moeder kwam haar halen en schreeuwde : “Blijf daar weg, eer ge U de tering op de hals haalt !”. Wat mij die woorden voor pijn bezorgden in niet te beschrijven.

Ik was toen veertien en gezien ik geen kindergeld meer zou krijgen als ik niet naar school ging, en ook een jaar ten achter was, wilde ik terug naar school gaan, maar dat viel erg tegen. Zuster Germaine wilde niet dat ik tussen de gezonde kinderen zat. Omdat zij driemaandelijks papieren moest invullen voor de kindergeldkas dat ik werkelijk de lessen volgde en zij als geestelijke toch wat opzag tegen liegen, vulde zij de papieren in, terwijl ik in werkelijkheidpas in school mocht aankomen nà vier uur, als de andere kinderen naar huis waren. Dan mocht ik met mijn boeken op de laatste bank gaan zitten, heel dicht bij de deur. Zuster Germaine, ook bang besmet te worden zat dan op de trede achter haar lessenaar. Met een afstand tussen ons beiden van zes tot zeven meters gaf zij mij dan les in de Franse taal uit “Justin Lebon”. Deze les duurde gewoonlijk tot vijf uur, zodat ik elke dag één uur in de school was en op mijn papieren werd ingevuld dat ik de lessen regelmatig bijwoonde, kwestie van een leugen om bestwil vanwege de zuster die ondertekende met Thecla Holtof. Zij moet dus van Duitse afkomst geweest zijn. Die leugen om bestwil was wel aan te nemen, maar dat Maria Stijnen mij eens opwachtte om mij te zeggen dat de schoolbank elke avond werd buitengezet tot de volgende morgen om de ziektekiemen eraf te laten waaien, en dat de zusters over de lessenaar waarop ik had geademd een emmer water uitgoten, deze mededeling deed mij een minderwaardigheidsgevoel krijgen. Ik kreeg zenuwen en erge hartkloppingen. Toen waren ze in school weer van mij verlost. Toen voelde ik mij zieker dan ooit tevoren. Ik kreeg nu geen 1.800 frank maandelijkse kinderbijslag meer. Mam moest meer dokteren met mij, dus ze had het nu moeilijker dan tijdens mijn longziekte. Maar hoe meer ik een dokter nodig had, hoe meer men geloofde dat ik nog steeds “de tering” had. Al zag ik er beter uit en was in zwaarder geworden, niemand geloofde mij, ik had en bleef tering houden voor iedereen. Ik zei eens aan dokter Jammaers hoe ik verstoten was. Hij antwoordde : “Doe wel en zie niet om”. Ja, dat is waar, maar als ge van iemand moet afhankelijk zijn, dan kunt ge moeilijk zeggen “zie niet om”. Want mam moest toen omzien naar de openbare onderstand. Daar betaalden ze mijn dokters en apothekerskosten en dit gedurende vijf jaren.

Volgens de dokters had ik meer bezigheid nodig dan thuis de tuin te bewerken om over die zenuwinzinking heen te geraken. Omdat ik zo graag naaide en alle aanleg had voor het vak, raadden de dokters aan mij te laten leren bij een naaister, op leercontract. Dan zou ik opnieuw recht hebben op kinderbijslag en zou ik door werken de tegenslagen kunnen vergeten. De dokters hadden goed praten, want geen enkele naaister in de omstreken wilde mij in haar huis hebben. De éne vond het te gevaarlijk voor zichzelve, de andere wilde haar kinderen niet laten besmetten, en dat werd ons rechtuit in ons gezicht gezegd. Er was zelfs geen naaister meer die mij een rokje wilde maken. Ze moesten dan immers dicht bij mij komen om de maat te nemen, of te passen. Zo kwam het dat ik vanaf mijn veertiende jaar zelf al onze klederen maakte als wij eens iets kregen dat veranderd of aangepast moest worden. Later leerde ik zelfs knippen, eerst op papier, later met stof. Zo heb ik leren naaien uit mij zelve en nooit heeft in latere jaren één naaister iets aan mij verdiend. Noodgedwongen had ik alleen geleerd voor naaister. Ik heb dus al mijn tienerjaren als eenzame verstotene doorgebracht en alhoewel ik veel werkte in tuin en veld en er goed uitzag gelijk anderen van mijn leeftijd was en bleef ik de teringlijder en bleven alle deuren voor mij dicht.

Ik hield konijnen, ging hooi maaien, graan oogsten, patatten zoeken, stookhout rapen, bietenstukken rapen, stallen kuisen en garen spinnen. Geen enkel jong meisje werkte zo hard als ik. Ik trachtte vriendschap te zoeken bij mijn beestjes. Mijn hennen kwamen uit mijn hand eten. Mijn oudtante Gerardine Priemen was vroeger naaister geweest en liet mij stikken op haar oude naaimachine. Het zou duren tot ik twintig was alvoor ik zelf een oude machine voor 1.700 frank kon vast krijgen. Maar in de jaren daarvoor had ik toch wat vertrouwen teruggewonnen bij de geburen en op mijn zeventiende werkte ik in andermans tuin, schilderde plafonds, behing muren, breide en naaide en slachtte konijnen voor de buren. Ik was nogal romantisch en kon wegdromen van zonnige stranden met palmbomen die ik op schoolprenten had gezien. Ik werd dan ook enkele keren verliefd…

Zondag 18 maart 1990

Josee in mei 1947
Josee met banjo 1952
Josee leer zichzelf accordeon spelen in 2000
Josee vormt de oudste van vier generaties in 2000: Rosanne, Wendy en Charlotte

Notities bij de personen die Josee vermeldt:

(volgens interviews met Josee Priemen op 3 en 11.8.2000 en 4 en 21.9.2000 door Willem Driesen Remacluskring)
Afkortingen : ° geboren, + gestorven, x gehuwd, Z. Zepperen, STZ. Sint-Truiden ziekenhuis

Priemen Josee : Josee (°Z. 17.11.1933 – +STZ 17.11.2014) huwde op 17 september 1955 met Alfons Billen (°Wellen 7.6.1934) van Ulbeek. Dochter Rosanne werd geboren in 1956. Op 5 november 1974 scheidde ze van Alfons en op 29 september 1976 hertrouwde ze met Jan Mooren (°Balen Wezel 9.8.1936). Intussen werd Josee oma van Wendy Lenaerts (°1975) en Karolien (°1979). In 2000 werd zelfs haar achterkleindochter Charlotte Gregoir geboren. Josee stierf in 2014 op 80-jarige leeftijd.
De gekende voorouders van Josee langs vaderskant : in 1793, op 27 januari, trouwde in Zepperen Gerard Priemen, niet geboren in Zepperen, met Catherine Vanstraelen. In 1823, op 6 september, trouwde hun zoon Henricus Priemen, dagloner van 31 jaar, met de 24-jarige spinster Isabella Philips, dochter van de ongehuwde spinster Barbara Philips. Hun zoon Joannes Priemen werd geboren op 10 oktober 1832 en trouwde een eerste keer met Elisabeth Cnuts. Hij hertrouwde met Catharina Knuts. Joannes stierf als timmerman op de Dekkenstraat op 16 december 1919. Toen was hij met zijn 87 jaren de oudste man van Zepperen. Zijn zoon Gustaaf Priemen, rademaker, werd geboren op 1 februari 1878 en stierf in Brustem op 8 juli 1955. Hij was getrouwd met Josephine Creten. Kuiper Louis Creten was een schoonbroer. Leander Priemen werd in 1905 geboren als zoon van Gustaaf. Hij was de vader van Josee. De voorouders langs moeders kant : in 1857, op 24 september, trouwde dienstknecht Desiderius Ruysen met Elisabeth Vanoirbeek. Zij was in Sint-Truiden geboren op 9 april 1829. Als stiefdochter van de 54-jarige herbergier Pieter Lambert Vananroye en Anna Catharina Bamps woonde ze in Zepperen. Ze stierf in Ulbeek op 25 maart 1918. Desiré was in Neerlinter geboren op 1 maart 1831 als zoon van de ongehuwde Maria Ruysen, die in Zoutleeuw stierf op 1 mei 1838. Desiré was al eens getrouwd, maar zijn vrouw Anna Elisabeth Massa stierf in Sint-Truiden op 22 maart 1857. Desiré, intussen klompenmaker, en Elisabeth kregen op 7 januari 1861 in Zepperen een zoon Gustaaf. Gustaaf trouwde met Virginie Renckens (1866-1932). Op 30 mei 1900 werd Rosalie Ruysen geboren. Ze was de moeder van Josee.

Firmin Ruysen : °1941, woont nu in de Roosbeekstraat in het oud huis Ruysen-Renkens, geboortehuis van Josee.

Leander Priemen : Z. 24.11.1905 – Z. 8.11.1946, vader van Josee.

Rosalie Ruysen : Z. 30.5.1900 – STZ. 5.5.1979, moeder van Josee.

Josephine Creten : Z. 6.1.1872 – Z. 13.12.1933, grootmoeder van Josee langs vaders kant.

Jan “de kuiper” : Joannes Creten, Z. 18.10.1839 – Z. 6.2.1928, zoon van kuiper Sebastiaan “Tsjaen” Creten (Kozen 1805 – Z. 1870). Zijn zus Lis Creten was de ongehuwde moeder van Meester Frans Creten. Zijn andere zus Rosalie Creten trouwde met Henri Knapen van De Mutsaard en was zo de moeder van de zussen Knapen en van Martin “van ’t Kasteel” Knapen.

Kapelaan Lambrechts : Jacques Joseph Paul Lambrechts (°Bilzen 2.7.1896) was kapelaan te Zepperen vanaf augustus 1923 tot bij zijn vertrek naar Gutschoven in maart 1938.

José Vanvuchelen : Hasselt 24.8.1929, zoon van de jong gestorven Achille en Gerardine Massonet. José werd frater André bij de Assumptionisten maar stierf jong in Zepperen op 24 juni 1950.

Pastoor Herckens : Gerard Herckens (Mechelen-Bovelingen 26.9.1897 – Beringen 4.7.1980) was pastoor te Zepperen vanaf juni 1946 tot 1955, toen hij deken werd in Gingelom.

Jo De Meyere : acteur (°Eeklo 1939),  speelde kapelaan Erik Odekerke in de KRO-televisiereeks Dagboek van een herdershond, 1978, naar een parochiekroniek door de Nederlands-Limburgse priester-dichter Jacques Schreurs.

Luc Philips : acteur (°Antwerpen 1915) speelde pastoor Munte in de BRT-televisiereeks Wij, Heren van Sichem, 1969 en later ook in de speelfilm De Witte van Sichem, 1980. Beide naar de streekromans van Ernest Claes.

Gustaaf Ruysen : Z. 7.1.1861 – Z. 30.7.1937, grootvader van Josee langs moeders kant.

Jozef “Jef” Ruysen : Z. 27.4.1905 – STZ. 2.11.1974, mijnwerker en ongehuwde nonk van Josee langs moederskant. Jef vormde als communicant paar met Leander en ook als mijnwerker waren zo collega’s. Zo kwam Leander in contact met Roos, zus van Jef.

Brigitte “Bergietje” Ruysen : Z. 15.10.1897 – Z. 21.10.1970, ongehuwde tante van Josee langs moederskant.

Lamme van de Scheipes : Guillaume Hayen (Z. 23.4.1872 – Z. 12.8.1960), grote landbouwer op de Roosbeekstraat, zoon van Laurens Hayen (1833-1891), schepen van Zepperen. Guillaume was getrouwd met Jeanne Leemans.

Felix Jammaers : Ordingen 3.2.1871 – ST. 1.5.1959, kleine rentenier-landbouwer in de Smissteeg, zoon van smid Joannes Jammaers (1830-1907) en zelf vader van huisdokter Urbain Jammaers (1899-1988). Had een stopwoord “Siet-ni-wor” en was getrouwd met Antonie Vrijdaghs (1867-1931).

Aom : aam, inhoudsmaat voor vloeistof, ongeveer een ton.

Plankstraat : recente volkse benaming van de Klein-Dekkenstraat. Minstens sinds 1933 toen in een gemeentedocument sprake is van “ter plaatse Klein Dekkenstraat genaamd “Plankstraat”. Misschien omwille van de planken die de bewoners over de grachten legden langs deze nog lang modderweg gebleven straat. Tussen het hoevetje Daniëls en de huizen Hendrix liep vroeger een eenvoudig voetpad achter een haag ter hoogte van de huisgevels nu. Aan de voorkant van de haag liep een echte moddervaart. Of misschien omwille van de natte plekken met planken erover in de nabijheid van de beek die de straat drie keer kruist (Luk Carlens). Zoals de Roosbeek was de Plankstraat een volkse straat met veel mijnwerkers, aanvankelijk vooral bebouwd langs de noordkant, de kant van de gemeenteweide “Het Dekken”. In de jaren 1930-‘37 werd er volop gebouwd tussen het huis Felix Knapen-Schoenaerts (frituur “’t Hoekske”) en Leon Sauwens. De straat werd volgens adressering op briefkaarten einde jaren twintig ook aangeduid met “Vooruitgangsstraat”. Dan viel de activiteit tien jaar stil en werd pas hervat na de oorlog met het huis van Walthére Schoenaerts-Tercafs  (nu Gerda Bronckaerts) in 1946. In de jaren 1980-1990 kwamen er echte villa’s aan de zuidkant.

Gustaaf Priemen : Z. 1.2.1878 – Brustem 8.7.1955, schrijnwerker en grootvader van Josee langs vaderskant. Door Josee en familie “de Pö” genoemd. Staf huurde het stuk gemeentegrond waarop zijn zoon Leander zijn huis bouwde. Vroeger stond er een dikke eik op de plaats van de voordeur. Metselaars aan het huis Priemen in 1936 waren Jef  “van Hanke” en Jef “va Pake” Vanorbeek.

Fresine : Euphrasie Vaneylen (Rijkel 21.4.1902 – STZ. 26.4.1982) trouwde met mijnwerker Frans Knapen (°Z. 1901). In 1933 verhuisden ze van de Roosbeek naar een nieuw huis in de Klein-Dekkenstraat.

Jef Daniëls : Z. 27.3.1870 – Z. 13.5.1952, getrouwd met Amelia Bex (1872-1960). Bekend van zijn Gouden Bruiloft op 21 september 1943, midden in de oorlog.

Vandebosch : Henri Vandenbosch-Goffings (Z. 15.6.1870 – Z. 6.12.1958) burgemeester tussen 1913 en 1921, meester-metselaar en aannemer in de Stationsstraat.

Louike Bex : Louis, Z. 26.8.1906 – Z. 1.11.1987, getrouwd met Maria Schoofs (Z. 19.4.1910 – Ordingen 20.3.1992), oud-schepen en vertegenwoordiger van de liberale ziekenkas. Hij bouwde op gemeentegrond die gehuurd was door zijn oom Daniëls.

Petoet : …

Marie-Josee Vanheer : (°1944), echtgenote van schoolhoofd en fruitteler Jo Schoofs. Zij is de kleindochter van Martin Knapen (1868-1945), koetsier en duivel-doet-al van kasteelheer Felix de Pitteurs.

Jefke Bex : Jozef, °Z. 19.6.1933, zoon van Louike Bex-Schoofs. Jef woont in Ordingen en was gemeenteraadslid voor de PVV-VLD. Hij deed ook de liberale ziekenkas.

Zuster Odile : Maria Mathilde Cosemans (Leut 24.3.1889 – Gijzegem 11.11.1962) deed de bewaarschool in Zepperen van 1929 tot 1959.

René Priemen : °Z. 27.4.1939, jonger broertje van Josee.

Zuster Marie : zuster Marie-Pascal of Elisa Marie Robijt (Bachte-Maria-Leerne 7.11.1873 – Gijzegem 30.3.1958) van de Zusters Sint-Vincentius à Paulo van Gijzegem, die in 1888 met een gift van gravin d’Astier en onder impuls van pastoor Derie aan het kerkplein een school voor arme meisjes begonnen. De zusters verlieten Zepperen in 1972. Zuster Marie bleef vanaf 1899 liefst 58 jaar in Zepperen, waarbij de laatste jaren als keukenzuster. Haar nichtje (dochter van haar broer) Anna Robijt, officieel zuster Irmina, (1910-1998) was de laatste overste in Zepperen.

Zuster Germaine : zuster Marie-Germaine of Thecla Holtof (Leut 10.11.1884 – Gijzegem 15.7.1962). Ze stond in Zepperen 31 jaar voor de klas en keerde in 1948 terug naar het moederklooster in Gijzegem.

Hilda Thijs : (°21.11.1931) dochter van “Djang” Thijs en Lis Bex, zus van Edgard.

Denise Mertens : °Z. 11.6.1933, dochter van Louis Mertens, spoorwegwerkman in Ordingen.

Lowieke “Pak-vast” : Louis Mertens, °Zoutleeuw 25.3.1888, spoorwegwerkman in Ordingen, in 1929 gehuwd met Maria Elisa Steukers (°Z. 1895 – 1971).

Moxes : hoeve aan de Eynestraat, vroeger bewoond door de familie Mox, later door hun verwanten Hayen. “bé Moxes” is de uitdrukking die verwijst naar een huis vertrekkend van de eigenaarsnaam. Bijvoorbeeld “bé Kwaoters” wijst naar de hoeve Gilissen, ooit eigendom van burgemeester Frans Coart.

Guillaume Hansoul : door de weide van Moxes liep een voetpaadje, ter hoogte van het bushokje nu, naar de Roosbeek aan het lemen huis van Guillaume Hansoul, waar nu oud-burgemeester René Claes woont. Een stichel was een doorgang voor mensen, niet te gebruiken door de dieren in de weide. In dit geval een dwarsbalk op halve hoogte van de haag.

Pastoor Reyners : in Zepperen uitgesproken “Reynders”. Pastoor Theodoor Reyners (Bocholt 29.6.1873 – Ophoven 16.1.1960) was lange jaren pastoor te Zepperen van december 1919 tot bij zijn vertrek naar Gruitrode in mei 1946.

Louis Priemen : °Z. 20.11.1911, nonk van Josee langs vaderskant, schrijnwerker in de Klein-Dekkenstraat. Hij huwde in 1937 met Maria-Elisabeth Nulens. Simone (Z. 29.11.1937) is hun dochter.

Jozef Priemen : °Z. 30.3.1909, nonk van Josee langs vaderskant, ijzergieter in Brustem.

Dokter Depeuter : Ludovicus Maria Depeuter (°1918) woonde in de Stationsstraat te Sint-Truiden.

Dikke Linde : lindeboom op de hoek van d’Oyestraat en de Kogelstraat, later de hoek met de nieuwe betonnen Dorpsstraat. Later ook gesneuveldenmonument. De Kleine Linde stond op het Dorp, nu Kogelstraat, waar in de jaren twintig een electriciteitskabine is gebouwd.

Née van Joanes : Landbouwhelper René Vananroye ( Z. 7.6.1920 – 25.2.1976), zoon van Mil en van Antonie Gemers. Hij woonde langs de Kattesteeg, in het huis later omgebouwd tot fermette door opticien Renson van Sint-Truiden.

Bokking : gerookte haring.

Eduard Claes : Nieuwerkerken 3.11.1978 – Z. 4.6.1936, landbouwer en lid van het Armenbureel, vader van Theofiel “Paternoster”Claes, woonde tegenover Gustaaf Priemen. Hij was getrouwd met Rosalie Leunen (+1916) en hertrouwde met Stina Corthouts van Bolderberg. Eduard bad altijd voor in de processie, vandaar de bijnaam “paternoster” die zoon Fille (1911- 1996) kreeg. Het lemen hoevetje met notenboom in de bocht van de Klein-Dekkenstraat werd gekocht door Urbain Daniëls die het in 1958 verving door een nieuw huis. Iets verder werd in 1947 voor zoon Fille een piepklein huisje gebouwd. Een familielid van Josee noemde het “de kapel van den Heiligen Theofiel” !

’t Mèèke : Emile Hansoul

Genan : Guillaume Bollen ( Alken 4.9.1870 – 17.12.1949), gehuwd met Fine “Buet” of Josephine Creeten (Z. 2.10.1869 – Z. 26.7.1936), verkocht snoepgoed zoals roze suikerneusjes met een hazelnoot erop aan bedevaartplaatsen zoals Oetsloven kapel, Kortebos meimaand of het kerkplein van Zepperen.

Gerardine Priemen : Z. 28.8.1881 – Z. 13.5.1967, getrouwd met Henri Thijs, oudtante van Josee, zus van haar grootvader Gustaaf. Gerardine was naaister met vier meisjes en winkelierster. Haar dochter Jetje Vanmuysen-Thijs (°Z. 1916) hield later de winkel open en de katholieke ziekenkas.

Henri Thijs : Z. 22.4.1876 – 25.8.1959, koolmijner, winkelier, getrouwd met Gerardine Priemen (1881-Z. 28.8.1881 – Z. ), oudtante van Josee. “Haarie van Carlin” : Henri was de zoon van “Bokkecarlinne”, of Carolina Thijs-Vanstraelen uit de Kogelstraat.

Djatsenkompeer : letterlijk vertaald : tassenhelper naar het Franse compère.

Jef Degraef : Jozef (Z. 16.8.1897 – Z. 29.9.1974), mijnwerker, getrouwd met Maria Benaets (°Hoepertingen 1901).

Dolf Boonen : Adolf (Z. 11.5.1885 – Z.? 11.12.1961), getrouwd met Mathilde Leunen (1887 -1973). Boomsnoeier, fruithandelaar en duivenman. Woonde in het lemen huisje in de bocht van de Kasteelstraat. 

Maria van Nand Knapen : Z. 20.8.1933, dochter van Ferdinand Knapen en Jet Appeltants. Huwde met Berke Haesevoets.

Jet de coiffeuse : Henriëtte Knapen-Appeltants, moeder van Maria Knapen.

Maria Billen : Hasselt 31.1.1932, blonde dochter van Jef Billen (°1903) in de Stationsstraat. Zus van Guillaume Billen.

Paula Schurmans : Z. 4.11.1933, getrouwd met Hector Vaes (°1931) in Klein d’Oye.

Liske Bex : Alice (Z. 17.1.1928 – 2.3.1993), mongooltje van Tereyken.

Claire Thijs : °Z. 15.12.1934, dochter van Robert Thijs en “Tin” ? Berthilia Elisabeth Treunen (°1911). Het gezin betrok in 1936 een nieuw huis in Klein-Dekken. Claire huwde met trompettist Lowieke Willems van Sint-Truiden.

Yvonne Knapen : °Z. 14.1.1933, dochter van Lambert Knapen-Vandekerkhof, vriendin van Josee.

Lidie van ’t Mesterke : Lydie Plevoets (°ST. 7.10.1934), dochter van Georgette Renaerts (1908-1943) en kleindochter van Joseph Renaerts-de Fraipont (1875-1950), in de volksmond “’t Mesterke” genoemd. ’t Mesterke woonde in een herenhuis uit 1905 op het Kerkplein en werd bij kwalen voor mens en dier om raad gevraagd. De mooie, blonde Lidie werd na de vroege dood van haar moeder opgevoed door haar tante Germaine.

Lutgarde Clabots : °ST. 25.9.1934, dochter van Isidoor Clabots-Neesen (1908-1990). Ze woonde op de Driesstraat in het huis, nieuw gebouwd in 1936, pal op de plek van het vroegere driespleintje. Zus van de jong gestorven postbode Eddy Clabots.

Juffrouw Alice Vanoirbeek : (°Z. 3.1.1911), dochter van Lambert Vanoirbeek-Mommen (1864-1941), benoemd als onderwijzeres in 1930, in 1943 gehuwd met Constant Bollen van Genk en moeder van dokter Ferdi Bollen.

Josee Pels : Z. 22.10.1933 – …), dochter van Jean “Djang” en Jeanne Poelmans op d’Oye, trouwde met Fernand Grommen van Brustem.

Juliette Knapen : °Z. 16.3.1935, dochter van Lambert Knapen-Vandekerkhof, jongste zus van Yvonne.

Paul Knapen : “Paulke van d’ Oye”, °Z. 26.2.1937. Gevelinvoeger. Zoon van Lambert Knapen-Vandekerkhof en jongste broer van Firmin, Yvonne, Juliette en Jef.

Kapelaan Thijssen : Pierre Joseph Antoine Thijssens (°Bilzen 10.1.1908) was kapelaan in Zepperen van mei 1938 tot zijn vertrek naar Bilzen in oktober 1944.

Pa Wanten : Henri Wanten (Z. 1.2.1867 – Z. 28.11.1948), trouwde met Maria Amelia Biets (1862-1943). Zijn zoon François stierf achter het front in 1917. Henri was werkman-koetsier voor de familie Gilissen en woonde in het later afgebroken huisje naast het kerkhof bij het steegje naar het Kerkveld.

Catharina Ruysen : “Trinne” (Z. 21.2.1895 – Alken 18.2.1967), getrouwd met Lambert Vanmechelen (1886-1955) , woonde in een klein huisje op het Dekken waar nu de slachter Herbots is.

Slachter Herbots : Gerard Herbots-Christiaens (°ST. 1934) verhuisde van Sint-Truiden naar Zepperen in zijn nieuw gebouwde slagerij. Op het Dekken groeit een nieuwe woonwijk. Zoon Dirk is hem opgevolgd.

Sint-Pieterspenning : gift van de chtistelijke gelovigen voor de Heilige Stoel te Rome.

Stine Pijp : Christine Schoofs-Pijpops (°Z. 1924).

Peter Vrancken : herbergier Pieter Vrancken-Gemers (Z. 23.8.1872 – Z. 28.8.1951). Het herberghuis, waar de handboogschutterij ooit gevestigd was, verdween bij de heraanleg van de weg omstreeks 1990.

Maurice Vaes : °Ord. 22.12.1914, schrijnwerker en gehuwd met “Meinke” Philomène (°Z. 18.4.1909), dochter van herbergier Pieter Vrancken.

Dokter Everaerts : Huisdokter Hendrik Everaerts-Van Backlé, “’t Dokteurke” (Zoutleeuw 27.4.1929 – ST. 4.9.1998). Hij volgde rond 1960 dokter Dirix op, die naar Alken ging. Beiden woonden een tijd in het huis van schepen Lambert Vanoirbeek-Mommen (1864-1941), waar nu Gerard Goessens huisdokter is.

Teintje : Virginie Geladie (Z. 2.5.1855 – Z. 8.3.1943), stiefdochter uit de kleine herberg Desalus-Candrix, “De Drie Gezusters”, stond ver vooruit tegen de weg bij grote notenboom, waar later de villa Everaerts kwam. Virginie was de ongehuwde “tante” van Henriëtte Geladie (1879-1833), die in 1902 met Octaaf Hayen “be Moxex” op de Eynestraat trouwde.

Toine de slachter : Antonius “va Clemence” Knapen (°Z. 17.1.1909), slachtersgast, in 1937 gehuwd met Martha Creten en enige jaren herbergier in de oude herberg van Lamme Mommen tegenover het kerksteegje naast de oude gemeenteschool. Verhuisde later naar de Stippelstraat, waar zijn dochter Nicole nu het tuincentrum “d’Eygen” uitbaat. Toine’s moeder was Clemence Raets (1885-1937).

Valerie “van de Scheipes” : Valerie Hayen (°Z. … 1908 – …), in 1944 nog getrouwd met fruithandelaar Frans Gilissen (°Z. … 1904 – …) uit de Coartwinning.

Eliane Knapen : Heliane (°Z. 10.11.1934), dochter van Felix “van Bert Til” Knapen (1898-1944) en Irma Schoenaerts (1904-1937). Zij was thuis bij Melia.

Felix “van Bert Til” : °Z. 16.7.1898 – Z. 14.2.1944, mijnwerker, zoon van Lambert Knapen-Biets en kleinzoon van Tilman Knapen-Billet (+1868).

Jozef Franssen : (Koersel 9.8.1911 – ST. 15.4.1975), mijnwerker, oudstrijder ‘40-’45, man van Gabriëlle “Gaby” Bex (Ulbeek 25.3.1915 – Hasselt ziekenhuis 7.1.1999), woonde in de vroegere herberg “In de Drie Gezusters” van Desalus-Candrix, die plaats maakte voor de villa van dokter Everaerts.

Hubertine Vaes : Hubertine Billen (Ord. 11.10.1890 – Z. 11.1.1953), in 1912 getrouwd met mijnwerker Jules Vaes (Alken 2.2.1888 – Z. 17.11.1951). Moeder van koster Antoine Vaes.

Melia van Bert Til : Amelia Knapen (Z. ? 9.6.1884 – Z. ? 12.3.1966), dochter van Lambert Knapen-Biets. Was getrouwd met Guillaume Vanoirbeek en later met Guillaume Thijs.

Jèèke de voerman : De brouwerij Clerinx bestond sinds 1878 aan de steenweg op Hannuit-Namen.. De brouwerij is in 1988 herstart met het toeristisch bekende Bink-bier.

Doorke Schoenaerts : Isidore (Rijkel 7.5.1903 – STZ. 8.3.1994), trouwde in 1928 met Irma “Julia” Thijs van d’Oye en verhuisde in 1934 naar het huis winkelier-varkenskoopman Jef Bex-Vlayen, die naar de Ridderstraat in Sint-Truiden verhuisde. Het was de vroegere herberg Felix Biets-Treunen, naast d’Oyebron.

Emma Degraef : Z. 3.6.1933 – Z. 26.1.1997, getrouwd met Jean Herck en later wonende in het stuk Klein-Dekkenstraat naar de Waterkuil toe.

Siet ni wor : Felix Jammaers, naar een stopwoordje van deze kleine landbouwer rentenier, zie bij : Felix Jammaers.

Sil van Dominneke : Cecilia Hayen (Z. 7.7.1900 – 1977), tweede vrouw van Domien Leunen, zoon van Henri van “Tsjaen Leunes” van Dekken.

Polle Jennard : Leopold (ST. 16.7.1904 – Ordingen 13.3.1969), getrouwd met Marie Schurmans uit Ordingen.

Louise Wanten : Louise Saenen (Kerkom 32.2.1873 – 1959), weduwe van Peter Wanten.

Maria Knapen : Z. 25.3.1906, in 1931 getrouwd met Jef Vaneylen, waarvan het dochtertje Josee, en later met Nand Cleeren. Dochter van Jef Knapen en Victorine “van den Dok” Helaers. Zus van Lambert Knapen-Vandekerkhof.

Mil Pulinx : Hoepertingen 21.5.1883, trouwde in 1910 met Catharina “Net” Vanmechelen (1885-1942). Hij woonde in het winningske in Klein d’Oye naar de Kattesteeg toe.

Stina van Stoffels : Christina (14.12.1864 – 11.11.1945), ongehuwde zus van Anna Maria Vanoirbeek (1873-1956), vrouw van Louis America, en van Rikus Vanoirbeek. De benaming “va Leines” komt waarschijnlijk van haar moeder Magdalena. Stina had de naam van “heks”. De oude Nol Degraef weet elke dode koe of ongeluk aan haar “kwade hand”.

Sel Rikus : Marcel Jammaers (Z. 20.6.1875 – ST. 9.7.1958), ongehuwde landbouwer en onderkoster, ook “Melle” genoemd. Zie daar. Hij woonde met zijn ongehuwde zus Stina in het huis recht tegenover het verbindingsstraatje tussen d’Oye en Klein d’Oye.

Stina Jammaers : Catharina Jammaers (Z. 9.5.1869 – 23.12.1970), ongehuwde zus van onderkoster Marcel, werd honderdjarige.

Wai van den Hik : François Thijs (Z. 5.5.1915 – STZ. 21.11.1992), man van Laura Gorreux. OCMW-voorzitter en gemeenteraadslid. Woonde op Klein d’Oye, waar nu de centrale verwarmingsfirma van schoonzoon Raymond Smolders is gevestigd.

Antonieke Poelmans : Antonia (Z. 20.5.1886 – Z. 7.10.1948), in 1915 getrouwd met “Naar” Leonard Bex (1888-1940) en moeder van Bèrke, die bij de familie America op d’Oye landbouwhelper was.

Sel van Djang de kuimester : landbouwer Marcel Renaerts (°Z. 19.9.1885 – ), zoon van Armenbureelvoorzitter en gemeenteraadslid Joannes Renaerts (1849-1931) en Maria Elisabeth Jammaers (1855-1938). Joannes of “Djang” was de zoon van veearts-koemeester Joannes (Alken +-1779 – Z. 1852) en overgrootvader van “’t Mesterke” Jozef Renaerts. Zie ’t Mesterke.

Julie van de Scheper : Schoenaerts (°Z. 25.1.1908 – STZ. 7.7.1991), woonde nadien in het huis van Sel Renaerts. “De Scheper” was een scheldnaam voor haar man, mijnwerker Jef Appeltans (°Alken 1905 – STZ. 1986)..

Sofieke : Sophia Thijs (Z. 3.11.1895 – 7.3.1956), sinds 1926 vrouw van “Sel van Djang de kuimester”.

Amelius Knapen : (°Z. 5.7.1884), autovoerder in Luik en daar in 1911 gehuwd met Amelie Josephine Zimmer van Moresnet. “Melius” werd ook “Muk’ genoemd. Op de plaats van hun huis staat nu de dubbelwoonst van Geneviève Bex in het hoekje van Klein d’Oye.

Genevieve Bex : °Z. 1966, dochter van apotheker Camille Bex-Beunckens.

Jos Put : Jos (°1957), gehuwd met Marlies, dochter van Gustaaf Bex, en zaakvoerder Gemeentekredietfiliaal (nu Dexia).

Tine Vandenbosch : Hubertine (Z. 2.7.1868 – Z. 10.11.1947), vrouw van de broer van “Muk”, Amelius Knapen (1855-1918). Moeder van Fin Bessemans-Knapen en Mam Sie Mommen-Knapen. Woonde in het hoekhuis Eynestraat 1, tegenover Thijskes, nu tandarts Katrien. Haar weide lag in de Kattesteeg en er liep een gebaand paadje door richting Kleine d’Oyestraat.

Firmin Knapen : °Z. 5.9.1931, broer van Yvonne, later getrouwd met Simone Croes.

Georges van Trees : Georges Ruysen (°Z. 20.3.1931), zoon van weduwe Theresia Thijs-Ruysen (Z. 6.7.1891 – 7.10.1948), oudste tante van Josee langs moederskant. Georges trouwde met verpleegster Gerda Keppers.

Maria : vrouw van Amelius Knapen, heette eigenlijk Amelie Josphine Zimmer (°Moresnet-Neuche 3.8.1885).

Mathilde Bex : Berthilia-Mathilda (Z. 11.2.1881 – 25.8.1948), ongehuwde dochter van landbouwer Jean Bex-Treunen (1860-1933), toen met gebogen rug en in het gebruikelijke zwart gekleed. Woonde in het hoevetje met woonhuis in 17de-eeuws vakwerk aan het steegje naar de bron.

Smis : in de Smisstraat, nu Kerkveldstraat, zo genoemd naar de smederij Jammaers, daar werkzaam in de 18de-19de eeuw.

Kerksteegje : twee voetpaadjes die op het kerkhof en Genovevakerk uitkwamen, één vanaf de Kerkveldstraat langs het huisje Wanten en het ander vanaf de Kerkstraat (nu Zepperen-Dorp) langs de oude gemeenteschool.

Mil Pulinx : Emile (°Z. 12.12.1911), magazijnier, trouwde in 1939 met Josephine Melania Vandenrijdt van Rijkel. Zoon van boomsnoeier Jef  Pulinx-Vanoirbeek (Ulbeek 19.8.1875 – Z. 22.8.1951).

Victoire van ’t Woeke : Victoire “van Michiel” Ottenborgs (Z. 3.2.1901 – Tienen 31.8.1988) getrouwd met Henri “’t Woeke” Vanoirbeek (Z. 3.1.1895 – Tienen 11.3.1986). Dochter Maria trouwde met ingenieur Jean Raets. “De Woe” was winkelier-herbergier Henri Mommen-Vanoirbeek (1865-1943) en zijn petekind Henri Vanoirbeek werd dus ’t Woeke genoemd.

Celestine : Maria Celestina Vandekerkhof (Kozen 17.3.1895 – Z. 22.9.1944), getrouwd met Lambert Knapen op Klein d’Oye en moeder van Yvonne. Haar ongehuwde zus Tinneke kwam na haar dood enkele jaren voor de kinderen zorgen.

Domien Leunen : Z. 29.10.1897 – Z. 29.05.1957, winkelier-handelsreiziger, in 1920 getrouwd met Maria Lizin (1898-1933) en in 1935 in Hoepertingen hertrouwd met Cecile “Sil” Hayen.

Lydie Leunen : °Z. 28.5.1939, zoon van Domien Leunen-Hayen.

Camille Renotte : Z. 10.4.1918 – Z. 5.4.1981, bakker op d’Oye, in 1942 te Alken getrouwd met Marieke Jacobs. Camille was de zoon van landbouwer Karel Lodewijk Renotte-Nijs (1892-1932).

Tuur Boonen : Arthur (Z. 10.6.1893), broer van Dolf en boomsnoeier-timmerman. Getrouwd met Leonore Jans van Rijkel en vader van Jef, Gusta, Mathilde en Alice.

Raets : Pieter Joannes Raets van Gors-Opleeuw (5.11.1837 – Z. 1.4.1911) trouwde in 1877 met Catharine “Trinette” Boonen (1858-1941) en hield herberg op d’Oye op de hoek van de verbindingsstraat met Klein d’Oye. Zijn zoon Romain Raets (Z. 4.3.1893 – STZ. 5.3.1962) was fruithandelaar en gemeenteraadslid. Zijn vrouw Alice Hechtermans (1893-1969) was herbergierster.

Toon van Rikus : Antoon, eigenlijk Wilhelmus Lambertus Vanoirbeek (°ST. Kabei 16.7.1922), zoon van Henricus en van Antonie Vanwiddingen (1876-1952).

Rikus : landbouwer Henricus Vanoirbeek (Z. 5.4.1866 – Z. 4.6.1950), broer van Anna Maria die met Louis America trouwde, en van Stina “van Stoffels”. Hij speelde als paardenbezitter voor “voerremaan” als Leander steenkolen liet leveren in Ordingen station en werd met steenkolen vergoed. De oude Rikus moest zich met krukken behelpen en had een kerkstoel naast zijn zetel staan om op te bidden.

Kriekelbrug : brug over de Roosbeek, ter hoogte van de Klein-Dekkenstraat, nu huis Miel Paemelare.

Louis “van Leines” America : landbouwer (Hoepertingen 26.11.1880 – STZ. 29.10.1969), in 1906 gehuwd met Anna Maria Vanoirbeek (1873-1956). Vader van Guillaume (°1907), Louisa (1909-1956) en Henri (°1912), die doctoreerde in klassieke filologie. “Leines” komt wellicht van Magdalena, naam van de moeder van de Vanoirbeeks.

Hiemeleers : Hubert Hiemeleers (°1935), getrouwd met Simone Renotte (°1934).

Maria van Goris Smets : (°Diepenbeek 7.4.1893), pastoorsmeid van Reyners in 1930 en dochter van bakker-eigenaar Gregorius “Goris” Smets-Fabry (ST. 4.3.1866 – Z. 18.7.1935). Goris rentenierde in een huis dat later veel grond moest laten toen de nieuwe betonweg in 1936 doorgetrokken werd vanaf de Dikke Linde tot aan Peut Mommen, in plaats van een omweg te maken langs de Kogelstraat en de electriciteitskabine.

Fernand Leemans : (°Z. 14.2.1931), zoon van Emile “va Kloenk” Leemans-Vanmechelen. Beroepsrenner rond 1950, hield later fietsenwinkel en benzinestation op de hoek van Dorpsstraat en Kogelstraat. In 2000 werd op deze plaats de villa Celis gebouwd.

Martha Leemans : (°Z. 7.11.1933), dochter van Emile “va Kloenk” Leemans-Vanmechelen (Brustem 21.5.1902 – ST. 6.6.1979). Dit gezin verhuisde van d’Oye naar de Stokerij in de Kasteelstraat in 1936 en naar de Eynestraat in 1947, waar in een nieuwe woning café “Ons Huis” werd uitgebaat. Nu witgeverfd huis naast bakkerij Deferm. Martha trouwde jong met onderwijzer Robert Van Heers, kleinzoon van aannemer “Veire” Hayen.

Duchamps : Henri “van Tossing”, Z. 25.01.1904 – Z. 26.08.1965, waarschijnlijk van de voornaam Toussaint. Henri was zaakvoerder van de Boerenbond, gemeenteraadslid en kwam in 1940 van de Kogelstraat naar de Stationsstraat. Hij was getrouwd met Leontine Kellers.

Zigeuners : in de volksmond “Boheimers”, van Bohemen, of brakkevolk genoemd.

Dony Leunen : Denys (°Z. 8.6.1938) Leunen, zoon van Domien Leunen-Hayen.

Jef Treunen : Z. 6.3.1875 – Z. 21.9.1952, handwerker op Klein d’Oye, in 1910 getrouwd met Joanna “Wanneke” Vananroye (°Z. 1880 – 1957).

Fabry Henri : °Z. 5.10.1868 – Z. 16.2.1954, in 1894 getrouwd met Leonie Knapen, zus van Christine en Martin Knapen “van ’t kasteel”. Henri was C.O.O.-voorzitter, kerkfabrieklid en landbouwer-fruithandelaar. Het gezin had twaalf kinderen. Bijna alle zonen werden onderwijzer. Prof. Dr. Guy Fabry is zijn kleinzoon.

“Djeun” Mommen : Eugène Mommen (Z. 13.6.1867 – Z. 19.11.1954), ongehuwde zoon van landbouwer en bijenhouder Peter “Peut” Mommen-Detilloux (°Z. 1833). Djeun was klein en krom.

Jos van Gaston Bex : Jos (°Z. 1951), gehuwd met Denise Leemans. Zoon van aannemer “Ston” Bex-Neven en zelf zaakvoerder van een asfaltbedrijf.

Nieke “Peut” Mommen : Virginie (Z. 15.5.1903 – Z. 29.4.1945), dochter van Renier Mommen-Mommen (1867-1932) en kleindochter van Peter “Peut” Mommen-Detilloux. Nieke was gebrekkig en liep met twee krukken. Ze was getrouwd met Edmond Geladé van de Stok.

Kattensteeg : veldweg tussen de Klein-Dekkenstraat en de Eynestraat, al vermeld in 1672 als “Cattesteghe”. Bij de verbouwing van het huis van “Neé va Joanes” omstreeks 1980 werd de aansluiting met de Klein-Dekkenstraat iets meer naar het westen omgelegd, vlak tegen het hoevetje Jang Daniëls.

Dikke Louis : Louis Langenaken-Langenaken (Z. 12.7.1903 – Z. 19.10.1970) was inderdaad een gewichtig heerschap en hield winkel. Het was er Bazar en verkocht er alles, van speldjes tot fietsen en wasmachines.

Dispensarium : afdeling voor raadpleging in het Stedelijk Hospitaal te Sint-Truiden. Zie sanatorium.

Leuvense stoof : een platte buiskachel die het vuur in het midden van de kamer bracht, waarop ook gekookt kon worden. Het onderstel op vier poten in glazen potjes bevatte de asseschuif. Op een hoge hals met tochtdeurtje stond de eigenlijke ronde pot met daarboven de hoekig eindigende buis. De buis was breed genoeg voor schotels en er onder hing de oven. Langs de buis liepen twee leuningen waaraan men bijvoorbeeld wasgoed te drogen hing. Bij de recentste stoven waren panelen met emailschildering versierd. De steenkool werd in de pot gegoten met een kolenkit met brede giettuit en twee handvatten. De Leuvense stoof was hier algemeen bekend en vormt de overgang tussen de wandhaard einde 19de eeuw en het gescheiden koken op gasvuur na de Tweede Wereldoorlog.

Tering : volkse, verouderde benaming voor een slepende ziekte, tuberculose.

Tuberculose : TBC, een besmettelijke ziekte waarbij knobbeltjes of tuberkels worden gevormd, vooral bekend als longaandoening. Mijnwerkers kregen door inademen van steenstof stoflong of silicose, vaak gepaard met tuberculose.

Kanker : kwaadaardige celwoekering die het gezonde weefsel aantast en in gevorderd stadium ongeneeslijk is.

Marcinelle : steenkoolmijngemeente bij de stad Charleroi, in 1956 bekend geworden door een mijnramp.

Sanatorium : herstellingsoord voor slepend zieken met een langdurige behandeling volgens leefregels. In het Burgerlijk Hospitaal van Sint-Truiden werd vanaf april 1929 gestart met een Sanatorium voor Teringlijders.

Djang Pels : Jan (Kozen 29.6.1895 – 1966), getrouwd met Jeanne Poelmans (1902- 1963), vader van Josee, Alice en Nicole Pels.

Juffrouw Marie Hechtermans : Z. 28.7.1907 – STZ. 31.5.1998, juffrouw Mieke. Vanaf 1927 onderwijzeres in de aangenomen meisjesschool van de Zusters van Sint-Vincentius à Paulo. Stiefdochter van koster-herbergier Alfons Jammaers (1868-1945) in het begin van de Stationsstraat. Gehuwd met de Sint-Truidense belastingsontvanger Gustaaf Gilen (1907-1973).

Tante Hermine : Hermina Bex-Ruysen (Z. 28.4.1908 – Alken 30.6.1954), tante van Josee.

Lucien : Bex, (°Z. 4.1934), zoon van tante Hermine. Was wielrenner, brouwerijwerker in Alken en later kasseilegger. Hij trouwde met Maria Wintmolders in Kozen.

René Claes : °Rijkel 29.3.1928, zoon van Jules Claes-Strauven. Laatste burgemeester van Zepperen 1970-1976, later schepen van openbare werken in Sint-Truiden. Transportbedrijfsleider.

Commissie van Openbaren Onderstand : “den arme”, vroeger Bureel van Weldadigheid genoemd, later Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn

Dokter Jammaers : Urbain Jammaers-Germeys (Ordingen 7.8.1899 – ST. 24.3.1988), kleinzoon van smid Joannes in de Kerkveldstraat en zoon van Felix. Urbain studeerde in 1925 af als geneesheer aan de Luikse Rijksuniversiteit met specialiteit kraambed. Na enkele jaren in de hoeve Vanvuchelen aan de Poel vestigde hij zich in 1927 in een statig oud kanunnikenhuis in de Clement Cartyuvelsstraat te Sint-Truiden. Hij bleef later nog raadpleging houden in de Smis te Zepperen, zijn vadershuis. Dokter Jammaers was een karaktervolle persoonlijkheid en een voortrekker voor de Sint-Truidense dokters.

Kevers : Apotheek Henri Kevers op de Grote Markt te Sint-Truiden, midden de zuidelijke pleinwand, tussen Minderbroedersstraat en Naamsestraat, tegenover de hoofdingang van het oud stadhuis.

Fred Bertrand : Alfred (Bilzen 1913 – Sint-Truiden 1986). Jonge mijnwerker in Waterschei, kajotter, ACV’er en minister. Trouwde in Bevingen en was vanaf februari 1946 volksvertegenwoordiger. Louise “Pot” Degraef (1915-1966), wiens man mijnwerker Henri Knapen (1904-1954) ook ziek was en moest “trekken”, had zijn adres aangeraden. Hilde Houben-Bertrand, dochter van Fred Bertrand, werd provinciegouverneur van Limburg.

Vallekenstraat : Het Valleken lag tussen het Kerkveld met de Melsterbeek en het klooster van Zepperen. Deze veldweg liep van de Kasteelstraat naar de Zepperenweg.

Witte Lieven Heer : oude pijlerkapel op de hoek van de Zepperenweg, die Zepperen kerkplein verbindt met Schurhoven-Nieuwpoort, en de Vallekensstraat, wellicht in 1941 vernieuwd ter nagedachtenis van de Sint-Truidense dokter-burgemeester De Jongh.

Staaf de voddeman : Sint-Truidense ophaler van vodden, vellen en oud ijzer.

Passiezondag : de zondag voor Palmzondag, genoemd naar het lijden van Christus.

Plechtige communie : feestelijke communie van de kinderen rond 11 jaar bij gelegenheid van de hernieuwing van hun doopbelofte en van hun vormsel, een christelijk overgangsritueel.

Achiel Vanvuchelen : Achille (Z. 10.5.1896 – Z. 6.2.1938), zoon van Jules “de Boer” Vanvuchelen (Zoutleeuw 1870 – 1949), getrouwd met Gerardine Massonet. Broer van Fille.

Paula Neven : (°Z. 13.12.1925), dochter van Libert Neven en Irma Creten, en dus kleindochter van “Meester” Frans Creten-Strauven (1858-1929). In 1944 getrouwd met Edouard Pulinx.

Alma Neven : (°Z. 9.8.1928), zus van Paula Neven. Zie daar. Getrouwd met Norbert Leunen, van “De Stikker”.

Marieke Gilissen : Maria-Augusta-Florentine Gilissen (Z. 11.5.1907 – ), dochter van August Gilissen-Thewis (1837-1916) uit de Ouwerx- of Coartwinning bij de kerk. Ze trouwde in 1935 met François Nijs (1906-1993).

Irma van de Meester Creten : naaister Irma Creten (Z. 11.2.1898 – STZ. 11.1.1968), dochter van hoofdonderwijzer Frans Creten (1858-1929). In 1924 getrouwd met textielhandelaar Libert Neven van Hoeselt en moeder van Paula en Alma.

Christine Priemen : (Z. 10.3.1904 – Z. 21.1.1997), “paat” van Josee. Dochter van timmerman Gustaaf en in 1924 getrouwd met Evarist Leemans, vader van Ston en Frans.

Louise Driesen : (°Z. 4.5.1927), dochter van “Wai” Driesen-Biets en kleindochter van “Djang” Joannes Driesen-Vananderoye. In 1947 getrouwd met fabrieksarbeider Albert Vanmuysen van Ulbeek. Woonde sinds 1933 in de Kleindekkenstraat.

Martha van de Meester : schoenwinkelierster Martha Genoveva Creten (Z. 15.6.1896 – Z. 14.7.1964), dochter van hoofdonderwijzer Frans Creten (1858-1929), in 1926 getrouwd met schoenmaker Pierre Gilissen van Schalkhoven. Woonden in de Eynestraat.

Eduard van ’t molderke : Hendrix (Z. 1.7.1912 – 1973), juwelier-uurwerkmaker, in 1945 in Diepenbeek getrouwd met Paula Gilissen. Woonde op de hoek van de Klein-Dekkenstraat (later ASLK-Fortis) en nadien iets verdrop richting Kortenbos (later groentenwinkel). “’t Molderke” was de bijnaam van zijn vader Jef Hendrix-Jossens (1877-1934), die voerder was voor Zepperen Molen.

Loereborg : naam van een hoeve-café, bij Catharina “Trine van de Loereborg” Leemans (Z. 27.10.1896 – STZ. 8.9.1974). Ze trouwde in 1923 met Jef “va Tsjaen Leunes” Leunen (1900-1961), op de hoek van Eynestraat en Klein-Dekkenstraat, later vervangen door de bakkerij Deferm. De “Loerenberg” was een plek halfweg de Vallekensstraat, tussen Cabey en Zepperen, waar in de vorige eeuw een huis stond.

Emile Degraef : (Z. 24.10.1933 – STZ. 4.3.1998), zoon van Louise Vanbergen. Zie daar.

Louise Vanbergen : Z. 26.8.1897 – ST. 26.4.1981, getrouwd met Jean Degraef (Z. 9.5.1903 – Z. 26.4.1981) en moeder van Emile Degraef.

Irma van Jef Quarème : Irma Vanbergen (Z. 23.2.1901 – Z. 2.3.1979), zus van Louise, getrouwd met mijnwerker Jozef Quarème (°Hoepertingen 22.5.1903 – Z. 8.7.1982). Ze woonden op de Eynestraat. Mil Quareme (°1929) is haar zoon.

Steukers : August “Gust va Lenaar” Steukers-Mommen (Z. 12.3.1880 – 1961), veekoopman, landbouwer en herbergier.

Leonie Mommen : “Nie”  (Z. 7.3.1887 – Z. 24.11.1953), dochter van Henri Mommen-Geladie. Herbergierster en vrouw van Gust Steukers.

Café “De oude drie koningen” : de vroegere vakwerkherberg van Rikus Mommen op het Kerkplein. Gust Steukers (°1880) trouwde in 1921 met dochter Nie Mommen (°1887). Hun kinderen waren Maurice (°1922) en Laure (°1926).

Vaes : oud gemeentehuis, eigenlijk hoofdonderwijzerswoning, in 1929 gekocht door Vaes-Billen. De klassenvleugel achteraan werd bewaarschool van de Zusters van Vincentius à Paulo. De tuin, waarin later het werkhuis van schrijnwerkers Maurice en zoon Paul Vaes werd opgetrokken, komt uit tegen het kerkhof.

De Mot : omgracht stuk weiland tussen Kerkveld en d’Oyestraat. De naam “mot” verwijst naar een middeleeuwse versterking en inderdaad werden op die plaats bewoningssporen gevonden.

Zwartveld : veld tussen de Honsberg en de Stationsstraat, nu Drie-Gezustersstraat.

Dahlia : tuinbloem met lange en overvloedige bloei in nazomer en herfst. Grote verscheidenheid in bloemvorm en -kleur.

Jan Knapen : °Z. 28.6.1886,  man van Lisa Maris (°1884) en vader van de in 1940 gesneuvelde Robert, van Elza en van de jonkmannen Ferdinand en Oscar. Het gezin woonde in de Stationsstraat, later café “Chalet” bij Annie Windmolders.

Zuster Isabelle : sinds 1918 werd het Mannenhospitaal te Sint-Truiden bediend door de Zwartzusters-Augustinessen.

Kiki : Ernest Claes (Zichem 1885 – Ukkel 1968) gaf in 1925 deze fijne psychologische roman uit over Papa en zijn kleine bengel Kiki. Claes werd vooral bekend door zijn verfilmde romans De Witte en Jeroom en Benjamin.

Mulder Lens : Hubert Leynen (Overpelt 1909-Hasselt 1997) was hoofdredacteur van Het Belang van Limburg en senator. In 1943 gaf hij zijn molenaarsroman Mulder Lens uit en in 1944 Mina over een groot werkmansgezin. Josee las ook andere feuilletons zoals Het geheim van Helena door Rik Scholliers (Aalst 1925) in Het Laatste Nieuws van de buurvrouw. Van de sentimentele liefdesfeuilletons las ze als eerste Een liefde voor eeuwig (vertaling 1941) door de bekende Duitse Hedwig Courths-Mahler (1867-1950).

Fille van de Boer : landbouwer Theophile Vanvuchelen-Hechtermans (Z. 17.7.1904 – 1977), zoon van Jules “de Boer” Vanvuchelen-De Wyngaerdt, was een tijd plaatsvervangend burgemeester vanaf 1967.

Hospitaal : het Stedelijk Hospitaal op de Hoge Veser te Sint-Truiden, gebouwd in 1876-1881, telde tot bij de afbraak in 1999 voor sociale woningbouw een vleugel tegen de kant van het Stadspark met bovenaan de sanatoriumafdeling en beneden het dispensarium voor raadplegingen, waar bijvoorbeeld de radiografie gebeurde.

Oud Gasthuis : …

Jef Billen : (Z. 1.5.1903 – …), in 1926 gehuwd met Emma Thijs van Wellen. Zoon Guillaume (°Z. 3.6.1927) trouwde met de Duitse Agnes Schumacher.

Jozef Vanrutten : patiënt uit Nieuw-Sint-Truiden, (+1946)

Leon Philips : patiënt van Genk (+1946)

Camille Lowette : patiënt van Heks-Veulen (+1946)

Simone Souwens : (°8.5.1932), dochter van Leon Souwens van de Hulsen te Alken en van Finneke Wanten (°1910). Trouwde later met Jef Bex (°15.7.1931), zoon van “Leanderke va Pie Bex” en woont op de Bergstraat, nu Terwouwenstraat.

Armand Vanbergen : Z. 29.9.1885 – 23.10.1962, landbouwer, in 1908 gehuwd met Stefanie Renaerts (1886 – 1963) op de Dries. Opvolgende zoon was Henri Vanbergen (1916-1969), in 1945 getrouwd met Maria America (°1918).

Trees Ruysen : de oudste zus van Josee’s moeder. Zie bij Georges van Trees.

Harie Coenen : Henri (Gotem 11.5.1904 – Z. 14.10.1946), in 1930 getrouwd met Bernardine Thijs (1910-1958), dochter van Trees Ruysen.

Romain Vanbergen : de zoon van Liske Coopmans, dochter van “Mandus Poei” en van haar eerste man Jef Vanbergen (1906-1940) van de Dries.

Stina : Christina Bijloos (Ulbeek 5.1.1873 – 15.1.1952), sinds 1907 tweede vrouw van “Mandus Poei” of Amandus Coopmans (7.11.1882 – 19.7.1954),

Zepperen kermis : twee keer per jaar was het, buiten de wijkkermissen, dorpskermis : in mei-juni (zondag na Pinksteren) en grote kermis in september (derde zondag).

Augusta Bex-Hansoul :  Z. 1.1.1889 – 8.12.1971, “Gusta van Hannes”, naar haar vader Joannes, hield textielwinkel in de Klein-Dekkenstraat, net zoals haar kinderen later marktkramers textiel waren. Nu nieuw huis An Gusta Degeest-Bex. Schoonzoon Charel Leenen van Hasselt had een witte “Impala”-auto met rode zetels die o.m. voor zijn klanten bij hun trouwfeest werd voorgereden.

Harieke “Honing” : Henri Colemonts (°Z. 3.12.1890) hield samen met zijn vrouw Rosalie “Lieke” Vandersmissen (°Z. 10.1.1883) een groenten- en aardappelwinkeltje waar later beeldhouwer Remy Celis van Sint-Truiden als één van de eerste in Zepperen een huisje restaureerde tot plattelandsverblijf. Harieke voerde ook uit met een kar met ezeltje om zijn teeltproducten aan de man te brengen.

Djangske Daniëls : Joannes (Z. 5.9.1907 – STZ. 10.2.1999), ongehuwde zoon van Jef en van Melia Bex, die in 1943 hun gouden bruiloft vierden. Achter hun hoevetje, volledig verdwenen in juli 2000, stond een bakhuis waar de hele straat kwam bakken.

Het Belang van Limburg : grootste dagblad van Limburg. Sinds 1.1.1933 ontstaan uit het weekblad “Het Algemeen Belang der Provincie Limburg” van de familie Theelen. Hoofdredacteur was Hubert Leynen.

Clem Leemans : Clement (Z. 26.1.1895 – Hasselt ziekenhuis 12.5.1976), getrouwd met Irma Ruysen, had café met zaal “Oud Brussel” op de hoek van Roosbeek- en Eynestraat. In 1951 overgenomen door Angèle Driesen (°1925) en haar opeenvolgende echtgenoten Marcel Leunen (1928-1954) en Calix Vantilt (°1932).

Leontine Bollen : Z. 16.3.1900 – Z. 2.1.1946, de ongehuwde dochter van Guillaume “Genan” Bollen en Fin “Beud” Creten. Zij had een ziekelijke hoest en stierf in de winter 1946. Nichtje Simone Priemen moest bij haar begrafenis bruidje spelen met wit kleed, zwarte armstrik en kaars. Ook zes jonge meisjes en zes jonge jongens begeleidden de kist, die bij schrijnwerker Louis Priemen was getimmerd. Toen de kist op schragen klaar stond in het werkhuis gingen Josee en haar nichtje Simone er eens in liggen.

Renaerts : deze familie, onder meer Livinus,  woonde in Beurs-Ulbeek, richting Startelstraat.

Engels zout : magnesiumsulfaat of bitterzout, werkt laxerend.

Louis Hendrix : (Z. 27.6.1906), zoon van “’t Molderke” Jef Hendrix, was mijnwerker en trouwde met Dymphna “Din” Daniëls, dochter van Jef en Melia Bex. Het gezin woonde in de Dekkenstraat en de zonen waren Jef de piloot (°1932), Paul (°1940) en Fernand (°1947).

Irèneke Vandenbosch : Z. 8.7.1909 – Z. 19.12.1947. De jong gestorven en ongehuwde zus van meester Roger Vandenbosch kwam haar geit leiden naar de bok. Ze was winkelhelpster bij haar moeder Gertrudis Vandenbosch-Goffings in de Stationsstraat.

Cirkel maaien : het “tujere” gebeurde meestal rond een “pag” of ijzeren staaf met verdikking boven, een ketting van enkele meters en een halsbandje in leder of gewoon in rolluikband “lits”.

Gerardine Massonet : (Kuttekoven 2.2.1901), weduwe van Achille Vanvuchelen (1896-1938), woonde aan de Poel, nu Trimpeneers-Scheepers (TOM n.v.). Zie bij Achille.

Maria Thijs : Marieke van Tijskes ( ??? Maria Ida Z. 22.7.1888 – Z. 24.11.1950) was een ongehuwde zus van Tuur (1897-1991) en van wijzevrouw Theresia Massoels-Thijs (1892- …). Ze woonde ook in het okergeel geverfde vakwerkhuis op de hoek van Zepperen-Dorp en Wellensestraat. Ze ligt volgens koster Vaes begraven op het oud kerkhof onder de groene struik bij het steegje naar het kerkveld.

Jef  Ruysen : Z. 27.4.1905 – STH. 2.11.1974, ongehuwde mijnwerker op de Roosbeek en broer van Josee’s moeder.

Frans Ruysen :Z. 9.4.1893 – STH. 13.6.1962, mijnwerker op de Roosbeek, broer van Josee’s moeder en gehuwd met Julienne Junné. Frontsoldaat 1914-18 aan de IJzer.

Zuster Marie Priemen : Z. 1.12.1868 – Kolen 3.3.1947, lekenzuster “Maria-Juliana” of “Julienne” leefde in het cisterciënzerinnenklooster van Kolen in Kerniel. De spoorlijn Tienen-Tongeren komt er vlak bij. Marie, Gerardine en Joanna Priemen waren allemaal zussen van grootvader Gustaaf, dus oudtantes. Marie was de oudste dochter van schrijnwerker Joannes Priemen en de jong gestorven moeder Elisabeth Cnuts.

Maria Vrancken : Gutschoven 6.9.1898 – STH. 7.6.1965. Trouwde met Henri “Kep” America. Ze was een dochter van Isabella Priemen (1866-1943), getrouwd met Willem Vrancken.

Ordingen statie : de spoorlijn Neerlinter-Tongeren werd in september 1879 geopend. Sint-Truiden, Ordingen en Borgloon waren de eerste haltes. Iets voor 1900 werd ook Kerniel een halte.

Zuster Gerardine : zuster in het cisterciënzerinnenklooster van Kolen in Kerniel.

Zuster Fernanda : zuster in het cisterciënzerinnenklooster van Kolen in Kerniel.

Joanna “tant Wanne” : Joanna Creten-Priemen(Z. 25.8.1883 – Z. 22.2.1969). Haar zoon Jef had de vallende ziekte en stierf plots op 21 jaar.

Gerardine : Thijs-Priemen (Z. 28.8.1881 – Z. 13.05.1967) stierf als 86-jarige, toen nog maar twee van haar zeven kinderen leefden. Pierke, drie jaar in 19…(x in 1905), Maria elf jaar in 1923, Irma twaalf jaar in 1924.

Trisette : Theresia Thijs (°Z. 12.10.1908 – Antwerpen 27.5.1948), dochter van Gerardine Thijs-Priemen. Stierf op 39 jaar aan borstkanker. Ze diende bij een bakker in Antwerpen en trouwde met bakkersgast René Delaere.

Wai Bex : François (Z. 26.5.1922 – …), zoon van Gusta van Hannes. Duivenmelker, textielverkoper.

Roger Thijs : Z. 31.12.1932 – ST. 30.1.1991, de zoon van Robert Thijs en Tin Treunen en broer van Romain, Claire en Jacqueline.

Gustaaf Vaes : Z. 18.2.1932 – STZ. 22.2.1993, herinnerde zich nog dat hij met zijn bel op zijn knieën moest liggen op een kussen in het huis. Het was een zondagavond, in oktober 1946, Roosbeekkermis.

Belle-Vue : steenkoolconcessie “Belle-Vue et Bienvenue” in het Luikse mijnbekken, ten noordwesten van het stadscentrum tussen Bressoux en Herstal.

Armand de raammaker : Armand Schoofs (Z. 27.12.1888 – …), rademaker in de Kogelstraat. Zoon van rademaker Alfons van Brustem en van Joanna “Wanneke” Fabry. Broer van hoofdonderwijzer Jozef Schoofs.

Eduard Hendrix : (Z. 29.5.1886 – Z. 25.4.1962), broer van Jef, was kleine boer en woonde met zijn vrouw Rosalie Vandebosch (°1894) en zijn ongetrouwde zus Stina Hendrix (°1879) in een huis in de Kleindekkenstraat, nu grasveldje bij Roger Joris-Souwens.

Paat Stine : Christina Priemen, zie daar.

Louise Vanvuchelen : Louisa (Z. 24.5.1900 – Malgrat de Mar (Sp.) 26.3.1991), zus van Fille “van de Boer”, trouwde met dorpsgenoot Renier Fabry (1901-1978), schoolhoofd in Stevoort, en woonde aan de Poel waar haar ander broer Achille Vanvuchelen-Massonet had gewoond.

Irma Vanbrabant : Brustem 10.9.1909 –  ST. 2.1.1996, dochter van Hubert “Kanon”. In 1931 getrouwd met Robert Thijs (°Z. 14.7.1907), neef van Josee langs Priemenkant. Het gezin verhuisde rond 1937 naar hun nieuw huis in de Klein-Dekkenstraat.

Justin Lebon : Jongetje uit een taalboek Frans (Manuel pour apprendre le français aux élèves de l’école primaire flamande d’après la méthode directe par une réunion de professeurs, 2de deel, 9de uitgave, Brussel-Namen : Procure, 1942). In meisjesscholen moest het figuurtje een meisje worden, Agnès Lebon.

Maria Stijnen : (Z. 22.11.1933), dochter van Armand Stijnen (°Brustem 4.12.1906 – 1981), in 1932 getrouwd met Josephine Vandenbosch (1907-1988), dochter van oud-burgemeester Henri.

Fons : Josee was van september 1949 verliefd op Fons Billen, maar trouwde pas in september 1955. Later gescheiden.

Louise de leurster : Louise Berchmans van Neeroeteren (1900 – 1979). Ze had te Tereyken een stoffenwinkel. In 1948 begon ze met haar man Jangske Benaets een ronde met paard en kar. Hun zoon is Toineke van de welbekende garage op Tereyken. In 1949 stierf Djangske en omdat Louiske het paard niet meester kon kreeg ze hulp van voerman Fons Billen voor de kost en 30 frank per dag. Als Louiseke dan haar boterhammen opat bij Lis Bex (was ook van Tereyken), dan paste Fons op het paard en speelde met de buurtkinderen. Fons was toen pas 15 en Josee 16 jaar.

Remacluskring Zepperen
Versie 7 maart 2021

zepperen.be/jeugd-vroeger

<span>%d</span> bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close